Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:46

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-01-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
Wahv 200.223.837
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht. De officier van justitie heeft de gemachtigde uitgenodigd voor een hoorzitting, terwijl niet was verzocht om te worden gehoord. Kennelijk heeft de officier van justitie dit dus niet aan de gemachtigde willen tegenwerpen. Uiteindelijk heeft de hoorzitting buiten de schuld van de gemachtigde om niet plaatsgevonden. Daarmee is de hoorplicht geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2021/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.223.837/01

CJIB-nummer

: 198959855

Uitspraak d.d.

: 5 januari 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 10 augustus 2017, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 8 oktober 2019 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Op 8 januari 2020 is een standpunt met aanvullende informatie van de advocaat-generaal ontvangen. De gemachtigde heeft hierop gereageerd.

De zaak is behandeld op de zitting van 22 december 2020. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. In het tussenarrest is overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

2. De gemachtigde voert aan dat het standpunt met aanvullende informatie ten behoeve van de zitting van 16 januari 2020 buiten beschouwing moet worden gelaten wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het hof volgt de gemachtigde hierin niet. In procedures als deze geldt niet een bepaling als artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht. De gemachtigde heeft op de aanvullende informatie kunnen reageren, schriftelijk en ter zitting van het hof.

3. De gemachtigde voert tegen de beslissing van de officier van justitie dat de hoorplicht is geschonden.

4. Het hof stelt vast dat de officier van justitie de gemachtigde heeft uitgenodigd om te worden gehoord. Het hof leidt hieruit af dat de officier van justitie de gemachtigde niet tegenwerpt dat niet is verzocht om een hoorzitting. Geen van de andere uitzonderingssituaties van artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht doen zich voor. Uit de beslissing van de officier van justitie blijkt dat de gemachtigde niet is gehoord omdat de drie pogingen die zijn gedaan om te horen geen resultaat hebben gehad. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat driemaal geprobeerd is de gemachtigde telefonisch te horen en dat steeds een boodschap is ingesproken.

5. Het niet reageren door de gemachtigde op ingesproken berichten rechtvaardigt niet het afzien van het houden van een hoorzitting (vgl. het arrest van het hof van 22 augustus 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:7579). Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde parkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 juni 2016 om 16:18 uur op de Bataviastraat in Utrecht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

7. De gemachtigde voert aan dat de ambtenaar niet bevoegd is te handhaven. Handhaven op de verweten gedraging door de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) van het domein Openbare Ruimte is, gelet op de Beleidsregels boa, in het bijzonder bijlage L, slechts toegestaan in relatie tot de openbare orde. Hiervan is niet gebleken en het is ook niet aannemelijk. Handhaven vanwege de verkeersveiligheid door een boa is met betrekking tot de verweten gedraging niet toegestaan. Daarbij komt nog dat blijkens bijlage L van de Beleidsregels boa een boa slechts verbaliserend mag optreden indien op de gemaakte foto’s het betreffende verkeersbord ook duidelijk is weergegeven. Daarvan is niet gebleken.

8. Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd voor overtreding van artikel 26 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Gelet op artikel 6.4, onderdeel 16, van de Beleidsregels boa is een boa Openbare Ruimte bevoegd te handhaven op overtreding hiervan. De eis van relatie tot de openbare orde geldt hiervoor niet. Deze eis geldt slechts voor handhaving op de negatie van C-borden. Daarvan is geen sprake. Ook de genoemde eisen uit Bijlage L van de Beleidsregels boa gelden hiervoor niet. Deze gelden alleen voor handhaving met flitspalen. Ook daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Deze bezwaren treffen geen doel.

9. De gemachtigde voert verder aan dat van parkeren in de zin van het RVV 1990 geen sprake was. Er werd slechts zeer korte tijd stilgestaan teneinde zware en omvangrijke goederen te laden en te lossen. Van een ambtsedige verklaring is geen sprake. Er moet ernstig worden getwijfel aan hetgeen in het zaakoverzicht is opgenomen. De betrokkene is geen man, maar een vrouw. Anders dan de ambtenaar meent, is de betrokkene niet eerder aangesproken. Ook zijn geen briefjes op de auto aangetroffen. De ambtenaar vergist zich kennelijk. De gemachtigde voert ook aan dat de bebording zodanig geplaatst was dat onvoldoende duidelijk was op welke exacte plek het bord betrekking heeft. De gemachtigde verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 27 januari 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:591). De kruisingen op het wegdek zijn daartoe ook niet voldoende nu dit geen verkeersteken als bedoeld in het RVV 1990 is.

10. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Een ambtsedige verklaring is niet vereist. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Persoon parkeert met regelmaat op een invalidenparkeerplaats. Eigenaar is al meerdere keren met briefje op auto aangeduid dat dit niet mag. Hij is ook aangesproken door mevrouw zelf. De plek hoort bij nummerbord 41-XR-HF. Eigenaresse woont op Bataviastraat 78.” Deze gegevens zijn ook opgenomen in een ambtsedig proces-verbaal van 17 november 2016.

12. Het dossier bevat verder een vijftal foto’s van de gedraging. Hierop is te zien dat het voertuig met kenteken [00-YY-YY] deels in een parkeervak voorzien van een wit kruis aan de rechterzijde van de weg staat en deels in een ander parkeervak. Ter hoogte van het begin van het parkeervak met het witte kruis, haaks op de wegas, staat op het trottoir een bord E6 (gehandicaptenparkeerplaats) met onderbord [YY-00-YY] .

13. Dat de verklaring van de ambtenaar met betrekking tot het al dan niet waarschuwen van de betrokkene (mogelijk) niet (geheel) juist is, brengt niet mee dat er reden is te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op een invalidenparkeerplaats. Dat geen sprake was van parkeren, maar van het laden en lossen van omvangrijke goederen is niet aannemelijk geworden. De enkele, niet onderbouwde stelling, van de gemachtigde is hiervoor onvoldoende. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat volgens de gemachtigde zowel gelost als geladen zou zijn, hetgeen minder voor de hand ligt.

14. Naar het oordeel van het hof is de gehandicaptenparkeerplaats in dit geval voldoende duidelijk aangegeven. Het bord E6 stond ter hoogte van het begin van het betreffende parkeervak, zodat het bord slechts op dit vak betrekking kon hebben. Verder was er, ten overvloede, een wit kruis op het wegdek aangebracht om de gehandicaptenparkeerplaats aan te geven. Dit betreft een andere situatie dan in het arrest van het hof van 27 januari 2017 waar de gemachtigde naar verwijst.

15. Gelet op het voorgaande treffen de bezwaren van de gemachtigde geen doel. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

16. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.