Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4630

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
14-05-2021
Zaaknummer
21-005441-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep bij akte beperkt. Veroordeling ter zake van vernieling van een ruit. Voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de persoon op de camerabeelden is die de vernieling heeft gepleegd. Bepalen straf op grond van artikel 423 lid 4 Sv en toepassing artikel 9a Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005441-19

Uitspraak d.d.: 12 mei 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 7 oktober 2019 met parketnummer 18-920133-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-236371-18, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. M. Kuipers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep en de omvang van het appel

Bij bovengenoemd vonnis is verdachte ter zake van de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten (te weten dwang, belaging, het bedreigen van verschillende personen, het beschadigen van een auto en het vernielen van een raam) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest. Van die straf zijn 4 maanden in voorwaardelijke vorm opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij is een meldplicht bij de reclassering als bijzondere voorwaarde gesteld. Voorts is een gedragsbeïnvloedende en vrijheids-beperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, inhoudende een contactverbod met de slachtoffers van de feiten 1, 2 en 3, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard. De vordering van de benadeelde partij van feit 6 is volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte is de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 80 uren toegewezen.

Tegen dit vonnis is door de verdediging op 17 oktober 2019 onbeperkt hoger beroep ingesteld. Bij akte van 22 april 2021 is het hoger beroep ten aanzien van de feiten 1 t/m 5 ingetrokken.

Dit betekent dat thans slechts het onder 6 ten laste gelegde feit aan de orde is, alsmede de daarmee samenhangende vordering van de benadeelde partij en de vordering tot tenuitvoerlegging. Het hof zal het vonnis in zoverre vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Ten aanzien van de onder 1 t/m 5 ten laste gelegde en door de rechtbank bewezenverklaarde feiten blijft het vonnis in stand en zal het hof ingevolge artikel 423 lid 4 van het Wetboek van strafvordering een straf bepalen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep van belang – tenlastegelegd dat:


6.
hij op in omstreeks de periode van 14 mei 2019 tot en met 15 mei 2019, te [plaats1] , althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een raam, geheel of ten dele toebehorende aan [naam1] (aan de [adres1] te [plaats1] ), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verdachte heeft ontkend dat hij in de nacht van 14 op 15 mei 2019 het raam van restaurant [naam1] in [plaats1] heeft vernield. Ter zitting in eerste aanleg heeft hij daarover verklaard: “Ik heb niets met de vernieling van een raam van de pizzeria in [plaats1] te maken. Ik was die avond wel in de buurt. Ik ben toen ook beschoten door onbekenden. Als wordt gesteld dat ik degene ben die op de camerabeelden is te zien, dan klopt dat niet. Ik ben dat niet geweest. Ik heb nooit een oranje rode jas gehad. Als de politie in hun proces-verbaal van bevindingen een beschrijving van mij geeft, omdat ze mij eerder op die avond hadden gezien, dan is dat niet juist weergegeven. Als de agenten zeggen dat ze mij hebben herkend aan mijn kleding, dan kan ik u alleen maar zeggen dat dat niet juist is en dat ik daar niet geweest ben.1

De raadsman heeft ter zitting van het hof vrijspraak bepleit. Hij heeft aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen, nu de verbalisant die heeft gerelateerd dat hij verdachte op de camerabeelden heeft herkend, geen specifieke persoonskenmerken heeft genoemd aan de hand waarvan hij die herkenning heeft gedaan. Het proces-verbaal houdt enkel in dat verdachte aan zijn kleding is herkend en dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen, aldus de raadsman.

De rechtbank heeft in het vonnis omtrent feit 6 overwogen: “Op 15 mei 2019 wordt er bij de pizzeria aan de [adres1] te [plaats1] een raam ingegooid. (…) Van deze vernieling zijn camerabeelden aanwezig. Na het uitlezen van de camerabeelden kan een persoon die een rode jas met capuchon, een lichtblauwe spijkerbroek en donkere handschoenen droeg, als dader worden aangemerkt. Bij de stukken bevindt zich een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen waarin een incident wordt beschreven, waarbij verdachte diezelfde nacht betrokken is geweest. Verbalisant beschrijft daarbij in zijn proces-verbaal onder meer de kleding van verdachte die hij droeg bij dat incident. Nadat verbalisant de camerabeelden terzake de vernieling van de raam heeft gezien, herkent hij voor 100% verdachte, als degene die op de camerabeelden voorkomt bij de vernieling van het raam van de pizzeria. Gelet op het vorenstaande kan het onder 6 ten laste gelegde bewezen worden.”

Het hof acht deze overweging juist en neemt die over. Op grond van de verklaring van aangever en de inhoud van de camerabeelden gaat het hof ervan uit dat de vernieling van het raam in de nacht van 14 op 15 mei 2019 kort voor 01:00 uur is gepleegd door de persoon die op de hierna te noemen camerabeelden is te zien.

Evenals de rechtbank twijfelt het hof er niet aan dat verdachte de persoon op die camerabeelden is. De combinatie van de kleur van de jas/sweater, de broek, schoenen en handschoenen maken dat van een specifiek signalement sprake is. Verbalisant [verbalisant] heeft verdachte in de nacht waarin de vernieling is gepleegd gesproken. Hij heeft gezien welke kleding verdachte op dat moment droeg en later geconstateerd dat dit precies dezelfde kleding was als die van de persoon op de camerabeelden betreffende de vernieling. Verbalisant heeft verklaard dat hij de persoon op de beelden “voor 100%” heeft herkend. Uit het proces-verbaal blijkt van geen enkele twijfel. Verbalisant ként verdachte en is derhalve bekend met zijn uiterlijk en naam. Dat verbalisant geen specifieke gezichtskenmerken heeft genoemd is daarom niet noodzakelijk en maakt die herkenning daarom niet minder betrouwbaar of bruikbaar voor het bewijs. Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat sprake is van voldoende onderscheidende kenmerken die, in combinatie met elkaar bezien, tot een betrouwbare herkenning hebben geleid.

Wat het hof nog sterkt in de overtuiging dat het inderdaad verdachte is die op de beelden is te zien, is dat vaststaat dat verdachte die nacht, zeer kort nadat de vernieling is gepleegd, in [plaats1] in de buurt van de betreffende pizzeria is geweest. Die locatie strookt met de richting waarin de persoon op de camerabeelden liep, hetgeen ook geldt voor het tijdstip. Immers uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2019, p. 166 e.v. van het dossier, blijkt dat de melding van verdachte van het schietincident op 15 mei 2019 omstreeks 01:00 uur is gedaan, derhalve kort na de vernieling van het raam van restaurant [naam1] .

Het voorgaande maakt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt, neemt het hof uit het vonnis over, met daaraan toegevoegd de bevindingen uit het proces-verbaal d.d. 15 mei 2019, zoals hiervoor is weergegeven en in de hierna te noemen voetnoot is opgenomen.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 mei 2019, opgenomen op pagina 174, 175 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam2] :

Ik ben eigenaar van het restaurant [naam1] , gelegen aan de [adres1] te [plaats1] . Op 14 mei 2019 omstreeks 21.30 uur heb ik mijn zaak gesloten. Ik heb mijn zaak in goede orde achter gelaten en weet zeker dat het raam intact was. Op 15 mei 2019 tussen 00:30 uur en 01:00 uur heb ik een klap of een dreun gehoord aan de voorzijde van mijn zaak. De klap of dreun klonk of er iemand heel hard tegen de ruit sloeg of schoot. Op 15 mei 2019 was ik in de zaak en zag ik dat ongeveer in het midden van de ruit een rond gat zit. Doordat er een gat in de ruit zit is deze gaan scheuren. Er zitten 4 scheuren in het raam. Het gat is ongeveer 1,5 cm in doorsnee en zit ongeveer op 1,5 meter hoogte, gemeten vanaf de grond.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2019, opgenomen op pagina 183 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 15 mei 2019 kwam aangever [naam2] aan het bureau te [plaats1] met camerabeelden van Chinees restaurant [naam3] gevestigd aan de [adres1] te [plaats1] . Ik, verbalisant, bekeek de camerabeelden. Op de beelden is de [adres1] te [plaats1] te zien.

00.55.29 uur: Er komt een persoon in beeld gelopen, deze persoon loopt vanaf de overkant van de straat langs een terras. Daar staan twee stapels met stoelen.

00.55.33 uur: De persoon trekt de twee stapels stoelen omver. Daarna steekt de persoon schuin de straat over naar de zijde van de camera.

Hierbij loopt de persoon onder een lantaarnpaal door.

00.55.50 uur: Voor [naam1] gevestigd aan de [adres1] te

[plaats1] staan stoelen en tafels buiten op straat. Vervolgens haalt de persoon met zijn rechter hand uit naar het pand.

00.56.00 uur: De persoon loopt weer richting de camera. Hij heeft een donker gekleurd breekijzer of iets wat daar op lijkt, in zijn beide handen voor zijn lichaam.

De persoon is als volgt te omschrijven: Rode jas met capuchon; licht blauwe spijkerbroek en donkere handschoenen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 mei 2019, opgenomen op pagina 188 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Op 15 mei 2019 kregen wij een melding van een schietincident in [plaats1] ter hoogte van de [adres2] . Ter plaatse troffen wij de voor mij, verbalisant [verbalisant] , de mij ambtshalve bekende [verdachte] aan. Hij was de melder. Ik zag dat [verdachte] een oversized rode sweater met capuchon met voorop een rechthoekige opdruk of print, een lichtblauwe spijkerbroek en lichtgrijze sportschoenen droeg. Ten tijde van het aanspreken droeg [verdachte] zwart met grijze werkhandschoenen.

Enkele dagen na dit incident werd ik er door een collega op gewezen dat vlak voor de melding van het schietincident, waarbij [verdachte] melder was, er een vernieling was gepleegd bij een eetgelegenheid in [plaats1] , genaamde [naam1] , gevestigd aan de [adres1] . Hier zouden camerabeelden van zijn. Deze camerabeelden heb ik bekeken en ik herken de persoon op de beelden voor 100% als zijnde [verdachte] . De persoon droeg precies dezelfde kleding als [verdachte] ook deed deze nacht. De persoon die de vernieling heeft gepleegd, loopt vervolgens door in de richting alwaar volgens [verdachte] de plaats delict was waar hij was beschoten.2

Bewezenverklaring

Door de hiervoor opgenomen wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

6.
hij in de periode van 14 mei 2019 tot en met 15 mei 2019, te [plaats1] , opzettelijk en wederrechtelijk een raam, toebehorende aan [naam1] (aan de [adres1] te [plaats1] ), heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 6 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Bepalen straf op grond van artikel 423 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering en toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

Zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, heeft verdachte in de nacht van 14 op 15 mei 2019 kennelijk zonder enige aanleiding een raam van een pizzeria vernield. Hij heeft op die manier schade veroorzaakt en inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de gedupeerde.

Hoewel dit feit verdachte valt aan te rekenen, constateert het hof dat het zwaartepunt van de onderhavige strafzaak heeft gelegen bij de onder 1 t/m 5 ten laste gelegde en door de rechtbank bewezenverklaarde feiten. Aangezien het hoger beroep tot feit 6 is beperkt zijn deze feiten niet aan het oordeel van het hof onderworpen, maar dient het hof ten aanzien van die feiten wel een straf te bepalen ingevolge het bepaalde in artikel 423 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof bepaalt die straf op dezelfde straf die de rechtbank aanvankelijk heeft opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij wordt een meldplicht bij de reclassering als bijzondere voorwaarde opgelegd. Voorts bepaalt het hof dat ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten een maatregel als bedoeld in 38v Wetboek van Strafrecht geldt voor de duur van 2 jaren. Deze maatregel behelst een contactverbod ten aanzien van aangeefster [naam4] en haar minderjarige zoon [naam5] . Voor iedere keer dat verdachte dit verbod overtreedt, zal vervangende hechtenis van één week worden opgelegd, met een maximum van zes maanden. Deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar.

Voornoemde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte.

Vanwege de (in verhouding) geringe ernst van het in hoger beroep onder 6 bewezenverklaarde feit, zal ten aanzien daarvan geen straf of maatregel worden opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [naam1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.608,79, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen en in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is voldoende onderbouwd en door de verdediging inhoudelijk niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Groningen van 29 maart 2019 opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis (parketnummer 18-236371-18). Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 14a, 14b, 14c, 14g, 14h, 14i, 14j, 36f, 38v, 38w, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde op:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich (uiterlijk) binnen veertien dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest te melden bij reclassering Leger des Heils, Damsterdiep 271 te Groningen (050-3144211) en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang als de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren en dat hij zich houdt aan alle aanwijzingen die hem door of namens de reclassering worden gegeven.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam4] , geboren [geboortedatum] 1996 en haar minderjarige zoon [naam5] , beide wonende te [plaats2] , [adres3] . Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [naam1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam1] ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.608,79 (duizend zeshonderdacht euro en negenenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam1] , ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 1.608,79 (duizend zeshonderdacht euro en negenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 26 (zesentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 mei 2019.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 29 maart 2019, parketnummer 18-236371-18, te weten van:

taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M.B. de Wit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 12 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. De Wit is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 23 september 2019.

2 Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2019, p. 166 e.v. van het dossier, blijkt dat de melding van verdachte van het schietincident op 15 mei 2019 omstreeks 01:00 uur is gedaan, derhalve kort na de vernieling van het raam van restaurant [naam1] .