Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4588

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.263.500/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rijden door rood. De apparatuur registreerde dat het voertuig de stopstreek met 67 km/u passeerde. Daarom is niet aannemelijk dat het voertuig nog voor het verkeerslicht is gestopt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.263.500/01

CJIB-nummer

: 221963313

Uitspraak d.d.

: 11 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 11 juli 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 december 2018 om 18:23 uur op de N337 IJsselallee in Zwolle met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de ambtenaar niet ter plaatse aanwezig was, zodat zijn conclusie geen grondslag vindt in de gemaakte foto’s die door de roodlichtapparatuur zijn gemaakt. Nu de ambtenaar enkel de foto’s tot zijn beschikking heeft en geen eigen waarneming heeft gedaan, is het des te meer van belang dat de roodlicht(flits) apparatuur dusdanig is ingesteld dat op de foto’s onomstotelijk is vastgelegd dat het verkeerslicht is gepasseerd op het moment waarop dit rood licht uitstraalde. Daarbij komt dat de foto’s veel te donker zijn om hieraan enige conclusies te verbinden. Hierdoor is niet vast te stellen welke feitcode, het niet stoppen voor rood licht of de stopstreep, van toepassing is. De betrokkene is hierdoor in haar verdedigingsbelangen geschaad.

3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto’s vastgelegd.

Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 1,2 seconden.

Foto 2: circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden.
(…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd met een goedgekeurd snelheidsmeetmiddel bestaande uit een lusdetector in combinatie met een flitspaal.”

5. Het dossier bevat twee foto’s van de gedraging. De foto’s zijn erg donker. Door de advocaat-generaal zijn in hoger beroep foto’s overgelegd, die iets duidelijker zijn en waarop de uitvergroting van het kenteken voldoende leesbaar is. Op beide foto's is te zien dat het bovenste verkeerslicht rood uitstraalt. Het is een feit van algemene bekendheid dat van een driekleurig verkeerslicht het bovenste licht het rode licht betreft. Uit de gegevens in de databalk onder de foto’s blijkt dat het verkeerslicht 1,23 seconden rood licht uitstraalde op het moment waarop de eerste foto werd genomen en 2,03 seconden op het moment waarop de tweede foto is genomen. De snelheid van het voertuig op het moment waarop het voertuig de stopstreep passeerde was 67 km/h.

6. De advocaat-generaal wijst erop dat - hetgeen het hof ambtshalve bekend is - de lusdetector door inductielussen in het wegdek wordt geactiveerd wanneer een voertuig bij rood licht de stopstreep passeert. Hiermee is aangetoond dat het voertuig op de eerste foto de stopstreep al is gepasseerd. Verder stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat uit de positie van diverse objecten op de tweede foto valt af te leiden dat de betrokkene de rood uitstralende verkeerslichten is gepasseerd. Daartoe zijn foto's van het betreffende kruispunt overgelegd bij daglicht, waarop die herkenningspunten te zien zijn.

7. Uit het samenstel van de foto’s en de daarbij behorende gegevens volgt dat het voertuig van de betrokkene het verkeerslicht is gepasseerd, terwijl het rood licht uitstraalde. Gelet op de gereden snelheid en de afstand van de stopstreep tot het verkeerslicht, acht het hof het niet aannemelijk dat de betrokkene voor het verkeerslicht is gestopt. Op basis hiervan en van hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.