Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4572

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.257.311/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 WVW 1994. Voertuig zo parkeren dat stadsbussen niet kunnen passeren, is voldoende grond voor oplegging van sanctie voor veroorzaken van verkeershinder. Dat ook een (lagere) sanctie kon worden opgelegd voor het negeren van een stopverbod, maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.257.311/01

CJIB-nummer

: 210871138

Uitspraak d.d.

: 11 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer kan/wordt gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 september 2017 om 20:20 uur op de Conradstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de ambtenaar ten onrechte een sanctie heeft opgelegd voor het veroorzaken van gevaar/hinder (artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna WVW 1994). De ambtenaar heeft verklaard dat de betrokkene geparkeerd stond in een gebied waar bord E2 (verbod tot stilstaan) van kracht is. Voor de specifieke gedraging ‘verbod tot stilstaan’ is een speciale feitcode opgenomen. Het stond de ambtenaar dan ook niet vrij om te schrijven voor de algemene bepaling van artikel 5 WVW 1994, waarop een hogere sanctie is bepaald. Bovendien is in de gedraging ‘verbod tot stilstaan’ reeds het (mogelijk) veroorzaken van hinder verdisconteerd.

3. De onder 1. vermelde gedraging is een overtreding van artikel 5 van de WVW 1994:

''Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.''

4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik zag dat het voornoemde voertuig geparkeerd stond, waardoor het verkeer wordt gehinderd. Ik zag namelijk dat de rijbaan geblokkeerd werd en de lijnbussen geen vrije baan hadden. De bestuurder had zijn motorvoertuig achtergelaten in het stilstaan verbod bord E2.”

6. In een aanvullend proces-verbaal van 9 januari 2018 verklaart de ambtenaar – voor zover hier relevant – het volgende:
“Ik zag daar een motorvoertuig, merk Volkswagen, zwart van kleur met het kenteken [YY-YY-00] geparkeerd staan. Ik zag dat het voornoemde voertuig, geparkeerd stond op een plaats waar ook een verbod tot stilstaan, middels bord E2, van kracht is (…). Ik zag dat de alarmlichten van het voertuig aan stonden, ik zag dat er geen bestuurder of andere personen zich bij of in het voertuig bevonden. Ik zag dat de van de halte plaats vertrekkende stadsbussen door het voorgenoemde voertuig gehinderd werden en hierdoor moesten stilstaan.”

7. Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene in de onderhavige zaak hinder veroorzaakt. De van de halteplaats vertrekkende stadsbussen moesten stilstaan door de wijze waarop het voertuig van de betrokkene stilstond. Niet valt in de zien waarom het de ambtenaar in deze situatie niet vrijstond om een sanctie op te leggen op grond van artikel 5 WVW 1994. Niet alle geconstateerde hinder kan geacht worden verdisconteerd te zijn in één (van de) gedraging(en) met een specifieke feitcode en voorts kan niet worden geoordeeld dat de betrokkene in zijn belangen is geschaad doordat de ambtenaar de onderhavige sanctie heeft opgelegd in plaats van een sanctie voor de specifieke feitcode.

8. Voorgaande leidt tot de conclusie dat de bezwaren van de gemachtigde geen doel treffen. De beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd.

9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.