Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4519

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
21-003298-20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2020:3808
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van gekwalificeerde doodslag, diefstal in vereniging met geweld met de dood als gevolg en diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel. Hij krijgt 18 jaren gevangenisstraf en TBS met verpleging van overheidswege opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0413
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003298-20

Uitspraak d.d.: 11 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 9 september 2020 met parketnummer

16-105179-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

thans ingeschreven en verblijvende in P.I. [instantie]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het onder 1A primair, 1B en 2 tenlastegelegde en oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest en een ongemaximeerde terbeschikkingstelling (hierna ook: TBS) met verpleging van overheidswege. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd om de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] en [naam benadeelde partij 3] deels toe te wijzen en voor het overige de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de toegewezen delen van de schadevergoedingen telkens gevorderd om deze te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde partij 4] en [naam benadeelde partij 5] heeft de advocaat-generaal gevorderd om deze vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. J.J. Lieftink, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft het onder 1A primair, 1B en 2 tenlastegelegde bewezen verklaard en heeft aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren opgelegd met aftrek van voorarrest en een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van de vijf benadeelde partijen. Deze vorderingen zijn voor zover toegewezen hoofdelijk toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente. Ook zijn schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

Het hof kan zich in veel van de overige beslissingen en motiveringen van de rechtbank vinden. Het hof heeft daarom in zijn overwegingen in dit arrest zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de overwegingen van de rechtbank.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1A primair

hij in of omstreeks de periode van 19 april 2019 tot en met 22 april 2019 te [plaatsnaam 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door

- eenmaal of meermalen die [slachtoffer] (telkens) één of meerdere (toxische) middelen (te weten seroquel en/of oxicodon en/of diclofinac), althans een of meer voor het leven en/of de gezondheid benadelende stof(fen), toe te dienen en/of

- zijn, verdachtes, arm in een zogenaamde wurggreep/nekklem om de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] te brengen en/of aldus (gedurende enige tijd) druk uit te oefenen op de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) eenmaal of meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of

- ( vervolgens) een kussen, gedurende enige tijd, tegen/op het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te drukken en/of aldus voornoemde [slachtoffer] de mogelijkheid te ontnemen te ademen en/of

- ( vervolgens) de keel en/of de hals van voornoemde [slachtoffer] (met de hand(en) en/of een lint, althans een dergelijk voorwerp) dicht te knijpen en/of samen te drukken en/of dicht te drukken en/of de keel en/of de hals van voornoemde [slachtoffer] (met de hand(en) en/of een lint, althans een dergelijk voorwerp) dichtgeknepen en/of samengedrukt en/of dichtgedrukt te houden en/of

- één of meer (andere) geweldshandeling(en),

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

1A subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 19 april 2019 tot en met 22 april 2019 te [plaatsnaam 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- eenmaal of meermalen die [slachtoffer] (telkens) één of meerdere (toxische) middelen (te weten seroquel en/of oxicodon en/of diclofinac), althans een of meer voor het leven en/of de gezondheid benadelende stof(fen), toe te dienen en/of

- zijn, verdachtes, arm in een zogenaamde wurggreep/nekklem om de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] te brengen en/of aldus (gedurende enige tijd) druk uit te oefenen op de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) eenmaal of meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of

- ( vervolgens) een kussen, gedurende enige tijd, tegen/op het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te drukken en/of aldus voornoemde [slachtoffer] de mogelijkheid te ontnemen te ademen en/of

- ( vervolgens) de keel en/of de hals van voornoemde [slachtoffer] (met de hand(en) en/of een lint, althans een dergelijk voorwerp) dicht te knijpen en/of samen te drukken en/of dicht te drukken en/of de keel en/of de hals van voornoemde [slachtoffer] (met de hand(en) en/of een lint, althans een dergelijk voorwerp) dichtgeknepen en/of samengedrukt en/of dichtgedrukt te houden en/of

- één of meer (andere) geweldshandeling(en),

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld en/of diefstal door middel van een valse sleutel, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

1A meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 19 april 2019 tot en met 22 april 2019 te [plaatsnaam 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- eenmaal of meermalen die [slachtoffer] (telkens) één of meerdere (toxische) middelen (te weten seroquel en/of oxicodon en/of diclofinac), althans een of meer voor het leven en/of de gezondheid benadelende stof(fen), toe te dienen en/of

- zijn, verdachtes, arm in een zogenaamde wurggreep/nekklem om de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] te brengen en/of aldus (gedurende enige tijd) druk uit te oefenen op de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) eenmaal of meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of

- ( vervolgens) een kussen, gedurende enige tijd, tegen/op het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te drukken en/of aldus voornoemde [slachtoffer] de mogelijkheid te ontnemen te ademen en/of

- ( vervolgens) de keel en/of de hals van voornoemde [slachtoffer] (met de hand(en) en/of een lint, althans een dergelijk voorwerp) dicht te knijpen en/of samen te drukken en/of dicht te drukken en/of de keel en/of de hals van voornoemde [slachtoffer] (met de hand(en) en/of een lint, althans een dergelijk voorwerp) dichtgeknepen en/of samengedrukt en/of dichtgedrukt te houden en/of

- één of meer (andere) geweldshandeling(en),

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

1B.

hij in of omstreeks de periode van 19 april 2019 tot en met 22 april 2019 te [plaatsnaam 1] , althans in het arrondissementMidden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ketting en/of een laptop en/of een mobiele telefoon (merk Samsung S7) en/of een horloge en/of een bankpas (ING t.n.v. [slachtoffer] ) en/of een kentekenbewijs (t.n.v. [slachtoffer] ) en/of een druppel en/of één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed en/of geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het opzettelijk

- eenmaal of meermalen aan die [slachtoffer] (telkens) één of meerdere (toxische) middelen (te weten seroquel en/of oxicodon en/of diclofinac), althans een of meer voor het leven en/of de gezondheid benadelende stof(fen), toe te dienen en/of

- brengen van zijn arm, om de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] in een zogenaamde wurggreep/nekklem en/of aldus (gedurende enige tijd) uitoefenen van druk op de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) eenmaal of meermalen (met kracht) slaan en/of stompen op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) (gedurende enige tijd) drukken van een kussen tegen/op het gezicht van voornoemde [slachtoffer] en/of aldus voornoemde [slachtoffer] de mogelijkheid ontnemen te ademen en/of

- ( vervolgens)(met de hand(en) en/of een lint, althans een dergelijk voorwerp) dichtknijpen en/of samendrukken en/of dichtdrukken van de keel van voornoemde [slachtoffer] en/of

- ( met de hand(en) en/of een lint, althans een dergelijk voorwerp) dicht geknepen en/of samen gedrukt en/of dicht gedrukt houden van de keel van voornoemde [slachtoffer] en/of

- uitvoeren van één of meer (andere) geweldshandeling(en),

tengevolge van welk bovenomschreven feit voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2.
hij in of omstreeks de periode van 19 april 2019 tot en met 25 april 2019 te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] , althans in het arrondissement Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] en/of de erven van die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, (telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het (onbevoegd) gebruik maken van een betaalpas en/of pincode (van basisrekeningnummer [rekeningnummer] ) op naam van die [slachtoffer] , in elk geval door middel van een valse sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet is/zijn/was/waren gerechtigd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van feiten 1A en 1B

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd om het onder 1A primair tenlastegelegde medeplegen van moord bewezen te verklaren. Verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte] hebben voorafgaand en na afloop van de dood van [slachtoffer] planmatig gehandeld. Uit de feitelijke omstandigheden die volgen uit het dossier, de omstandigheden waaronder het feit is begaan alsmede de gedragingen van verdachte voor, tijdens en na het begaan kan de voorbedachte raad op de dood van [slachtoffer] worden vastgesteld. Er lag een plan om [slachtoffer] zoveel mogelijk geld afhandig te maken en om hem om te brengen. Van een onmiddellijke gemoedsopwelling was geen sprake.

Ook de onder 1B tenlastegelegde diefstal in vereniging met geweld, de dood ten gevolge hebbende en de onder 2 tenlastegelegde diefstal in vereniging met valse sleutels dient bewezen te worden verklaard.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is ter zitting van het hof betoogd, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1A primair tenlastegelegde medeplegen van moord omdat er geen sprake is van voorbedachte raad. Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1A subsidiair tenlastegelegde medeplegen van gekwalificeerde doodslag omdat de doodslag niet is gepleegd met het oogmerk de diefstal te vergemakkelijken of te begunstigen. Wel kan het onder 1A meer subsidiair tenlastegelegde medeplegen van doodslag bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van het onder 1B ten laste gelegde medeplegen van diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbende dient verdachte te worden vrijgesproken van het onderdeel geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. Wel kan het medeplegen van diefstal bewezen worden verklaard. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde medeplegen van diefstal met een valse sleutel kan ook een bewezenverklaring volgen.

Overwegingen hof

Het hof stelt het volgende vast.1

Aantreffen lichaam

Naar aanleiding van een melding van [naam getuige] wordt op 28 april 2019 in zijn woning aan [adres] te [plaatsnaam 1] het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen.2

Getuige [naam getuige] verklaart dat hij de dag ervoor (het hof begrijpt: op 27 april 2019) van [naam medeverdachte] een WhatssApp bericht had ontvangen waarin stond: “Broer ik heb een zeer ernstig probleem. Ik heb advies van jou nodig. Kan ik naar jou toekomen.” Toen [naam getuige] hem belde zei [naam medeverdachte] : “Er ligt een dooie kip in het kippenhok en die ligt er nog steeds” en “die vriend is dood”. Voor het weekend van Pasen had [naam medeverdachte] [naam getuige] om geld gevraagd. Een uur later had hij van [naam medeverdachte] een mail gekregen dat hij het geld niet meer nodig had en al iets anders geregeld had.3

Doodsoorzaak

De conclusie van het definitieve sectierapport luidt dat zowel de bij [slachtoffer] vastgestelde ziekelijke hartafwijkingen als (samendrukkend en/of stomp botsend) geweld op de hals, al of niet in combinatie, het overlijden verklaren.4

Er is toxicologisch onderzoek gedaan. Daarbij wordt in het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ethanol (alcohol), opioïden (oxycodon) en antipsychotica (quetiapine) aangetroffen. Er zijn aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van diclofenac. De combinatie kan elkaars dempende werking hebben versterkt en hebben geleid tot verminderde weerbaarheid. Het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer] was ten tijde van het overlijden beïnvloed door de aanwezige ethanol, qxycodon en quetiapine. De mate van de effecten is afhankelijk van de gewenning. Een eventuele bijdrage van ethanol, oxycodon en quetiapine aan het overlijden van [slachtoffer] kan niet geheel worden uitgesloten. 5

Onderzoek drinkglazen

In de woning van [slachtoffer] worden twee drinkglazen aangetroffen. Deze zijn onderzocht. In de vloeistof uit het glas dat op de wasbak stond6, is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van quetiapine. In de vloeistof uit het glas dat op de salontafel stond7, is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van diclofenac.8

Uit de bemonstering van de drinkrand op beide glazen is het DNA profiel verkregen van een man. Dit DNA kan afkomstig zijn van [slachtoffer] . De matchkans van het DNA profiel is kleiner dan één op één miljard.9

Op het glas dat op de salontafel stond worden drie vingerafdrukken van verdachte gevonden.10

Camerabeelden Rode Klif

Uit camerabeelden van het appartementencomplex aan [adres] van zaterdag 20 april 2019 blijkt dat verdachte en [naam medeverdachte] met de hond van verdachte om 20:09 uur bij de ingang van de flat komen. Om 20:42 uur en 20:50 uur verlaat verdachte met de hond de flat. Beide keren komt hij enkele minuten later weer terug in de flat. Om 23:41 uur verlaten verdachte en [naam medeverdachte] gezamenlijk de flat. De hond is er niet bij.11 Uit de beelden van zondag 21 april 2019 blijkt dat verdachte en [naam medeverdachte] om 00:05 uur de flat weer binnenkomen. Om 02:34 uur verlaten verdachte en [naam medeverdachte] met de hond de flat. Verdachte draagt een rugzak en een veelkleurige plastic tas.12

Voor zowel 20 april 2019 als 21 april 2019 geldt dat de tijdstippen van de video-opnamen met vijftien minuten moeten worden gecorrigeerd, in die zin dat er steeds vijftien minuten van de weergegeven tijd moet worden afgetrokken.13

Bankmutaties

Op 19 april 2019 om 19:04 uur wordt € 30,- overgeboekt van de bankrekening van [slachtoffer] naar de bankrekening van verdachte met als omschrijving ‘diezel’. Diezelfde dag om 21:16 uur wordt door middel van een betaalverzoek van de bankrekening van [naam medeverdachte] € 10,- overgeboekt naar de rekening van verdachte met als omschrijving ‘cadeau’.14

Op 20 april 2019 wordt om 00:05 uur € 80,- overgeboekt van de rekening van [slachtoffer] naar de rekening van verdachte met als omschrijving ‘auto’. Om 00:20 uur wordt € 80,- opgenomen van de rekening van verdachte bij een geldautomaat in [plaatsnaam 1] . Om 00:41 uur wordt € 150,- overgeboekt naar de rekening van verdachte met als omschrijving ‘auto’. Om 00:56 uur wordt € 150,- opgenomen van de rekening van verdachte bij een geldautomaat in [plaatsnaam 1] . Om 17:43 uur wordt van de rekening van [slachtoffer] € 350,- overgeboekt naar de rekening van verdachte met als omschrijving ‘slepen’. Om 17:58 uur wordt bij een geldautomaat te [plaatsnaam 1] € 300,- opgenomen van de rekening van verdachte. Om 21:36 uur wordt € 500,- overgeboekt vanaf de rekening van [slachtoffer] naar de rekening van verdachte met als omschrijving ‘auto.’ Om 21:52 uur wordt bij een geldautomaat te [plaatsnaam 1] € 470,- opgenomen van de rekening van verdachte.15

Op 21 april 2019 om 00:17 uur wordt € 5.000,- overgeboekt van de rekening van [slachtoffer] naar de rekening van verdachte met als omschrijving ‘bijdrage’. Diezelfde nacht om 03:03 uur wordt € 1.000,- opgenomen van de rekening van verdachte. Vervolgens worden vanaf de rekening van verdachte bedragen van € 20,-, € 265,- en € 40,- gepind bij Esso, [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . Om 16:36 uur en 16:41 uur worden bedragen van € 740,- en € 700,- door middel van een betalingsverzoek overgemaakt van de rekening van verdachte naar de rekening van [naam medeverdachte] . Daarna wordt van de rekening van [naam medeverdachte] € 227,95 en € 359,30 gepind bij de Boni in [plaatsnaam 1] . Om 18:30 uur en vlak daarna om 18:36 uur wordt van de rekening van [naam medeverdachte] respectievelijk € 850,- en € 80,- opgenomen bij een geldautomaat. Om 18:36 uur wordt van de rekening van verdachte € 750,- overgemaakt naar de rekening van [naam medeverdachte] . Om 19:13 uur wordt van de rekening van [naam medeverdachte]

€ 200,- opgenomen bij een geldautomaat. Van de rekening van [naam medeverdachte] wordt daarna

€ 105,69 en € 102,32 gepind bij de Jumbo en € 210,- bij [naam bedrijf 2] .16

Op 22 april 2019 wordt van 07:34 uur tot 07:37 uur van de rekening van verdachte viermaal een bedrag van € 250,- opgenomen bij een geldautomaat. Om 15:47 uur wordt van de rekening van [slachtoffer] € 300,- overgeboekt naar de rekening van verdachte. Om 17:00 uur wordt door middel van een online betaalverzoek € 300,- overgeboekt van de rekening van verdachte naar de rekening van [naam medeverdachte] . Om 17:01 uur wordt € 120,- opgenomen van de rekening van [naam medeverdachte] bij een geldautomaat. Daarna wordt van de rekening van [naam medeverdachte] € 8,59, € 20,- en € 156,40 gepind bij de Albert Heijn en de Jumbo.17

Op 23 april 2019 om 10:58 uur wordt € 1.492,- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar de rekening van verdachte. Daarna wordt € 400,- en € 300,- overgeboekt naar de spaarrekening van verdachte en € 300,- naar de rekening van [naam 1] (toevoeging hof: de toenmalige echtgenote van verdachte). Om 11:16 uur wordt € 1.000,- opgenomen van de rekening van verdachte bij een geldautomaat. Ook worden die dag bedragen van € 23,63 en € 45,- gepind bij de Lidl en [naam bedrijf 1] van de rekening van verdachte.18

Op 24 april 2019 wordt om 08:44 uur € 80,- overgeboekt van de rekening van [slachtoffer] naar de rekening van verdachte.19

Op 25 april 2019 om 08:08 uur wordt € 60,- overgeboekt van de rekening van [slachtoffer] naar de rekening van verdachte. Die dag om 19:28 uur wordt € 80,- gepind bij [naam bedrijf 3] te [plaatsnaam 2] van de rekening van verdachte. 20

Op grond van voorgaande vat het hof samen dat in de periode van 19 april 2019 tot 25 april 2019 een bedrag van in totaal € 8.042,- is overgeboekt van de rekening van [slachtoffer] naar de rekening van verdachte. Van het bedrag van € 8.042,- is een bedrag van € 2.490,- van de rekening van verdachte overgeboekt naar de rekening van [naam medeverdachte] . Van de € 8.042,- bleef € 5.552,- op de rekening van verdachte. Dit bedrag is in de genoemde periode afgeschreven van de rekening.

Het saldo op de rekening van verdachte bedroeg direct voor 19 april 2019 minus € 5,76. Op 29 april 2019 bedroeg het saldo € 4,64.21

Het totaalbedrag van € 2.490,- dat van de rekening van verdachte werd overgemaakt naar de rekening van [naam medeverdachte] werd in alle gevallen overgemaakt door middel van een betaalverzoek, gericht aan de rekeninghouder/verdachte. Van de rekening van [naam medeverdachte] werd vervolgens in deze periode € 2.440,25 afgeschreven, waarvan € 1.250,- contant werd opgenomen.22

Onder verdachten inbeslaggenomen goederen

Tijdens een doorzoeking op 29 april 2019 in de woning van [naam medeverdachte] wordt op de eettafel een ING bankpas en een kentekenbewijs aangetroffen, beide op naam van [slachtoffer] . Ook worden een gouden ketting, een laptop en elf biljetten van € 50,- inbeslaggenomen. Op de eettafel ligt een sleutelbos met daaraan een druppel (het hof begrijpt: een elektronische sleutel).23 Deze blijkt te passen op de toegangsdeur van de woning van [slachtoffer] .24 Ook de gouden ketting blijkt afkomstig van [slachtoffer] .25 Onderzoek aan de laptop wijst uit dat er eerder een gebruikersaccount van [slachtoffer] op heeft gestaan en dat er op 21 april 2019 en 23 april 2019 gebruikersaccounts ‘ [naam 2] ’ op zijn aangemaakt.26 Daarnaast worden er diverse medicijnen inbeslaggenomen waaronder gebruikte strips diclofenac, quetiapine en oxycodon en doosjes diclofenac en quetiapine op naam van [naam medeverdachte] . Deze strips en doosjes worden aangetroffen in een keukenkastje.27

In de Opel Astra cabriolet van verdachte wordt op 2 mei 2019 een telefoon van het merk Samsung aangetroffen28 met daarin de simkaart van [slachtoffer] .29 Ook treft de politie in deze auto een sleutelbos aan. Eén van de sleutels past op de helmkoffer op de scooter van [slachtoffer] .30 Onder verdachte worden een horloge31 en meerdere verpakkingen met medicijnen inbeslaggenomen, waaronder quetiapine.32 Onder de toenmalige echtgenote van verdachte wordt een geldbedrag van € 530,- inbeslaggenomen.33

Gesprekken voice recorder

Op de onder [naam medeverdachte] inbeslaggenomen telefoon wordt een voice recorder aangetroffen, waarmee gevoerde gesprekken zijn opgenomen en opgeslagen.

Op 20 april 2019 om 17.15.59 uur wordt een gesprek gevoerd tussen [naam medeverdachte] , [verdachte] (verdachte) en [slachtoffer] , die door [naam medeverdachte] ‘ouwe’ wordt genoemd en waarvan het hof begrijpt dat dit [slachtoffer] is:

[verdachte] : mijn auto is weg ouwe. (…) Weet je wat ermee aan de hand was, ik heb er met mijn slaperige kop benzine ingegooid in plaats van diesel. Dus hij deed niks meer. (…)

[naam medeverdachte] op de achtergrond: ouwe hij is hierheen komen lopen hè.

[verdachte] : ik ben komen lopen hè. (…)

[slachtoffer] : maar ja, als je hem weg wilt laten slepen.

[verdachte] : ja… kost 350 euro. (…)

[verdachte] : hij is wel een beetje te duur om daar te laten staan, daar geef ik jou wel gelijk in. Er zitten dure velgen onder. Dus ja… hoe gaan we… hoe ga ik dit dus oplossen? (…)

[slachtoffer] : of dat de politie hem wegsleept.

[verdachte] : dan ben ik 1500 tot 2000 euro kwijt. Dus dan kan ik beter een betaalverzoekje doen. Dan bel ik eerst die garage even. Dan laat ik het je zo weten. 34

Op 20 april 2019 om 17.37.25 uur belt [verdachte] met [slachtoffer] , het hof begrijpt: [slachtoffer] . [verdachte] zegt dat de auto naar de ANWB toe kan. De kosten zijn 350 euro.

[verdachte] : kan ik een betaalverzoek naar jou sturen?

[slachtoffer] : je bent een dure kleinzoon.

[verdachte] : ja maar je krijgt alles dinsdag terug.

[slachtoffer] : doe dan maar. 35

Op 22 april 2019 om 12.53.14 uur belt [naam medeverdachte] met [verdachte] :

[verdachte] : ja ik heb mijn vrouwtje 500 gegeven, van die scooter.

[naam medeverdachte] : dat hadden we afgesproken toch, gister?

[verdachte] : ja dat heb ik ook gezegd, dat ze dat van jou heeft gekregen. 36

Op 27 april 2019 om 14.34.12 uur belt [naam medeverdachte] met [verdachte] :

[naam medeverdachte] : want ik moet vanavond even bellen met hem hè.

[verdachte] : ehhh, ja, kan wel.

[naam medeverdachte] : ja maar niet opnemen, gewoon laten… ehh. (…)

[naam medeverdachte] : ja dat moet hè, want het zou wel raar zijn als ik in een keer niet meer bel. (…)

[verdachte] : oh doe later maar even… want anders krijg je voicemail denk ik.

[naam medeverdachte] : ja maar das goed dan kan ik wat inspreken, snap je um?
[verdachte] : ja ga dat maar even doen want volgens mij staat hij toch uit.

[naam medeverdachte] : oké dan ga ik gelijk even doen. 37

Op 27 april 2019 om 14.38.05 uur spreekt [naam medeverdachte] de voicemail van [slachtoffer] in:

He ouwe, hoe is het nou. Ben je nog ergens naartoe geweest?

Ja. Maar ik ook niet, ik ben nergens naartoe geweest joh. Echt niet.

Ik ben nog niet zo lang wakker. Maar als je dit bericht hoort, bel me nou ff joh want ehhhh. We hebben elkaar al lang niet meer gesproken. Nou groetjes, love you, doei ouwe. 38

Op 28 april 2019 om 11.03.11 uur is [naam medeverdachte] in gesprek met [naam getuige] :

[naam medeverdachte] : ik zat nog te denken om het… ja… af te laten fikken. (…) Af te laten branden.

[naam getuige] : … die kippenhok bedoel je?

[naam medeverdachte] : ja. (…)

[naam getuige] : maar ehh, was het de moeite?

[naam medeverdachte] : wat denk je achteraf.

[naam getuige] : nee natuurlijk niet.

[naam medeverdachte] : nee. (…)

[naam medeverdachte] : zit ook zo’n laptop bij weet je wel.

[naam getuige] : ja die moet weg, want daar staan gegevens op.

[naam medeverdachte] : …nieuwe Windows opgezet, weet je wel. (…)

[naam medeverdachte] : hij zegt heb jij je pasje bij je. Ik zeg ja, maar daar kan geen geld op, want dan ziet de bewindvoerder het straks, weet je wel. (…) Maar hij zegt dat maakt toch niet uit, ik haal het er gelijk weer af. Ik zeg ok zet het er maar op (…).

[naam getuige] : hoeveel was het?

[naam medeverdachte] : 2400.

[naam getuige] : ach man voor 2400, maar totaal bedoel ik.

[naam medeverdachte] : iets van 5 nog wat. (…)

[naam medeverdachte] : hij zegt eerste 62 ruggen, maar is ook niet echt de moeite waard.

[naam getuige] : nee.

[naam medeverdachte] : later zei hij, toen was er nog niks gebeurd hè, toen zei hij het is 5 ruggen, ik zei dat doen we niet hoor. (…)

[naam medeverdachte] : ik begrijp het maar die kip. Die hen moet ff opgehaald worden of iets.

[naam getuige] : wat moet opgehaald worden?

[naam medeverdachte] : die kip die er nog ligt.

[naam getuige] : kip?

[naam medeverdachte] : ja in dat hok, in dat kippenhok.

[naam getuige] : ja maar wat ligt daar? Ohh die dooie kip.

[naam medeverdachte] : ja, dat is het belangrijkste. Broer dat is het belangrijkste. 39

Op 28 april 2019 om 14.49.48 uur is [naam medeverdachte] in gesprek met [verdachte] :

[naam medeverdachte] : we moeten maken dat we wegkomen [verdachte] .

[verdachte] : wat dan.

[naam medeverdachte] : ja… via Facebook kreeg ik berichtje van heb je al gelezen, dat er een dooie man in een huis gevonden is. Ik zeg waar dan. Dat kon ze niet zeggen. Ik denk (…) daar gaan we. (…)

[verdachte] : de enige optie die ik van de week nog kan doen, dat is weet je, boem. (...).

[naam medeverdachte] : wat voor bom.

[verdachte] : wat wij wouden… boem.

[naam medeverdachte] : oooh wat je eerder wou, die gas dinge. (…)

[naam medeverdachte] : om te maken dat we weg komen [verdachte] . We kunnen zo naar Hongarije. Dat kost niks. (…)

[naam medeverdachte] : we moeten weg [verdachte] . (…)

[naam medeverdachte] : maar wat wil jij nou, wil je je leven lang binnen zitten of… als we gepakt worden.

[verdachte] : dat worden we niet. (…)

[naam medeverdachte] : ik vertrouw het voor geen meter. Anders huur ik wel een auto en rij ik zelf wel naar Hongarije toe. Dan ben ik mooi weg.

[verdachte] : dinsdag ga ik, dinsdag lukt het sowieso. (…)

[naam medeverdachte] : wat bedoel je nou. Je komt hier bij mij, je gooit je tank vol en we gaan samen die kant op (…) en voordat je gesignaleerd staat zijn we al de grenzen over. 40

Beoordeling verklaringen verdachte

Over het verloop van de verhoren van verdachte stelt het hof het volgende vast. Verdachte is vanaf april 2019 na zijn aanhouding tot en met februari 2020 veelvuldig verhoord door de politie. In de eerste verhoren verklaarde hij dat hij niet in het appartement was toen [slachtoffer] werd gedood. In latere verhoren beriep hij zich steeds meer op zijn zwijgrecht. Eerst in zijn verhoor op 19 februari 2020 heeft verdachte uitgebreid verklaard en heeft hij bekend wel degelijk een actieve rol te hebben gespeeld in de geweldshandelingen die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid. Verdachte is nadien nog door de rechter-commissaris gehoord en heeft ter zitting bij de rechtbank en bij het hof verklaringen afgelegd.

Het is het hof opgevallen dat verdachte op belangrijke punten wisselend heeft verklaard. Zo verklaart verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie op 19 februari 2020 dat het knobbeltje zuigen bij [naam medeverdachte] vandaan kwam. “ [naam 2] zei dat tegen mij dat ik wel wat kon doen bij [slachtoffer] . Aan het knobbeltje zuigen.” Ter zitting bij de rechtbank verklaart verdachte echter dat [naam medeverdachte] tegen verdachte zei dat [slachtoffer] dat gezegd had. Verdachte verklaart verder bij de politie dat hij pas in het gesprek over het knobbeltje zuigen hoort dat [slachtoffer] van mannen hield en dat hij dit nog niet eerder wist. Ter zitting van het hof verklaart hij hierover dat hij dit al langer wist en in ieder geval op een moment voorafgaand aan het bewuste weekend een keer van [naam medeverdachte] had gehoord dat [slachtoffer] op mannen viel. Het hof zal hieronder nog verder ingaan op het bovenstaande onderwerp in de verklaringen van verdachte. Hier volstaat het hof met de overweging dat het het hof is opgevallen dat verdachte zijn verklaring bijstelt op het moment dat hem onderzoeksresultaten worden voorhouden die strijdig (lijken te) zijn met zijn eerder afgelegde verklaringen.

Het voorgaande komt bij de beoordeling van de verklaringen van verdachte als geheel de geloofwaardigheid niet ten goede. Het hof heeft dan ook met behoedzaamheid de verklaringen van verdachte bekeken en getoetst. Dit brengt het hof er ook toe vrijwel alleen op de verklaring van verdachte af te gaan wanneer daarvoor ondersteuning van ander bewijs voorhanden is.

Ook de verklaringen van medeverdachte [naam medeverdachte] gebruikt het hof vrijwel alleen wanneer daarvoor ondersteuning van ander bewijs voorhanden is.

Over wat er in de woning precies is voorgevallen kunnen alleen verdachte en [naam medeverdachte] verklaren. Bij de selectie van hun verklaringen voor het bewijs heeft het hof zich rekenschap gegeven van het feit dat zij over bepaalde onderdelen die zien op elkaars feitelijke handelingen niet overeenstemmend hebben verklaard. Het hof heeft als overwogen bij de inhoudelijke selectie van hun verklaringen het overige bewijs in aanmerking genomen en daar aansluiting bij gezocht. Het hof heeft ook de wijze waarop verdachte en [naam medeverdachte] gedurende de procedure tot hun verschillende verklaringen zijn gekomen bij de selectie in aanmerking genomen. Het hof heeft ook nog in aanmerking genomen dat de gebruikte onderdelen van hun verklaringen in ieder geval niet strijdig zijn met het overige bewijs.

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft op 19 februari 2020 bij de politie een uitgebreide verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij op vrijdag (het hof begrijpt: op 19 april 2019) [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) heeft gevraagd om geld over te maken. Dit is in samenspraak met [naam 2] (het hof begrijpt: [naam medeverdachte] ) gegaan. Zaterdag 20 april 2019 zijn ze in de avond naar [slachtoffer] gegaan. Toen ze nog bij [naam 2] thuis waren zag verdachte [naam 2] bij zijn medicijnkast staan. Hij had een kokertje in zijn hand. Er zat een poederachtig spul in. Ze zijn met de taxi naar [slachtoffer] gegaan. [slachtoffer] heeft wat gedronken. Verdachte is nog weggeweest naar de bank. [slachtoffer] had € 500,- overgemaakt. Dit had verdachte hem gevraagd. Het was een aanbetaling voor de auto. Verdachte heeft ongeveer € 470,- opgenomen. Daarna is verdachte weer teruggegaan. [naam 2] en verdachte zijn die avond nog weer naar het huis van [naam 2] gegaan. Ze zijn weer teruggegaan naar het huis van [slachtoffer] met de taxi. Toen ze binnenkwamen was [slachtoffer] wat duf. Om 00:15 uur heeft verdachte € 5.000,- overgemaakt van de rekening van [slachtoffer] naar zijn eigen rekening. [naam 2] wist daar ook van. Verdachte heeft [slachtoffer] twee klappen gegeven. [slachtoffer] viel achterover. [naam 2] heeft hem ook nog een klap gegeven. Er is een kussen gepakt en op het hoofd gehouden van [slachtoffer] . [naam 2] zei dat hij dacht dat [slachtoffer] nog niet dood was. Verdachte is doorgegaan, heeft zijn hand om zijn nek gedaan en aangeknepen. Hij liet los en zag dat [slachtoffer] nog een beetje bewoog. [naam 2] heeft hem een rol lint aangegeven. [naam 2] zei dat verdachte het moest afmaken. Verdachte heeft het lint om zijn nek gedaan en aangetrokken. Verdachte zag dat [slachtoffer] helemaal blauw aanliep en was overleden. [naam 2] en hij zijn samen door het huis gelopen en hebben spullen zoals de laptop, bankpas, alles wat gevonden is, verzameld. Er is ook een Samsung telefoon meegenomen. Ook de bankpasjes, ID kaart en rijbewijs van [slachtoffer] zijn meegenomen. [naam 2] heeft de ring van de vinger getrokken van [slachtoffer] en ook de ketting heeft [naam 2] losgemaakt. Verdachte heeft een taxi gebeld en ze zijn naar het huis van [naam 2] gegaan. [naam 2] zei tegen hem dat hij eerst nog even moest pinnen. De € 5.000,- was tenslotte overgemaakt. Verdachte gaat met de taxi naar het station naar de ING en probeert daar te pinnen. Dit lukt niet omdat hij al aan zijn limiet zit. Hij gaat dan met de taxi naar een ING in [plaatsnaam 2] en neemt daar € 1.000,- op.

Op maandag pint hij vier keer € 250,-. Hij gaat met [naam 2] naar de Action. [naam 2] en verdachte kopen samen schoonmaakdoekjes en handschoenen. Ze gaan naar het huis van [slachtoffer] . Het was het idee van [naam 2] . [naam 2] zei dat ze de boel moesten oplossen. Ze zijn naar binnen gegaan, ze hadden de sleutel nog. Verdachte gaat naar de slaapkamer om te zien of daar nog spullen zijn. Daar lag niks. In de gang staat een metalen kast. Verdachte maakt de kast open met een sleutel die aan de sleutelbos zit. In de kast staat wat spul zoals een telefoon, een Samsung S4. [naam 2] ging in de woonkamer kijken en gooide daar een harde schijf en usb sticks in een tas. Verdachte gooit de Samsung S4 in de tas en een power box en een aantal kabels.

Verdachte wist niet dat [slachtoffer] geld had. [naam 2] wist dat wel. [naam 2] zei op 19 april 2019 tegen verdachte dat [slachtoffer] wel geld had. [naam 2] had [naam getuige] een paar keer een mail gestuurd of hij geld kon lenen. Dit kon niet. [naam 2] had al eerder geld van [slachtoffer] geleend. Hij had dit nooit terugbetaald en kon dus geen geld meer van [slachtoffer] lenen. [naam 2] zei toen dat [slachtoffer] misschien wel geld zou lenen aan hem. Hij heeft [slachtoffer] toen gevraagd om € 30,- en € 80,- voor zichzelf. Voor die € 150,- hebben ze een smoes verzonnen om geld te krijgen. Hij heeft ook geld geleend met de smoes van het slepen van de auto. Verdachte heeft de pincode van [slachtoffer] afgekeken met het overmaken van de € 500,-. Dat was op zaterdagavond. Bij die

€ 500,- had verdachte gezegd dat hij dit geld van zijn oom zou krijgen. Dit was een smoes om [slachtoffer] dat geld over te laten maken. Verdachte heeft een betaalverzoek gedaan aan [slachtoffer] via WhatsApp en [slachtoffer] heeft hem laten zien hoe hij dan via de WhatsApp het geld overmaakte via zijn ING bank. Verdachte kon de pincode zien en heeft deze opgeslagen op zijn telefoon. Die € 5.000,- heeft hij overgemaakt met de S7 van [slachtoffer] . Dit was om 00:17 uur. De telefoon lag op de tafel en [slachtoffer] lag op de bank. [slachtoffer] was duf, half slaperig. [naam 2] zat erbij. [naam 2] wist van alle bedragen die overgemaakt zijn. [naam 2] heeft ook een gedeelte van de € 5.000,- gekregen.

Verdachte heeft gezien dat [naam 2] iets in het glas van [slachtoffer] heeft gegooid. Het was wit poeder. Het kwam uit een wit kokertje. Verdachte heeft het glas vastgepakt en de inhoud geschud met de bedoeling om het poeder op te lossen. De dimpel (het hof begrijpt: de whisky) sloeg wit uit, daarom heeft hij het glas geschud. [naam 2] heeft het erin gegooid met de bedoeling dat [slachtoffer] ging slapen en dat verdachte het geld over kon maken. In de woning van [slachtoffer] is wel ter sprake gekomen dat ze hem duf konden maken en dat had te maken met de € 5.000,-. [slachtoffer] heeft twee keer aan [naam 2] gevraagd of hij hem wilde vergiftigen ofzo. Toen heeft [naam 2] gezegd dat verdachte het moest doen, anders zou [slachtoffer] erachter komen dat [naam 2] dat aan het doen was. Er is nieuwe medicatie gekomen. Van de andere medicatie ging [slachtoffer] niet slapen. Toen verdachte en [naam 2] omstreeks 23:26 uur naar het huis gingen van [naam 2] en andere medicatie gingen halen zei [naam 2] dat de seroquel niet werkte zoals verwacht. [slachtoffer] ging hier niet van slapen. [naam 2] heeft toen de tweede keer diclofenac en morfine meegenomen. [naam 2] en verdachte hebben de medicijnen samen geprepareerd in de woning van [naam 2] en in de woning van [slachtoffer] . Ze hebben het verpulverd met twee lepels. Toe ze terugkwamen met de nieuwe medicijnen lag [slachtoffer] op de bank. Hij werd wakker. [naam 2] heeft weer medicijnen in het glas gegooid en verdachte heeft het gehusseld. [slachtoffer] dronk het glas leeg, werd duf en viel weg. Hierna kon verdachte de € 5.000,- overmaken.41

Verdachte heeft verder nog verklaard dat hij wist dat [naam 3] een cabrio te koop had voor

€ 1.000,- en als het spul erin zou blijven zitten voor € 1.500,-. Hij wilde dit gaan regelen met zijn bewindvoerder maar had dit nog niet gevraagd omdat hij wel wist dat hij het geld niet gestort zou krijgen.42 Ter zitting bij de rechtbank heeft verdachte verklaard dat hij de Opel Astra cabrio heeft gekocht van het geld van [slachtoffer] . De Samsung S7 van [slachtoffer] heeft hij die donderdag (het hof begrijpt: 25 april 2019) verkocht aan [naam 4] . Verdachte stond onder bewind en ontving € 20,- per week.43

Ter zitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat het toedienen van de medicatie aan [slachtoffer] als doel had om hem te laten slapen en hem dan geld afhandig te maken.44

Verklaringen medeverdachte [naam medeverdachte]

heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) naar die ouwe toeliep en op de bank naast [slachtoffer] ging zitten. Hij zag dat verdachte zijn linkerarm om de nek van [slachtoffer] sloeg en hem begon te wurgen. Met zijn rechterhand pakte hij zijn linkerarm vast om meer kracht te kunnen zetten. Het leek wel of [slachtoffer] steeds suffer werd. Hij zag dat verdachte [slachtoffer] met volle kracht op zijn hoofd stompte. Hij zag dat verdachte een kussen pakte dat op de bank lag en dit op het gezicht van [slachtoffer] drukte.45 Dit duurde een minuut ofzo.46 Hij zag dat verdachte een lint om de hals van [slachtoffer] deed en dit aantrok. Verdachte hield die verwurging circa 45 seconden tot een minuut aan. Hij dacht dat [slachtoffer] overleden was. Hij werd blauw paarsig. En toen, “ja, zoeken hè”. In de tas gingen de telefoons, de laptop. Verdachte moet ook een doosje met pasjes meegenomen hebben en een rijbewijs, ID en bankpas. Die S7 van [slachtoffer] had verdachte ook meegenomen. Ze namen een taxi en verdachte ging gelijk pinnen bij de ING tegenover het station.47

De Opel Astra die verdachte van [naam 5] heeft gekocht is betaald met geld dat van de rekening van [slachtoffer] kwam. De telefoon van [slachtoffer] zou verdachte gaan verkopen.48

Hij heeft op het aanrecht seroquel, morfine en diclofenac zien liggen.49 De medicijnen zijn een paar keer over de avond toegediend.

Zij hadden twee paar tuinhandschoenen bij de Action gekocht om deze aan te doen en zo geen sporen achter te laten.50

Hij stond onder bewind en kreeg € 50,- per week. Hij heeft rond de € 22.000,- aan schulden. Hij heeft een keer € 100,- en een keer € 50,- geleend van [slachtoffer] .51

Vrijspraak voorbedachte raad (1A primair)

Onder 1A primair is het medeplegen van moord tenlastegelegd. Het hof ziet zich daarom allereerst voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van voorbedachte raad.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Het hof acht de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Zowel verdachte als [naam medeverdachte] hadden geldproblemen. Zij stonden onder bewind en ontvingen een beperkt bedrag aan weekgeld. Voor [naam medeverdachte] was dat € 50,- per week, voor verdachte € 20,-. [naam medeverdachte] heeft voorafgaand aan het Paasweekend getuige [naam getuige] gevraagd of hij bij hem geld kon lenen. Verdachte wist dat [naam 3] een cabrio te koop had voor € 1.000,-/€ 1.500,- en wilde iets gaan regelen om deze auto te kopen.

In de dagen voorafgaand aan de geweldshandelingen die plaatsvonden in de nacht van zaterdag 20 april op zondag 21 april 2019 hebben verdachte en [naam medeverdachte] [slachtoffer] meermalen gevraagd om geld te mogen lenen. Zij hebben daarbij in de richting van [slachtoffer] onder meer een smoes gebruikt over een auto die weggesleept moest worden. In werkelijkheid was daar geen sprake van. De bedragen die zij aan [slachtoffer] vroegen werden steeds groter, beginnend met € 30,- op 19 april 2019 en eindigend met € 500,- op 20 april 2019. Tijdens het overboeken van dit laatste bedrag keek verdachte de pincode van [slachtoffer] heimelijk af, kennelijk met de bedoeling om deze op een later moment zelf, dus zonder dat [slachtoffer] daarbij een rol zou spelen, te kunnen gebruiken.

Uit de camerabeelden van [adres] volgt dat verdachten op 20 april 2019 om 19.54 uur het appartementencomplex binnen kwamen. Verdachte en [naam medeverdachte] hebben die avond aanvankelijk quetiapine (toevoeging hof: merknaam: Seroquel) door de whisky van [slachtoffer] gemengd. Om 21.36 uur is € 500,- overgeboekt naar de rekening van verdachte. Omdat de quetiapine niet het gewenste effect had zijn verdachte en [naam medeverdachte] om 23.26 uur samen naar de woning van [naam medeverdachte] gegaan om andere medicatie te halen, namelijk oxycodon en diclofenac. Om 23.50 uur kwamen verdachten weer binnen in het appartementencomplex. Aan [slachtoffer] is vervolgens de nieuwe medicatie gegeven. [slachtoffer] werd duf, viel weg en verdachte kon op 21 april 2019 om 00.17 uur met de telefoon van [slachtoffer] € 5.000,- overboeken van diens rekening naar die van hemzelf. Daarna is [slachtoffer] door geweld om het leven gebracht waarna verdachte en [naam medeverdachte] zijn gaan zoeken naar goederen van hun gading. Om 02.19 uur die nacht hebben verdachte en [naam medeverdachte] gezamenlijk het appartementencomplex verlaten in het bezit van goederen die [slachtoffer] toebehoorden. De woning is gezamenlijk in twee fasen doorzocht en er zijn goederen weggenomen, namelijk direct na de dood van [slachtoffer] en een dag later, op maandag 22 april 2019. De dagen daarna hebben er diverse overboekingen en geldopnamen van de rekening van [slachtoffer] plaatsgevonden, daar zijn onder meer boodschappen, (dure) taxiritten en een auto van betaald en de telefoon van [slachtoffer] is verkocht aan een derde.

Het hof bestempelt het handelen van de verdachten voor wat betreft de in grootte toenemende overboekingen, het heimelijk afkijken van de pincode en later noteren van de pincode alsook het toedienen van de verschillende soorten medicatie als berekenend en planmatig. Het hof komt echter - anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal - tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat het plan van de verdachten in deze fase van de gebeurtenissen - behalve dat het zag op het afhandig maken van geld - ook zag op het om het leven brengen van [slachtoffer] . Verdachte heeft verklaard dat het toedienen van de medicatie als doel had om [slachtoffer] in slaap te laten vallen waarna zij hem geld afhandig konden maken. Het hof acht dit niet onaannemelijk. De resultaten van het toxicologisch onderzoek zijn niet zodanig dat kan worden gesteld dat deze verklaring van verdachte omtrent het nagestreefde doel bij het toedienen van de medicatie ongeloofwaardig zou zijn.

Het voorgaande heeft als gevolg dat het hof niet komt tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 1A primair tenlastegelegde medeplegen van moord.

Gekwalificeerde doodslag (1A subsidiair)

Onder 1A subsidiair is tenlastegelegd het medeplegen van gekwalificeerde doodslag.

De kern van de strafbaarstelling van gekwalificeerde doodslag is materieel strafrechtelijk gezien dat de doodslag in een onmiddellijk verband staat (connexiteit) met een ander strafbaar feit, zowel in causaal opzicht als wat het tijdstip van het zich voordoen van de feiten betreft: het andere feit moet de doodslag zo vergezellen of van nabij volgen of voorafgaan dat het geacht kan worden er één geheel van uit te maken met als nadere beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling het specifiek (bijkomende) oogmerk van verdachte dat de doodslag is gericht op het voorbereiden, gemakkelijk maken van of

- kort gezegd - straffeloosheid verzekeren voor dat andere feit.

Het hof is van oordeel dat daar sprake van is. De handelingen van verdachte en [naam medeverdachte] met betrekking tot de overboekingen, te weten het afkijken van de pincode en later noteren daarvan, het zonder medeweten van [slachtoffer] overboeken van de € 5.000,- van [slachtoffer] rekening naar de rekening van verdachte, het vervolgens onmiddellijk na de dood van [slachtoffer] doorzoeken van zijn woning en meenemen van allerhande goederen en een dag later wederom terugkeren naar de woning om deze weer te doorzoeken en goederen mee te nemen, zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm van meet af aan gericht geweest op het wederrechtelijk verkrijgen van geld en goederen. Verdachte en [naam medeverdachte] hadden met het heimelijk overmaken van de € 5.000,- voor zichzelf een problematische situatie geschapen omdat het voor [slachtoffer] wanneer hij wakker zou worden direct te herleiden zou zijn dat zijn bankrekening geplunderd was door verdachte en [naam medeverdachte] . Het hof kan aan het doden van [slachtoffer] dat plaatsvond niet lang na de overboeking van de € 5.000,- en vlak voor het daaropvolgende doorzoeken en wegnemen van allerlei spullen uit het huis dan ook geen andere conclusie verbinden dan dat verdachte en zijn medeverdachte met dit doden van [slachtoffer] het voor strafbaarheid van gekwalificeerde doodslag benodigde oogmerk hebben gehad de diefstal(len) voor te bereiden, gemakkelijk te maken en aan zichzelf straffeloosheid en het bezit te verzekeren.

Het voorgaande oordeel betekent dat het hof verdachte niet in het door hem gestelde scenario volgt. Het hof zal hieronder uiteenzetten waarom verdachte daarin niet wordt gevolgd.

Scenario van verdachte

Verdachte en [naam medeverdachte] hebben beiden vanaf enig moment in het strafproces verklaard dat er voorafgaand aan de geweldshandelingen is gesproken over ‘aan een knobbeltje zuigen’ voorafgaand aan het doden van [slachtoffer] . Verdachte verbindt hieraan de conclusie dat dit de aanleiding is geweest voor het geweld jegens [slachtoffer] en dat dat geweld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling zou hebben plaatsgevonden.

Het hof stelt vast dat verdachte hierover niet eerder dan in zijn verhoor op 19 februari 2020 heeft verklaard. Hij verklaarde bij die gelegenheid dat [naam medeverdachte] tegen hem zei dat hij wel wat kon doen bij [slachtoffer] , namelijk aan het knobbeltje zuigen. Ter zitting bij de rechtbank verklaarde verdachte dat [naam medeverdachte] zei dat [slachtoffer] dat gezegd had.

[naam medeverdachte] heeft hierover anders verklaard. Hij heeft reeds ten tijde van zijn verhoren kort na zijn aanhouding in april 2019 verklaard dat verdachte vanuit het niets tegen [slachtoffer] zei: “ik hoorde van pa (het hof begrijpt: [naam medeverdachte] ) dat ik aan jouw knobbeltje moest zuigen. Dat vervolgens [slachtoffer] werd omgebracht”.

Het hof stelt vast dat verdachte over deze vermeende aanleiding voor het geweld wisselend heeft verklaard en ook anders dan zijn medeverdachte. Bovendien heeft verdachte ontkend dat een seksueel motief in de zin van weerzin tegen de seksuele voorkeur van [slachtoffer] , of een seksuele component een rol heeft gespeeld. Het hof acht hetgeen verdachte heeft verklaard - gelet op zijn eigen niet consistente verklaringen terwijl [naam medeverdachte] , die bijna van meet af aan heeft verklaard dat verdachte zelf vanuit het niets over knobbeltje zuigen begon - niet geloofwaardig.

Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat het scenario waarin een dergelijke seksueel getinte opmerking aanleiding is geweest voor het geweld - vanwege woede bij verdachte door herinneringen aan gebeurtenissen in zijn verleden - niet past bij de planmatige manier waarop verdachte en [naam medeverdachte] voorafgaand aan de dood voortdurend bezig zijn geweest met het verkrijgen van geld van [slachtoffer] en het telkens toedienen van de medicatie die avond. Het hof acht op grond van het voorgaande niet aannemelijk geworden dat een opmerking omtrent het knobbeltje zuigen - als deze opmerking al gemaakt is - aanleiding is geweest voor de geweldshandelingen op [slachtoffer] .

Het hof acht op grond van het handelen van verdachte en [naam medeverdachte] zoals dat hiervoor is beschreven, de onder 1A subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer] dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Medeplegen

Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [naam medeverdachte] . De samenwerking heeft in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering jegens [slachtoffer] in de woning van het slachtoffer.

Hoewel [naam medeverdachte] heeft ontkend zelf enige bijdrage te hebben geleverd aan de geweldshandelingen richting [slachtoffer] , heeft verdachte verklaard dat [naam medeverdachte] hierin wel degelijk een aandeel heeft gehad. Volgens de verklaring van verdachte, voor zover deze wordt gebruikt voor het bewijs, heeft [naam medeverdachte] [slachtoffer] een klap gegeven, heeft hij verdachte aangespoord om het af te maken en heeft hij verdachte een lint aangereikt waarmee verdachte [slachtoffer] heeft gewurgd.

Het hof neemt – in lijn met de visie van de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging – de verklaringen van verdachte hierbij als uitgangspunt. Deze verklaring vindt steun in de volgende redengevende feiten en omstandigheden.

Verdachte, die dat weekend bij [naam medeverdachte] verbleef, trok met [naam medeverdachte] jegens [slachtoffer] vanaf vrijdagavond gezamenlijk op. In hun communicatie jegens [slachtoffer] overdag, om geld van [slachtoffer] te verkrijgen, handelen zij gezamenlijk. Verdachte en [naam medeverdachte] zijn in de avond van 20 april 2019 samen naar de woning van [slachtoffer] gegaan en aldaar bij [slachtoffer] aanwezig geweest. In de korte momenten dat verdachte even naar buiten is geweest hadden verdachte en [naam medeverdachte] daarover contact. In de avond van 20 april 2019 hebben beiden kort gezamenlijk de woning verlaten om naar de woning van [naam medeverdachte] te gaan teneinde nieuwe, beter drogerende, medicatie te halen, waarna zij kort voor middernacht ook weer samen terugkeerden naar de woning van [slachtoffer] aan [adres] . [naam medeverdachte] is de enige die de beschikking had over alle drie de soorten medicatie die in hun gezamenlijke bijzijn aan [slachtoffer] zijn toegediend. [naam medeverdachte] heeft, in tegenstelling tot wat hij heeft verklaard, geweten van de overboeking van € 5.000,-. Dit volgt uit de verklaring van [verdachte] , maar ook uit de voice recorder gesprekken op de telefoon van [naam medeverdachte] waar hij tegen [naam getuige] spreekt over de gang van zaken rondom ‘5 ruggen’. Nadat [slachtoffer] om het leven is gebracht, heeft ook [naam medeverdachte] de woning doorzocht en goederen meegenomen, en zijn er nadien ook diverse goederen van [slachtoffer] aangetroffen in de woning van [naam medeverdachte] . Bovendien heeft [naam medeverdachte] naast verdachte gedeeld in de buit; hij heeft immers een bedrag van € 2.490,- op zijn rekening ontvangen. Op maandag 22 april 2019 is zowel verdachte als [naam medeverdachte] erbij als de woning van [slachtoffer] opnieuw wordt betreden. Ten slotte spreekt [naam medeverdachte] in de voice recorder berichten in de ‘wij-vorm’. Uit die berichten blijkt dat hij in onderling overleg de dood van [slachtoffer] probeert te verhullen door de voicemail van de telefoon van [slachtoffer] , die dan in het bezit van verdachte, is in te spreken zodat het later niet opvalt dat [naam medeverdachte] anders dan gebruikelijk was geen contact meer met [slachtoffer] heeft. Ook blijkt uit die voicemailgesprekken dat [naam medeverdachte] problemen voorziet en daar een oplossing voor zoekt, daarover met verdachte spreekt en samen met verdachte wil vluchten.

Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van de gekwalificeerde doodslag bewezen.

Diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbende (1B)

Ten aanzien van het onder 1B ten laste gelegde medeplegen van diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbende heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

Het hof overweegt dat op grond van de vaststellingen en conclusies omtrent het onder 1A tenlastegelegde, dit verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1A subsidiair, 1B en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1A subsidiair

hij in de periode van 19 april 2019 tot en met 22 april 2019 te [plaatsnaam 1] , tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- zijn, verdachtes, arm in een zogenaamde wurggreep/nekklem om de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] te brengen en aldus gedurende enige tijd druk uit te oefenen op de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] en

- meermalen met kracht tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te stompen en

- een kussen gedurende enige tijd op het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te drukken en aldus voornoemde [slachtoffer] de mogelijkheid te ontnemen te ademen en

- vervolgens de keel en/of de hals van voornoemde [slachtoffer] met een lint samen te drukken en/of dicht te drukken en de keel en/of de hals van voornoemde [slachtoffer] met een lint samengedrukt en/of dichtgedrukt te houden,

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld en diefstal door middel van een valse sleutel, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

1B.

hij in de periode van 19 april 2019 tot en met 22 april 2019 te [plaatsnaam 1] , tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ketting en een laptop en/of een mobiele telefoon (merk Samsung S7) en een horloge en een bankpas (ING t.n.v. [slachtoffer] ) en een kentekenbewijs (t.n.v. [slachtoffer] ) en een druppel en geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld bestond uit het opzettelijk

- meermalen aan die [slachtoffer] één of meerdere toxische middelen (te weten seroquel en oxicodon en diclofinac) toe te dienen en

- brengen van zijn arm om de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] in een zogenaamde wurggreep/nekklem en aldus gedurende enige tijd uitoefenen van druk op de keel/hals van voornoemde [slachtoffer] en

- meermalen met kracht stompen tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] en

- gedurende enige tijd drukken van een kussen op het gezicht van voornoemde [slachtoffer] en aldus voornoemde [slachtoffer] de mogelijkheid ontnemen te ademen en

- vervolgens met een lint samendrukken en/of dichtdrukken van de keel van voornoemde [slachtoffer] en

- met een lint samen gedrukt en/of dicht gedrukt houden van de keel van voornoemde [slachtoffer] en

ten gevolge van welk bovenomschreven feit voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2.
hij in de periode van 19 april 2019 tot en met 25 april 2019 te [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2] ,

tezamen en in vereniging met een ander, geldbedragen, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden, te weten aan [slachtoffer] en/of de erven van die [slachtoffer] , telkens heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het onbevoegd gebruik maken van een betaalpas (van basisrekeningnummer [rekeningnummer] ) op naam van die [slachtoffer] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1A subsidiair en 1B bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van doodslag, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken , en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren

en

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

de voortgezette handeling van

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), heeft op 20 maart 2020 een rapport Pro Justitia uitgebracht over verdachte (hierna te noemen: het PBC rapport of het rapport). Het rapport is opgemaakt door de deskundigen [naam 6] , psychiater, en [naam 7] , klinisch psycholoog. Diezelfde deskundigen hebben op 31 juli 2020 een aanvullend psychiatrisch en psychologisch rapport uitgebracht.

In het rapport d.d. 20 maart 2020 wordt weergegeven dat verdachte tijdens zijn verblijf in het PBC gesprekken heeft gevoerd met de psycholoog en de psychiater, dat hij zich heeft laten observeren in de groep waar de medeverdachte destijds ook deel van uitmaakte, dat hij heeft meegewerkt aan het milieuonderzoek en deels aan het testonderzoek door de psycholoog en dat er daarnaast een grote hoeveelheid collaterale informatie beschikbaar is. Toch had het onderzoek beperkingen, omdat verdachte niet over de tenlastegelegde feiten heeft gesproken, noch over belangrijke aspecten in zijn leven. Ook weigerde verdachte een groot deel van het testpsychologisch onderzoek en was informatie die hij verstrekte vaak niet consistent met eerdere uitspraken. Toch werd er voldoende informatie verkregen om een aantal van de onderzoeksvragen te beantwoorden.

De deskundigen stellen vast dat er sprake is van een lage intelligentie/licht verstandelijke beperking. Verdachte is in staat om op de verschillende levensgebieden te functioneren mits hij daarin wordt ondersteund. Verdachte onderkent wel dat hij enige hulp nodig heeft, maar heeft anderzijds de neiging om zichzelf te overschatten.

De diagnose ADHD is niet met zekerheid vast te stellen, maar ook niet uit te sluiten. In zijn jeugd is sprake geweest van affectieve en pedagogische verwaarlozing, mishandeling en seksueel misbruik. Er is onduidelijkheid omtrent aan- of afwezigheid van PTSS. Er is sprake van agressieregulatieproblematiek. Verdachte heeft een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur. Een belangrijk thema bij verdachte is geld. Zijn geweten is beperkt ontwikkeld. Er is sprake van ernstige persoonlijkheidsproblematiek met in ieder geval antisociale en borderline kenmerken. De score op de PCL-R wijst erop dat bij verdachte sprake is van chronisch instabiel en egoïstisch, manipulatief en antisociaal gedrag, maar niet in die mate dat gesproken kan worden van psychopathie.

De genoemde problemen en stoornissen (lage intelligentie, gevolgen van verwaarlozing/seksueel misbruik met mogelijk kenmerken van PTSS, symptomen van ADHD, ernstige persoonlijkheidsproblematiek) beïnvloeden elkaar onderling en hebben een langdurige, verstorende invloed gehad op verdachtes psychologische ontwikkeling en levensloop. Het is nu – ook door de beperkingen van het onderzoek – nog moeilijk te differentiëren welk aandeel ieder probleem heeft in verdachtes functioneren. Geconcludeerd kan worden dat (overkoepelend) sprake is van een ernstige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, die ertoe leidt dat verdachte op alle levensgebieden chronisch disfunctioneert. Deze ernstige gebrekkige ontwikkeling bestond ook ten tijde van de hem tenlastegelegde feiten.

Het is echter niet duidelijk geworden wat er exact speelde rond de dood van het slachtoffer. Verdachte stelt zijn verklaringen steeds bij. Gezien de ernst en uitgebreidheid van verdachtes pathologie (en ten gevolge daarvan het disfunctioneren op alle levensgebieden) veronderstellen de onderzoekers dat de pathologie heeft doorgewerkt in het onder 1 tenlastegelegde. Door een gebrek aan informatie is het niet mogelijk uitspraken te doen over hoe deze doorwerking tot stand is gekomen.

De deskundigen kunnen wel onderbouwen dat het onder 2 tenlastegelegde gericht was op geldgewin en derhalve opportunistisch van aard was. Er is niet een scenario te bedenken waarbij verdachte niet het inzicht of de keuze had om dit hem tenlastegelegde feit te laten. De deskundigen adviseren om dit feit ( het hof begrijpt: volledig) aan verdachte toe te rekenen.

In het aanvullende rapport d.d. 31 juli 2020 schrijven de deskundigen dat zij voor wat betreft het delictscenario niet méér duidelijkheid hebben gekregen. De deskundigen blijven in dit aanvullende rapport bij hun conclusies uit hun eerdere rapport zoals hiervoor weergegeven, met als enige wijziging dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een PTSS.

Het hof overweegt dat het de conclusies van de deskundigen zoals hiervoor weergegeven bevestigd ziet in het beeld dat het hof ter zitting van verdachte heeft gekregen. Het hof neemt de conclusies op de in het rapport vermelde gronden over. Het hof concludeert daarom dat het hiervoor onder 1A subsidiair en 1B bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Het onder 2 bewezen verklaarde kan geheel aan verdachte worden toegerekend.

Verdachte is derhalve strafbaar aangezien noch op grond van voorgaande, noch anderszins een omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Oplegging van straf

Verdachte heeft samen met [naam medeverdachte] [slachtoffer] in zijn eigen woning van zijn leven beroofd. Zij hebben uit geldnood bij beiden het slachtoffer, een 72-jarige man die een vriend was van [naam medeverdachte] , eerst onder het mom van een aantal smoezen een paar keren gevraagd om geld van hem te lenen. Ook hebben zij hem gedrogeerd. Bij een van de overboekingen keek verdachte de pincode af en maakte hij vervolgens een aanzienlijk geldbedrag over van de rekening van het slachtoffer naar zijn eigen rekening. Daarna hebben verdachte en zijn mededader het slachtoffer op gewelddadige wijze om het leven gebracht. Zij hebben dit gedaan met het oogmerk om de diefstallen te kunnen plegen. Direct na zijn dood en ook de volgende dag hebben zij spullen uit het huis van het slachtoffer weggenomen. Ook hebben zij op meerdere momenten nadien nog geld opgenomen van de rekening van het slachtoffer. Het geld dat zij van het slachtoffer hebben gestolen hebben zij in de dagen na zijn dood grotendeels uitgegeven. Zo heeft verdachte hiervan een door hem begeerde auto gekocht en hebben zij er taxiritten, escorts en andere uitgaven mee bekostigd. Aldus heeft verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag, diefstal met geweld met de dood als gevolg en diefstal door middel van een valse sleutel.

Verdachte is in zijn handelen nietsontziend en meedogenloos geweest door [slachtoffer] , die verdachte en zijn medeverdachte van goede wil was door hun op hun verzoek in de aanloop naar zijn dood meerdere geldbedragen uit te lenen, enkel uit financieel eigen gewin om het leven te brengen.

Verdachte heeft de nabestaanden hun vader en opa afgenomen. Hoewel de relatie tussen hen problematisch was, heeft verdachte hun daarmee wel de mogelijkheid ontnomen om het contact op enig moment te herstellen en het slachtoffer de vragen te stellen die bij hen nog leven. Daarnaast brengt een dergelijk misdrijf niet alleen bij de nabestaanden, maar ook bij buren, bekenden en anderen in de samenleving een schok en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Het hof heeft bij de straftoemeting ten nadele van verdachte in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 maart 2021 – eerder veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten waaronder ook voor geweldsdelicten. Het hof heeft verder acht geslagen op de inhoud van voornoemde Pro Justitia rapporten. Het hof gaat gelet op de inhoud van die laatstgenoemde rapporten voor zover hiervoor weergegeven uit van een verminderde toerekenbaarheid van de feiten 1A subsidiair en 1B aan verdachte. Ten aanzien van feit 2 gaat het hof uit van volledige toerekenbaarheid aan verdachte. Dit wordt bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf ook in aanmerking genomen.

Verdachte onderging ten tijde van het plegen van de feiten een TBS maatregel. Het hof heeft kennisgenomen van het incidentenonderzoek door de Inspectie Justitie en Veiligheid dat door de verdediging is ingebracht in het strafproces en waarnaar door de raadsman is verwezen. Uit dit onderzoek lijkt naar voren te komen dat er in het resocialisatietraject van verdachte niet steeds de juiste keuzes zijn gemaakt. Wat daar ook van zij, het maakt de kliniek niet medeverantwoordelijk voor de onderhavige feiten en vormt naar het oordeel van het hof geen aanleiding voor beperking van de duur van de op te leggen gevangenisstraf.

Gekwalificeerde doodslag behoort tot de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte is gewetenloos geweest in zijn handelen door uit winstbejag [slachtoffer] om te brengen. Het opzettelijk doden van een ander mens is immers de meest ernstige onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, namelijk het recht op leven. Door zijn handelen heeft de verdachte aan [slachtoffer] dat recht en daarmee zijn meest wezenlijke bezit ontnomen. Evenals bij moord heeft de wetgever dit delict met de zwaarst mogelijke straf bedreigd; levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren. Het feit dat het hof ten aanzien van feit 1 komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank heeft gelet hierop dan ook niet als gevolg dat dit een doorwerking moet hebben in de strafoplegging.

Verder heeft het hof er bij de strafoplegging rekening mee gehouden dat sprake is van eendaadse samenloop zoals hiervoor bij de kwalificatie weergegeven, alsook dat feit 2 als voortgezette handeling is gepleegd.

De raadsman heeft ten aanzien van de strafoplegging gewezen op de bekennende houding van verdachte. Het hof acht de houding van verdachte en de inhoud van zijn verklaringen die hij vanaf 19 februari 2020 heeft afgelegd echter niet zodanig dat gesteld kan worden dat verdachte daadwerkelijk verantwoordelijkheid voor zijn eigen handelen heeft genomen. Verdachte is naar het oordeel van het hof in zijn verklaringen en opstelling vooral berekenend geweest. In gevallen waar sprake is van oprechte spijt kan dit onder omstandigheden voor de rechter aanleiding zijn tot enige mildheid, omdat strafvervolging mede ten doel heeft verdachte tot inkeer te brengen waardoor perspectief wordt geboden op uitblijven van recidive in de toekomst. In het geval van verdachte is dat doel niet overtuigend bereikt. Voor clementie om die reden bestaat dan ook geen grond.

Het hof is, alles afgewogen, van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot de strafoplegging een juiste afweging heeft gemaakt. Vanwege de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd kan vanuit een oogpunt van vergelding niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een langdurige gevangenisstraf.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is ook het hof - conform het standpunt van de advocaat-generaal - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van de tijd die door de verdachte in voorarrest is doorgebracht, passend en geboden is. Het hof zal deze straf aan verdachte opleggen.

De verdediging heeft ter zitting van het hof verzocht om het opnemen van een advies als bedoeld in artikel 37b tweede lid Sr, in die zin dat het hof zou adviseren om de – hierna te bespreken – TBS met verpleging van overheidswege reeds te laten ingaan na zes jaren van de op te leggen gevangenisstraf. Het hof ziet evenwel in de inhoud van het dossier waaronder die van de rapportages, geen reden om van de hoofdregel – eerst wordt de gevangenisstraf (thans: 2/3 daarvan) uitgezeten en daarna volgt de TBS – af te wijken.

Oplegging van maatregel

Daarnaast dient de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege te worden opgelegd. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij vindt dat het nodig is dat hij een TBS maatregel opgelegd krijgt en dat hij open staat voor een behandeling in dit kader.

Het hof stelt voorop dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte op grond van de artikelen 37, tweede en derde lid, 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging kunnen worden opgelegd:

  • -

    bij de verdachte dient ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

  • -

    het betreffende feit dient een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel te behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht) vermeld;

  • -

    de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dient het opleggen van de maatregel te eisen;

  • -

    een dergelijke maatregel kan enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.

Het hof is van oordeel dat aan de hierboven genoemde voorwaarden voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging is voldaan. Het gerechtshof baseert dit oordeel mede op de beide hierboven genoemde rapporten van psychiater [naam 6] en psycholoog [naam 7] .

Zoals hiervoor al is vastgesteld is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en meerdere stoornissen. Deze gebrekkige ontwikkeling en stoornissen bestonden ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.

Ook is in deze zaak sprake van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

[naam 6] en [naam 7] hebben zich als volgt uitgelaten over de kans op recidive en de kaders waarin dit recidivegevaar kan worden beperkt:

“Op basis van de klinische indrukken in relatie tot de gebruikte risicotaxatie-instrumenten kan worden geconstateerd dat er bij betrokkene sprake is van een hoog risico op een geweldsdelict.

Wij geven de rechtbank ter overweging een gedwongen klinische behandeling op te leggen in een gespecialiseerde, gesloten forensische setting met een hoog beveiligingsniveau. Betrokkene is ondanks intensieve behandeling niet in staat gebleken zijn leven vorm te geven. Nog binnen het kader van de tbs-maatregel is hij teruggevallen, door het plegen van een ernstig geweldsdelict.

Indien u een behandeling in een strafrechtelijk kader aangewezen acht, adviseren onderzoekers uw rechtbank om aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging va overheidswege op te leggen. Alleen deze vergaande juridische maatregel lijkt voldoende garantie te geven dat de beschreven behandeling en resocialisatie gerealiseerd worden. Ondergetekenden hebben overwogen of behandeling in een minder stringent kader mogelijk is teneinde het recidivegevaar op geweldsdelicten tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, maar zien hiertoe vanwege de complexe problematiek op meerdere gebieden en de beperkte leerbaarheid van betrokkene geen mogelijkheden.”

Het hof is van oordeel, gelet op de inhoud van voormelde rapportages, de vastgestelde gebrekkige ontwikkeling en stoornissen en de veronderstelde doorwerking daarvan, de bijzondere ernst van de begane feiten en de vele eerdere veroordelingen van verdachte, ook voor geweldsmisdrijven, dat sprake is van zodanig recidivegevaar dat de bescherming van de samenleving de oplegging van de maatregel eist, in die zin dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging eist.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht stelt het hof vast dat de bewezenverklaarde delicten gekwalificeerde doodslag en diefstal met geweld misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

De advocaat-generaal heeft het hof ter zitting in overweging gegeven aan verdachte een maatregel ex artikel 38s Sr op te leggen. Het hof ziet daarvoor, mede gelet op te duur van de op te leggen gevangenisstraf en de TBS maatregel, geen reden.

Vorderingen van de benadeelde partijen

[naam benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 31.236,51 en ziet op materiele schade en affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan deels toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

[naam benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 22.066,69 en ziet op materiele schade en affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan deels toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Aanvullend heeft zij reiskosten gevorderd om bij de zitting en uitspraak aanwezig te kunnen zijn ad € 241,80.

[naam benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.936,95 en ziet op materiele schade en affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan deels toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering. Aanvullend heeft hij reiskosten gevorderd om bij de zitting en uitspraak aanwezig te kunnen zijn ad € 98,80.

[naam benadeelde partij 4] , zoon van [naam benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 4] zoon van [naam benadeelde partij 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.000,- en ziet op materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

[naam benadeelde partij 5] , zoon van [naam benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 5] , zoon van [naam benadeelde partij 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.000,- en ziet op materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen geconcludeerd tot algehele toewijzing van de posten ‘overgeboekte gelden’, ‘oplevering woning’, ‘reis- verblijf- en parkeerkosten’. Ook de affectieschade is voldoende onderbouwd en dient te worden toegewezen. De post ‘nog te ontvangen schadevergoeding (groot)vader’ dient niet te worden toegewezen omdat deze post in de nalatenschap dient te vallen. De post ‘kosten in verband met eventueel vervolg strafzaak’ dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De advocaat-generaal verzoekt de vorderingen voor het deel dat niet zal worden toegewezen niet-ontvankelijk te verklaren zodat dit aan de civiele rechter kan worden voorgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de post ‘verblijfkosten’ dient te worden gematigd zoals dat rechtbank dat ook heeft gedaan. De posten ‘nog te ontvangen schadevergoeding (groot)vader’ en ‘affectieschade’ dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard conform de beslissing van de rechtbank, evenals de post ‘kosten in verband met eventueel vervolg strafzaak’. Voor het overige zijn de vorderingen inhoudelijk niet weersproken.

Oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat door de benadeelde partijen voor een groot deel dezelfde dan wel vergelijkbare schadeposten zijn ingediend, onder dezelfde schriftelijke en ter terechtzitting mondeling gegeven toelichting, zodat deze posten zich lenen voor een gezamenlijke bespreking.

Overgeboekte gelden en oplevering woning

De posten ‘overgeboekte gelden’ á € 8.042,- en ‘oplevering woning’ á € 30,48 zoals gevorderd door [naam benadeelde partij 1] komen voor vergoeding in aanmerking, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 8.042,- vanaf 21 april 2019 en over het bedrag van € 30,48 vanaf 8 juni 2019, telkens tot aan de dag van volledige vergoeding.

Nog te ontvangen schadevergoeding van (groot)vader

Het hof zal de post ‘nog te ontvangen schadevergoeding van (groot)vader’, zoals gevorderd door [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] , [naam benadeelde partij 4] en [naam benadeelde partij 5] afwijzen. Reden daarvoor is dat de schadevergoeding die de benadeelde partijen nog van hun vader dan wel grootvader zouden ontvangen in de boedel van de nalatenschap van [slachtoffer] valt. De benadeelde partijen hebben daarom voor wat betreft deze schadevergoeding een vordering op de nalatenschap en niet op verdachte.

Kosten van eventuele vervolgstrafzaak

De benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] en [naam benadeelde partij 3] zullen, zoals ook door hen is verzocht, voor de post ‘kosten van eventuele vervolgstrafzaak’ niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering. Dit betreft voor hen respectievelijk een bedrag van

€ 1.500,-, € 1.500,- en € 300,-.

Affectieschade

Door de advocaat van de benadeelde partijen is namens [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] en [naam benadeelde partij 3] aangevoerd dat deze benadeelde partijen als kinderen van [slachtoffer] recht hebben op het gevorderde (forfaitaire) bedrag aan affectieschade.

Op grond van artikel 6:107 tweede lid BW en artikel 6:108, vierde lid BW is het - voor zover hier van toepassing - mogelijk om als kinderen een (forfaitaire) vergoeding van affectieschade te vorderen indien sprake is van overlijden van een ouder door toedoen van een derde. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de wetswijziging waarbij deze regeling in het leven is geroepen overwogen dat in het geval van de relatie tussen ouders en kinderen het bestaan van een zeer nauwe band zodanig voor de hand ligt dat het onnodig is aanvullende eisen te stellen. Dit recht op toekenning van affectieschade vervalt in het geval dit, mede gelet op de relatie tussen de rechthebbende naaste en de overledene, zoals deze zich in de periode voorafgaand aan de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft ontwikkeld, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.

Het hof ziet in het dossier noch in het verhandelde ter zitting, waarbij in hoger beroep een inhoudelijke onderbouwing en toelichting is gegeven op dit onderdeel, aanwijzingen voor een situatie waarin zou moeten worden gesteld dat het in het geval van [slachtoffer] en zijn kinderen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou moeten worden geacht dat zijn kinderen affectieschade vergoed zouden krijgen. Deze post komt derhalve voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft voor [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] en [naam benadeelde partij 3] telkens een bedrag van € 17.500,-, ter vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2019.

Reiskosten, verblijfkosten en parkeerkosten

De posten ‘reiskosten’, ‘verblijfkosten’ en ‘parkeerkosten’ zijn namens de benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] en [naam benadeelde partij 3] gevorderd als materiele schade en niet als proceskosten. Het hof stelt vast dat deze kosten deels zien op kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt om de zittingen bij de rechtbank en het hof bij te wonen. Het hof zal deze posten voor dat deel overeenkomstig de thans geldende jurisprudentie van de Hoge Raad scharen onder proceskosten en de benadeelde partijen voor dat deel in de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Materiële schade

Voor wat betreft de vordering van [naam benadeelde partij 1] ziet een bedrag van € 1.065,22 op reiskosten, niet gemaakt ten behoeve het bijwonen van een zitting. Dit betreft materiele schade en zal worden toegewezen.

Voor wat betreft de vordering van [naam benadeelde partij 2] ziet een bedrag van € 379,86 op reiskosten, niet gemaakt ten behoeve het bijwonen van een zitting. Dit betreft materiele schade en zal worden toegewezen.

Conclusie vorderingen [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] en [naam benadeelde partij 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] en [naam benadeelde partij 3] als gevolg van het onder 1A subsidiair en/of 1B en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden tot na te melden bedragen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal de vordering van [naam benadeelde partij 1] toewijzen tot een bedrag van € 26.637,70 bestaande uit de post overgeboekte gelden € 8.042,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2019, kosten oplevering woning € 30,48 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2019, reiskosten (gemaakt niet ten behoeve van het bijwonen van een zitting) € 1.065,22, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2019, en affectieschade € 17.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2019.

De door [naam benadeelde partij 1] gevorderde schade voor een bedrag van € 1.450,- (nog te ontvangen schadevergoeding van vader) zal worden afgewezen en de benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.

Het hof zal de vordering van [naam benadeelde partij 2] toewijzen tot een bedrag van € 17.879,86, bestaande uit de post reiskosten (gemaakt niet ten behoeve van het bijwonen van een zitting) van € 379,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2019 en affectieschade

€ 17.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2019.

De door [naam benadeelde partij 2] gevorderde schade voor een bedrag van € 1.297,50 (nog te ontvangen schadevergoeding van vader) zal worden afgewezen en de benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.

Het hof zal de vordering van [naam benadeelde partij 3] toewijzen tot een bedrag van € 17.500, bestaande uit de post affectieschade € 17.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2019.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 3] zal voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze. Nu voldoening van het bedrag van de maatregel door verdachte (vooralsnog) illusoir zal zijn, gelet op de langdurige detentie en de daaropvolgende TBS met bevel tot verpleging, ziet het hof aanleiding de duur van de gijzeling telkens te bepalen op 1 dag.

Proceskosten

De proceskosten betreffen voor [naam benadeelde partij 1] een bedrag van € 1.648,81, bestaande uit

reiskosten á € 373,36, parkeerkosten van € 32,50 en verblijfkosten van € 1.242,95. Deze kosten zijn gemaakt voor het bijwonen van een zitting. De verblijfkosten zijn door en namens de benadeelde partij ter zitting van het hof nader toegelicht.

De proceskosten betreffen voor [naam benadeelde partij 2] een bedrag van € 1.631,13, bestaande uit

reiskosten á € 126,88 (eerste aanleg) en € 241,80 (hoger beroep), parkeerkosten van € 19,50 en verblijfkosten van € 1.242,95. Deze kosten zijn gemaakt voor het bijwonen van een zitting. De verblijfkosten zijn door en namens de benadeelde partij ter zitting van het hof nader toegelicht.

De proceskosten betreffen voor [naam benadeelde partij 3] een bedrag van € 235,75, bestaande uit

reiskosten á € 54,- (eerste aanleg) en € 98,80 (hoger beroep) en verblijfkosten van € 82,95. Deze kosten zijn gemaakt voor het bijwonen van een zitting. De verblijfkosten zijn door en namens de benadeelde partij ter zitting van het hof nader toegelicht.

Verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, dient te worden veroordeeld tot betalen van de proceskosten van de benadeelde partijen. Deze worden begroot op bedragen conform de gevorderde bedragen, nu het hof – mede gelet op de toelichting die daaromtrent ter zitting van het hof is gegeven – deze kosten redelijke kosten acht.

Conclusie vorderingen [naam benadeelde partij 4] en [naam benadeelde partij 5]

Het hof zal de vorderingen van [naam benadeelde partij 4] en [naam benadeelde partij 5] afwijzen. Nu de vorderingen van deze benadeelde partijen worden afgewezen, zullen zij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verdachte, tot op dit moment begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 55, 56, 57, 288, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1A primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A subsidiair, 1B en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1A subsidiair, 1B en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1A subsidiair, 1B en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van

€ 26.637,70 (zesentwintigduizend zeshonderdzevenendertig euro en zeventig cent) bestaande uit € 9.138,29 (negenduizend honderdachtendertig euro en negenentwintig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag

€ 1.450,00 (veertienhonderdvijftig euro) van materiele schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

1.648,81 (duizend zeshonderdachtenveertig euro en éénentachtig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1A subsidiair, 1B en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 26.637,70 (zesentwintigduizend zeshonderdzevenendertig euro en zeventig cent) bestaande uit € 9.138,29 (negenduizend honderdachtendertig euro en negenentwintig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente voor de materiële schade
over het bedrag van € 8.042,00 op 21 april 2019,
over het bedrag van € 30,48 op 8 juni 2019,

over het bedrag van € 1.065,22 op 30 april 2019.

Bepaalt de aanvangsdatum van de immateriële schade op 21 april 2019.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 A subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.879,86 (zeventienduizend achthonderdnegenenzeventig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 379,86 (driehonderdnegenenzeventig euro en zesentachtig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 1.297,50 (duizend tweehonderdzevenennegentig euro en vijftig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

1.631,13 (duizend zeshonderd eenendertig euro en dertien cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1A subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.879,86 (zeventienduizend achthonderdnegenenzeventig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 379,86 (driehonderdnegenenzeventig euro en zesentachtig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

30 april 2019

en van de immateriële schade op

21 april 2019.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 A subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

235,75 (tweehonderdvijfendertig euro en vijfenzeventig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1A subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 april 2019.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 4] , zoon van [naam benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 4] tot schadevergoeding af.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 5] , zoon van [naam benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 5] , zoon van [naam benadeelde partij 1] tot schadevergoeding af.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. A.J. Rietveld en mr. G. Souer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 11 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s die als bijlagen zijn opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 14 oktober 2019, 27 september 2019 en 20 februari 2020, genummerd 2019124728, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1956. Tenzij anders vermeld zijn dit processen-verbaal opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 P. 496

3 P.629

4 Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 18 juni 2019, [slachtoffer] betreffende, opgesteld door [naam 8] , arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, p. 1592

5 Aanvullend bericht d.d. 13 augustus 2019 inzake NFI-zaaknummer 2019.04.29.134, sectienummer 2019-092 (toevoeging hof: betreft aanvulling op pathologie onderzoek) betreffende [slachtoffer] , p. 617 en 618

6 P. 1474

7 P. 1453

8 Toxicologisch onderzoek d.d. 5 augustus 2019, opgesteld door [naam 9] , apotheker-toxicoloog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, p. 1630 en 1633

9 Rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijke overschot van [slachtoffer] in [plaatsnaam 1] op 28 april 2019 d.d. 14 februari 2020, opgesteld door [naam 10] , werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, p. 1871 en 1872

10 P. 1852

11 P832 t/m 838

12 P. 839 t/m 842

13 P. 849

14 P. 545

15 P. 545 t/m 546

16 P. 546 t/m 547

17 P. 547 t/m 548

18 P. 548

19 P. 549

20 P. 549

21 P. 550

22 P. 550

23 P. 588 en 591, 597, 599 en 602

24 P. 603

25 P. 1725

26 P. 1304 en 1305

27 P. 1549

28 P. 785

29 P. 798

30 P. 1038

31 P. 1787 en 1798

32 P. 1550

33 P. 956

34 P. 996 t/m 997

35 P. 999

36 P. 1013

37 P. 1001

38 P. 1002

39 P. 1021 t/m 1023

40 P. 1005 t/m 1006

41 P. 1914 t/m 1919 en 1923 t/m 1925

42 P. 279

43 Proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank d.d. 4 augustus 2020, p. 4

44 Verklaring van verdachte ter zitting bij het hof d.d. 15 april 2021

45 P. 90 en 91

46 P. 1934

47 P. 91 t/m 93

48 P. 102 en 104

49 P. 121

50 P. 162 en 171

51 P. 102