Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4579

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.261.444/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Een onopvallende controle in het belang van effectieve handhaving is toegestaan. Voor een staandehouding van de scooterrijder was geen reële mogelijkheid, omdat de ambtenaar te voet was en in burger gekleed. Gegeven die situatie mocht de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.261.444/01

CJIB-nummer

: 214950325

Uitspraak d.d.

: 11 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 17 april 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat in de beslissing van de officier van justitie doorslaggevende betekenis is toegekend aan een ambtsedige verklaring terwijl een dergelijke verklaring niet in het dossier zit. Er is daarom sprake van een ondeugdelijke motivering. De kantonrechter heeft dit miskend.

2. Ingevolge artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient de beslissing op het beroep te berusten op een deugdelijke motivering.

3. De beslissing van de officier van justitie is – onder meer - als volgt gemotiveerd:

“De officier van justitie kent doorslaggevende betekenis toe aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant.’’

4. Het hof stelt vast dat slechts het zaakoverzicht ten tijde van de beslissing van de officier van justitie een verklaring van de ambtenaar bevatte. Die verklaring is echter niet op ambtseed afgelegd. Uit de beslissing van de officier van justitie blijkt derhalve ten onrechte dat de verklaring waaraan doorslaggevende betekenis is toegekend op ambtseed is afgelegd. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de bestreden beslissing. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een ambtenaar ten grondslag ligt. Het enkele ontbreken van een fysiek (ondertekend) proces-verbaal betekent niet dat de sanctie niet in stand kan blijven en het rechtvaardigt ook geenszins de conclusie dat er getwijfeld moet worden aan de gegevens in het zaakoverzicht. De gedraging kan dan ook worden vastgesteld op basis van de gegevens in het zaakoverzicht. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat de betrokkene door het motiveringsgebrek is benadeeld. Het hof zal daarom de beslissing van de officier van justitie - met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht – in stand laten.

5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Als (snor)fietser bij ontbreken (verpl.) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijv. rijden op trottoir, voetpad)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 maart 2018 om 16:33 uur op de Lange Tiendeweg in Gouda met het voertuig met het kenteken [Y-000-YY] .

6. De gemachtigde betwist namens de betrokkene de gedraging. Verder stelt de gemachtigde dat de ambtenaar in veel zaken buiten diensttijd en zonder staandehouding sancties heeft opgelegd. Hierover verklaart de ambtenaar steeds dat hij in burger was en geen stopmiddelen voorhanden had. Gelet op het aantal zaken waarin deze kwestie zich voordoet is er sprake van doelbewust handelen. Artikel 5 van de Wahv voorziet echter niet in de mogelijkheid om bewust in burgerkleding op pad te gaan om geen staandehouding te hoeven verrichten.

7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik zag dat betrokkene met het voertuig reed in een middels zonebord G7 RVV 1990 aangeduid voetgangersgebied. Dit bord was voorzien van een onderbord. Volgens de tekst/symbolen op het onderbord zijn van voornoemd gebod uitgezonderd: fietsen buiten winkelopeningstijden toegestaan. De uitzondering(en) genoemd op het (onder)bord was (waren) niet van toepassing. (…) Reden geen staandehouding: verbalisant was te voet en in burgerkleding gekleed. Derhalve was een staandehouding niet mogelijk. ”

9. Het dossier bevat ook een proces-verbaal van bevindingen waarin de ambtenaar onder meer verklaart:

‘’Verder kan ik verklaren dat ik, indien mogelijk, altijd een staandehouding zal doen. Ik heb geen overzicht paraat van het aantal mini processen-verbaal dat ik zonder en met staandehouding heb uitgeschreven, maar ik weet dat ik te allen tijde staande houd wanneer ik daartoe gelegenheid heb. Echter weet ik ook dat wanneer wij de controle opvallend, dat wil zeggen in herkenbare politiekleding en/of in een herkenbare politievoertuig uitvoeren, dat de bestuurders ons dan zien staan of rijden en dan afstappen bij het begin van de geslotenverklaring. Wij horen dan ook van burgers en van de collega’s van cameratoezicht van de gemeente Gouda dat de bestuurders weer de geslotenverklaring negeren nadat wij vertrekken van die locatie. Daarop hebben wij ook controles uitgevoerd op de bike om meer mobiel te zijn dan met een auto, echter ook dan zien wij dat wanneer de bestuurders elkaar klaarblijkelijk waarschuwen er die dienst geen bonnen meer worden geschreven. Door de controles nu op diverse tijdstippen, opvallend en onopvallend, uit te voeren proberen wij een signaal af te geven naar de ondernemers dat het verkeersgedrag van hun medewerkers aanleiding geeft tot ons handhavend optreden. Daarbij ondermijnd het, het gezag van de politie wanneer we het bij waarschuwende gesprekken laten en niet na deze gesprekken ook gaan verbaliseren. Ook kan het zijn dat wij voor andere taken onopvallend ons werk doen in de stad, per fiets of lopend, waarbij we dan een gedraging constateren maar dus niet in de gelegenheid zijn de bestuurder staande te houden aangezien deze zich per bromfiets altijd sneller verplaatst dan wij dat per fiets kunnen.’’

10. Het hof ziet in dat wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in het dossier. De enkele ontkenning van de gedraging, is daarvoor onvoldoende. Gelet op de stukken in het dossier staat vast dat de gedraging is verricht.

11. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

12. In het proces-verbaal verklaart de ambtenaar dat uit handhavingsoogpunt kan worden gekozen voor onopvallende controles. Naar het oordeel van het hof staat geen rechtsregel in de weg om in het belang van de effectiviteit van handhaving te kiezen voor controles in burger. Daarbij is het steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de sancties bij die controles aan de kentekenhouder kunnen worden opgelegd.

13. De ambtenaar heeft verklaard dat hij te voet was en in burger. Die verklaring houdt genoegzaam in dat zich geen reële mogelijkheid heeft voorgedaan tot staandehouding van de bestuurder die op een bromfiets reed. In dit geval mocht de ambtenaar dan ook volstaan met het bekeuren op kenteken. Verder kan uit het gegeven dat in andere zaken ook sancties aan de kentekenhouders zijn opgelegd niet worden afgeleid dat in de onderhavige zaak in burger is gesurveilleerd om staandehouding te vermijden. Het verweer van de gemachtigde faalt.

14. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal bevestigen.

15. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336)

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.