Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4663

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
200.288.800/01 en 200.292.209/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof bekrachtigt de machtiging uithuisplaatsing. Er komt geen thuisplaatsing. Ook niet als het gezinshuis de zorg door het gedrag van de ouders niet meer aan kan. De GI moet de gezinsouders ondersteunen en de omgang met de ouder zo nodig strikt begeleiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.288.800/01 en 200.292.209/01

(zaaknummers rechtbank Overijssel, 243012 en 260024)

beschikking van 11 mei 2021

inzake:

in beide zaken

[verzoekster] (moeder),

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. S. van Beers te Zeist,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI),

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep.

Als overige belanghebbenden worden in beide zaken aangemerkt:

[de vader] (de vader),

wonende te [B] ,

en

[de gezinshuisouders] (de gezinshuisouders),

wonende te [A] .

In gevolge artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Overijssel, locatie Zwolle,

1 De procedures bij de rechtbank

In de zaak met het zaaknummer 200.288.800/01

1.1

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle (hierna: de kinderrechter) heeft (uitvoerbaar bij voorraad) bij beschikking van 20 november 2020 de ondertoezichtstelling verlengd van [de minderjarige] , de dochter van de moeder en de vader, voor de resterende duur van vier maanden met ingang van 23 november 2020 tot 23 maart 2021 evenals de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinshuis voor de resterende duur van vier maanden met ingang van 23 november 2020 tot 23 maart 2021.

In de zaak met het zaaknummer 200.292.209/01

1.2

De kinderrechter heeft (uitvoerbaar bij voorraad) bij beschikking van 5 maart 2021 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd met ingang van 23 maart 2021 tot 23 september 2021, en ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd met ingang van 23 maart 2021 tot 23 september 2021.

2 De procedures in hoger beroep

2.1

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

In de zaak met het zaaknummer 200.288.800

- het beroepschrift van de moeder met bijlage(n), op 13 januari 2021;

- het verweerschrift van de GI met bijlage(n);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming van 16 februari 2021;

- een journaalbericht van mr. Van Beers van 16 maart 2021 met bijlage(n);

- een email van de gezinshuisouders van 18 maart 2021;

- een e-mail van de raad voor de kinderbescherming van 12 april 2021.

In de zaak met het zaaknummer 200.292.209/01

- het beroepschrift van de moeder met bijlage(n), op 22 maart 2021;

- het verweerschrift van de GI;

- een journaalbericht van mr. Van Beers van 6 april 2021 met bijlage(n);

- een journaalbericht van mr. Van Beers van 9 april 2021 met bijlage(n);

- een journaalbericht van mr. Van Beers van 13 april 2021 met bijlage(n).

In beide zaken

2.2

De mondelinge behandeling van beide zaken heeft op 15 april 2021 tegelijkertijd plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Ter ondersteuning van de moeder is als toehoorder toegelaten [C] . De vader is verschenen. Namens de GI is [D] verschenen en namens de raad: [E] .

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van

[de minderjarige] , geboren [in] 2011. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

3.2

[de minderjarige] staat onder toezicht vanaf 23 maart 2018 en deze maatregel geldt tot 23 september 2021. Vanaf 21 maart 2019 is zij met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.

3.3

Bij beschikking van 10 september 2019 heeft het hof de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] over de periode van 21 maart 2019 tot 23 maart 2020 bekrachtigd.

3.4

[de minderjarige] verblijft vanaf 29 maart 2019 bij de gezinshuisouders en gaat eens in de zes weken een weekend naar een pleeggezin in [F] .

3.5

[de minderjarige] heeft een begeleide omgangsregeling met haar ouders.

4 Waar het om gaat.

In de zaak met het zaaknummer 200.288.800

4.1

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 november 2020 en wil hiermee het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voorleggen. De moeder verzoekt het hof de beschikking van 20 november 2020 (het hof begrijpt:) deels te vernietigen en opnieuw beschikkende, het verzoek tot (het hof begrijpt:) (verlenging van de) uithuisplaatsing van [de minderjarige] af te wijzen.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, dan wel haar verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

In de zaak met het zaaknummer 200.292.209

4.3

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 maart 2021. Zij verzoekt het hof de beschikking van 21 maart 2021 (het hof begrijpt:) deels te vernietigen en opnieuw beschikkende, het verzoek tot (het hof begrijpt ook hier: verlenging van de) uithuisplaatsing van [de minderjarige] af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder een onderzoek te gelasten door de raad voor de kinderbescherming naar de vraag of het daadwerkelijk noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dat de uithuisplaatsing dient te worden verlengd.

4.4

De GI voert verweer en verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

In beide zaken

5.1

Ter zitting is afgesproken dat alle stukken van de beide zaken in de (individuele) beoordeling van de beide zaken zullen worden meegenomen.

5.2

De kinderrechter kan de GI op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen als dit noodzakelijk is

- in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, of

- tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid 1 en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing op verzoek van de GI steeds met ten hoogte een jaar verlengen.2

Wat het hof vindt

In de zaak met het zaaknummer 200.288.800/01

5.3

Het hof concludeert dat er ten opzichte van zijn eerdere beslissing van 10 september 2019 weinig is veranderd en is het na eigen onderzoek eens met de beslissing en de motivering van de kinderrechter van 20 november 2020.

Het hof voegt hieraan het volgende toe. Uit de stukken blijkt dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij de moeder/ouders ligt. De moeder/ouders is/zijn niet in staat om [de minderjarige] vanwege haar complexe problematiek op te voeden. Hiervoor zijn speciale opvoedvaardigheden nodig. Daarom heeft de GI niet gekozen voor plaatsing in een pleeggezin, maar voor plaatsing in een gezinshuis met professionele opvoeders. Dat wat de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd maakt dit niet anders omdat is gebleken dat de ouders (en in dit geval de moeder) [de minderjarige] dit opvoedklimaat van structuur en begrenzing niet kunnen bieden, zodat de kinderrechter bij beschikking van 20 november 2020 terecht heeft geoordeeld dat verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Daarom zal het hof de beslissing van de kinderrechter bekrachtigen.

In de zaak met het zaaknummer 200.292.209/01

5.4

Ook in dit hoger beroep is het hof het na eigen onderzoek eens met de beslissing en de motivering van de kinderrechter.

Het hof voegt hier nog aan toe dat al geruime tijd duidelijk is dat het perspectief van [de minderjarige] niet meer bij de moeder/ouders ligt. Uit de stukken maakt het hof op dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . Er is sprake van complexe problematiek bij haar: er zijn aanwijzingen voor onveilige hechting en [de minderjarige] heeft kenmerken laten zien die deels passen bij ADHD, maar mogelijk ook verklaard kunnen worden vanuit een gebrek aan structuur en duidelijkheid, waarbij begrenzing nodig is. [de minderjarige] heeft een bovengemiddeld opvoedklimaat nodig om zich te kunnen ontwikkelen. Uit de Goed Genoeg Ouderschap-module is gebleken dat de ouders haar dit opvoedklimaat niet kunnen bieden. Er is structureel sprake van disbalans van draagkracht en draaglast van de moeder/ouders. Door de negatieve opstelling van de ouders richting het gezinshuis, heeft het gezinshuis de beslissing genomen dat [de minderjarige] daar niet langer kan blijven. Dit is niet in het belang van [de minderjarige] en bijzonder verdrietig, omdat [de minderjarige] zich daar goed heeft ontwikkeld sinds haar plaatsing en zich blijft ontwikkelen, het daar naar haar zin heeft en het de bedoeling was dat zij daar in elk geval tot haar meerderjarigheid zou kunnen blijven. Het feit dat er nu door het gedrag van de ouders onzekerheid is over waar [de minderjarige] straks zal worden geplaatst, maakt echter niet dat een terugplaatsing naar de moeder aan de orde kan zijn. Dit, vanwege de bijzondere opvoedvaardigheden die van de opvoeders van [de minderjarige] worden gevraagd en waarvan al eerder is gebleken dat de moeder die niet kan bieden. Een mogelijke overplaatsing van [de minderjarige] zal dan ook hooguit leiden tot een plaatsing in een andere professionele setting, soortgelijk als het huidige gezinshuis. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de raad het door moeder gevraagde onderzoek naar de mogelijkheid [de minderjarige] alsnog bij haar terug te plaatsen te laten verrichten en zal de beslissing van de kinderrechter in stand laten.

5.5

De samenwerking tussen de gezinshuisouders en de ouders is niet goed en hun verhouding is verslechterd doordat de ouders de gezinshuisouders verwijten blijven maken en hun boosheid en onmacht ten opzichte van de GI en de gezinshuisouders ook uiten in het bijzijn van [de minderjarige] . Dit heeft zijn weerslag op [de minderjarige] en zij moet hiertegen beschermd worden. Het is jammer dat het de ouders niet lukt hun eigen boosheid weg te houden van [de minderjarige] en dat zij niet door hebben dat ze [de minderjarige] hiermee ernstig benadelen. [de minderjarige] krijgt zo niet de kans om in rust op te groeien en te hechten op een plek waar ze voor haar ontwikkeling kan krijgen wat zij speciaal nodig heeft.

5.6

Het hof vindt het, op basis van alle stukken en wat op de zitting is besproken, het beste voor [de minderjarige] dat zij (overeenkomstig haar wens) in het huidige gezinshuis blijft en zich daar goed kan blijven ontwikkelen en hoopt daarom dat de gezinsouders hun beslissing willen heroverwegen. De oplossing van het huidige probleem ligt in dit geval niet in de herplaatsing van [de minderjarige] waardoor haar leventje weer helemaal op zijn kop komt te staan, maar in het ondersteunen van de gezinshuisouders bij het uitoefenen van hun taak om vorm en inhoud te geven aan de verzwaarde opvoedingsvraag van [de minderjarige] . Het is aan de GI om de gezinshuisouders zo te faciliteren dat er (ook bij een eventuele nieuwe plaatsing van [de minderjarige] in een gezinshuis) geen herhaling plaatsvindt en dat [de minderjarige] enerzijds en de gezinshuisouders anderzijds beschermd worden tegen de boosheid en de onmacht van de ouders. Als de belasting van het kind zit in de in het bijzijn van het kind geuite reactie van de ouders op de uithuisplaatsing en de gezinshuisouders, ligt de oplossing niet in een herplaatsing van het kind, maar in bescherming in het kader van de omgangsregeling. In dat geval is er geen andere mogelijkheid dan een (strikt) begeleide omgangsregeling.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

In de zaak met het zaaknummer 200.288.800/01

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 20 november 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

In de zaak met het zaaknummer 200.292.209/01

bekrachtigt de beschikking kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 5 maart 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, M.P. den Hollander en J.G. Idsardi, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier en is op 11 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)

2 Artikel 1:265c lid 2 BW