Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4613

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
200.281.465/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing artikel 1:444 BW. De bewindvoerder heeft schade veroorzakend gehandeld jegens de betrokkene. De schade wordt vastgesteld op € 130.054,43 en er volgt een proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.281.465/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7851780)

beschikking van 4 mei 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. H.A. Jeuring te Groningen,

en

[verweerster] B.V.,

gevestigd te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerster] ,

advocaat: mr. E.P. Groot te Groningen.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de betrokkene] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de betrokkene.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 1 mei 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 30 juli 2020;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Jeuring van 17 augustus 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Jeuring van 8 december 2020 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 maart 2021 plaatsgevonden. [verzoekster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens [verweerster] zijn verschenen [C] en [D] , bijgestaan door hun advocaat.

3 De feiten

3.1

De betrokkene is geboren [in] 1953. [verzoekster] is de voormalig echtgenote van de betrokkene, van wie hij in 1997 is gescheiden. Bij beschikking van 13 november 2012 is er vanwege de lichamelijk en/of geestelijke toestand van de betrokkene een bewind ingesteld over zijn goederen en gelden met aanstelling van [verzoekster] tot bewindvoerder.

3.2

Bij beschikking van 6 november 2018 is [verzoekster] ambtshalve ontslagen als

bewindvoerder en is [verweerster] tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Bij die beschikking is [verweerster] ook opgedragen onderzoek te doen naar het door [verzoekster] gevoerde bewind en ten aanzien daarvan een rapport uit te brengen.

3.3

Op 12 maart 2019, met aanvulling op 11 december 2019, heeft [verweerster] gerapporteerd aan de kantonrechter.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter (onder meer) voor recht verklaard dat [verzoekster] tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder, de schade als gevolg van een tekortschietend bewind vastgesteld op een bedrag van € 130.054,43, [verzoekster] veroordeeld tot betaling aan de betrokkene van een (schade)bedrag van € 130.054,43, [verzoekster] veroordeeld in de door [verweerster] gemaakte kosten en [verzoekster] veroordeeld tot betaling van die kosten.

4.2

[verzoekster] is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. [verzoekster] verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat er geen sprake is van een zodanige tekortkoming in de zorg van een goed bewindvoerder, op grond waarvan de rechtbank ten onrechte [verzoekster] veroordeelt tot de betaling van het gehele, door [verweerster] vastgestelde schadebedrag,

II. het schadebedrag te matigen, in die zin dat [verzoekster] een bedrag van € 69.061,21

dient terug te betalen,

III. de door de rechtbank toegekende vergoeding in de door [verweerster] B.V.

gemaakte kosten te matigen,

IV. althans dat het hof die beslissingen zal nemen zoals het in goede justitie mocht vermenen te behoren.

4.3

[verweerster] voert verweer en verzoekt [verzoekster] in haar beroep en verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep en/of de verzoeken af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In artikel 1:444 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Voorts geldt op grond van artikel 1:445 lid 5 BW in combinatie met artikel 1:362 BW dat de kantonrechter de schade kan vaststellen die de betrokkene heeft geleden door het tekortschietende bewind van de bewindvoerder en de bewindvoerder kan veroordelen die schade aan de betrokkene te vergoeden.

5.2

Aan het hof ligt de vraag voor of [verzoekster] in de zorg van een goed bewindvoerder (toerekenbaar) is tekortgeschoten en, zo ja, of zij de als gevolg daarvan ontstane schade aan de betrokkene dient te vergoeden.

5.3

Het hof sluit zich aan bij de onderbouwing die de kantonrechter in de bestreden beschikking heeft gegeven, neemt de overwegingen na eigen onderzoek over en voegt daaraan nog het volgende toe.

5.4

De eerste grief van [verzoekster] ziet op het tekortschieten van [verzoekster] in de zorg van een goede bewindvoerder, of het tekortschieten [verzoekster] ten volle is toe te rekenen en of [verzoekster] hiervoor aansprakelijk is. [verzoekster] geeft aan niet te ontkennen dat de geestelijke gesteldheid en gezondheid van de betrokkene zodanig is dat hij zijn wil niet meer geheel kan bepalen maar volgens haar kon hij dit in 2012 en 2016 nog wel en heeft hij toen aangegeven dat [verzoekster] en hun zoon een auto konden aanschaffen van zijn geld. De betrokkene is in 2012 onder bewind gesteld omdat hij als gevolg van fors cognitief verval door de ziekte van Korsakov niet in staat was zijn wil te bepalen. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier te vinden waaruit geconcludeerd kan worden dat de toestand van de betrokkene sinds 2012 is verbeterd. Vanaf de instelling van het bewind was [verzoekster] , als bewindvoerder, degene die de beslissingen nam over de uitgaven die ten laste van het vermogen van de betrokkene werden gedaan. Voor het maken van grote uitgaven diende zij vooraf toestemming te vragen aan de kantonrechter. Nog daargelaten dat niet blijkt dat de betrokkene toestemming heeft gegeven en in staat was toestemming te geven voor de aanschaf van de auto’s, was de betrokkene niet meer degene bij wie de verantwoordelijkheid lag voor dergelijke beslissingen.

Hoewel [verzoekster] daarnaast aangeeft dat het tekortschieten haar niet ten volle is toe te rekenen omdat ze tot en met 2015 met goedkeuring van de kantonrechter rekening en verantwoording heeft afgelegd, is het hof van oordeel dat de goedkeuring van de kantonrechter [verzoekster] niet ontslaat van haar verantwoordelijkheid, wanneer achteraf blijkt dat zij uitgaven heeft gedaan die in strijd zijn met goed bewindvoerderschap. De controle betreft een marginale controle op basis van de financiële gegevens die de bewindvoerder de kantonrechter verstrekt. Daarbij kan niet worden verwacht dat deze zover gaat dat het een bewindvoerder vrijwaart mocht nadien blijken dat er schadeveroorzakend is gehandeld jegens de betrokkene. Deze grief faalt derhalve.

5.5.

De tweede grief van [verzoekster] ziet op de hoogte van het door [verzoekster] te vergoeden bedrag en de door [verweerster] gemaakte kosten. [verzoekster] heeft betoogd dat op het schadebedrag een bedrag wegens een vergoeding voor bewindvoering en wegens gemaakte kosten in mindering gebracht moet worden. Nog los van het gegeven dat een (gedeelte van het) verzoek om een vergoeding verjaard is, had de kantonrechter [verzoekster] , zoals voorgeschreven in de LOVCK richtlijnen, vooraf toestemming moeten verlenen voor een vergoeding. Een verzoek om een vergoeding met terugwerkende kracht is hierbij niet aan de orde. De overige door [verzoekster] opgevoerde kosten van het bewindvoerderschap zijn door haar niet onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen.

Voor wat betreft de woonkosten van de zoon van [verzoekster] en de betrokkene oordeelt het hof als volgt. Aangezien er een huurovereenkomst was opgemaakt, kan van de zoon van [verzoekster] en de betrokkene verwacht worden dat hij de huur dan ook betaalt. Dat er kosten zijn gemaakt voor onderhoud van de woning wordt door [verzoekster] in zijn geheel niet onderbouwd.

Ter zitting heeft [verweerster] desgevraagd uitgelegd dat de post ‘boodschappen boven € 50,-’ op dit bedrag van € 50,- is gesteld omdat dit een gemiddeld bedrag aan weekgeld is in een situatie als die van de betrokkene. Uit coulance naar [verzoekster] is naar alle bedragen boven dit gemiddelde van € 50,- gekeken en niet naar de kleinere bedragen. Door [verzoekster] is daarnaast ook op dit punt onvoldoende onderbouwd dat (een deel van) de € 3.429,14 aan boodschappen, € 45.000,- aan geldopnames kantoor en € 12.530,- aan opnames met de bankpas aan de betrokkene zijn besteed. Dit is derhalve voor rekening en risico van [verzoekster] .

Over de geldopname van € 45.000,- oordeelt het hof als volgt. Daargelaten de vraag naar de aanvaardbaarheid van het verlagen van het vermogen van de betrokkene met slechts als doel de hoogte van de AWBZ-bijdrage te verlagen, stelt het hof vast dat een deel van dit bedrag

(€ 15.000,-) ten behoeve van de zoon is gebruikt voor de aanschaf van een caravan. Voor zover is gesteld dat de betrokkene hier akkoord voor heeft gegeven en kon geven verwijst het hof naar hetgeen hieromtrent onder 5.4 is aangegeven. Daarnaast is onduidelijk wat er met de rest van de € 45.000,- is gebeurd. Ook dit is voor rekening en risico van [verzoekster] . Ten slotte had het ook op de weg van [verzoekster] gelegen om te onderbouwen dat er rekening dient te worden gehouden met een teruggestort bedrag van € 10.000,-. Er zit weliswaar een rekeningoverzicht tussen de stukken waarop is te zien dat een bedrag van € 10.000,- op de rekening van de betrokkene is gestort door de garage [E] maar het blijft onduidelijk waar dit bedrag op ziet. [verzoekster] heeft ter zitting weliswaar gesteld dat dit bedrag ziet op de inruil van de auto van de zoon maar dit blijkt niet uit de stukken. Daarnaast zou dit betekenen dat deze auto dan in een half jaar € 9.000,- minder waard is geworden, dit acht het hof niet zonder meer aannemelijk. Ook deze grief slaagt derhalve niet.

5.6

Ter zitting heeft mr. Jeuring voor wat betreft de kosten van [verweerster] een nota overgelegd. Uit pragmatische overwegingen zal het hof het dictum van de bestreden beschikking vernietigen en het factuurbedrag toevoegen. De nota ziet er als volgt uit:

€ 1.017,-

ex 21% btw

€ 213,57

____________

Totaal € 1.230,57

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, vanwege pragmatische overwegingen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Het hof zal deze kosten vaststellen op € 1.500,-.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 1 mei 2020 en opnieuw beschikkende:

verklaart voor recht dat [verzoekster] is tekort geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder;

stelt de schade als gevolg van het tekortschietend bewind vast op een bedrag van

€ 130.054,43;

veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan de betrokkene van een (schade)bedrag van € 130.054,43;

veroordeelt [verzoekster] in de door [verweerster] gemaakte kosten ad € 1.230,57 en veroordeelt [verzoekster] tot betaling van die kosten;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 1.500,-;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de betaling van het schadebedrag en de veroordeling in de (proces) kosten uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, M.A.F. Veenstra en M.A.L.M. Willems, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 4 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.