Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4514

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
20/00319
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:6354, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1230
NTFR 2021/1763
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 20/00319

uitspraakdatum: 11 mei 2021

Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 december 2019, nummer UTR 19/2901, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veenendaal (hierna: de heffingsambtenaar).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 17 te [Z] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2018 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2019 vastgesteld op € 225.000. Tegelijk met deze beschikking is voorts de aanslag onroerendezaakbelasting vastgesteld.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de vastgestelde waarde alsmede de opgelegde aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 19 december 2019, verzonden op 27 december 2019, ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar niet veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft op digitale wijze plaatsgevonden op 1 april 2021 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] en [B] , als de gemachtigden van belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar [C] , taxateur.

1.6

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

De onroerende zaak is een in 1975 gebouwde hoekwoning met aangebouwde berging en vrijstaande berging. De onroerende zaak heeft een gebruiksoppervlakte van 114 vierkante meter en is gelegen op een perceel van 145 vierkante meter.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum te hoog is vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en vermindering van de vastgestelde waarde tot op € 202.000 en tot een proceskostenveroordeling van de heffingsambtenaar.

3.3

De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van de onroerende zaak worden bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. In het onderhavige geval geldt als waardepeildatum 1 januari 2018.

4.2

De heffingsambtenaar dient, bij betwisting door belanghebbende, aannemelijk te maken dat de waarde van de onroerende zaak per de peildatum niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per die datum. Bij de beoordeling van de vraag of de heffingsambtenaar aan deze bewijslast heeft voldaan, moet acht worden geslagen op al hetgeen belanghebbende daartegen heeft ingebracht. De heffingsambtenaar heeft daartoe in hoger beroep onder meer verwezen naar een door hem overgelegde taxatiematrix opgesteld door [C] , taxateur, waarin de gerealiseerde verkoopprijzen en een aantal objectgegevens zijn opgenomen van een achttal referentieobjecten, die in de periode van 12 april 2017 tot en met 1 oktober 2018 zijn verkocht, te weten:

- [a-straat] 1 te [Z] , verkocht op 1 oktober 2018 voor € 232.500,

- [a-straat] 37 te [Z] , verkocht op 12 april 2017 voor € 200.000,

- [a-straat] 39 te [Z] , verkocht op 7 december 2017 voor € 202.000,

- [b-straat] 20 te [Z] , verkocht op op 1 november 2017 voor € 200.000,

- [b-straat] 22 te [Z] , verkocht op 11 augustus 2017 voor € 220.000,

- [b-straat] 28 te [Z] , verkocht op 15 juni 2018 voor € 227.000,

- [b-straat] 30 te [Z] , verkocht op 1 november 2017 voor € 239.000 en

- [b-straat] 38 te [Z] , verkocht op 3 augustus 2017 voor € 213.500.

4.3

Belanghebbende heeft een eigen taxatierapport overgelegd, opgemaakt door [D] , taxateur bij [E] . Daarin is de uitwerking vastgelegd van een opname van de onroerende zaak door [F] op 2 mei 2019. De onroerende zaak per waardepeildatum is in het rapport getaxeerd op € 202.000. In het door belanghebbende overgelegde taxatierapport zijn de volgende referentieobjecten opgevoerd:

- [a-straat] 39 te [Z] , geleverd op 7 december 2017 voor € 202.000,

- [b-straat] 20 te [Z] , geleverd op 1 november 2017 voor € 200.000 en

- [a-straat] 37 te [Z] , geleverd op 12 april 2017 voor € 200.000.

4.4

Het Hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of de heffingsambtenaar in het leveren van het bewijs is geslaagd, heeft te gelden dat hem een zekere vrijheid toekomt bij het opvoeren van referentieobjecten mits deze voldoende vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak. Naar het oordeel van het Hof stond het de heffingsambtenaar vrij de hiervoor – onder 4.2 - genoemde referentieobjecten op te voeren, indien en voor zover met de relevante verschillen ten opzichte van de onroerende zaak voldoende rekening is gehouden (zie ook hierna onder 4.8). De omstandigheid dat er ook andere transacties zijn geweest van vergelijkbare objecten doet aan het vorenoverwogene niet af. Het staat een belanghebbende evenwel vrij betere referentie-objecten aan te dragen. In het onderhavige geval heeft belanghebbende in het door hem overgelegde taxatierapport referentieobjecten opgevoerd, die ook door de heffingsambtenaar zijn gebruikt bij het onderbouwen van de waarde. De heffingsambtenaar heeft evenwel een ruimere selectie gemaakt, waardoor hij een beter inzicht in de waarde rond de waardepeildatum heeft gegeven.

4.5

Belanghebbende heeft gesteld dat de heffingsambtenaar bij de gehanteerde referentieobjecten in de beroepsfase wel inzicht heeft gegeven in de kwaliteit-, en onderhoudsniveau's binnen de waarde-opbouw, maar dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de verschillen in kwaliteit van een kwalificatie “gemiddeld” naar een kwalificatie “matig” worden verdisconteerd in de eenheidsprijs, waardoor de waardevaststelling van de onroerende zaak onvoldoende inzichtelijk zou zijn gemaakt. Het Hof stelt hierbij voorop dat de heffingsambtenaar in zijn taxatierapport in gevallen waarin hij dat aan de orde acht, gebreken in kwaliteit, onderhoud, enzovoorts, ten opzichte van het gemiddelde van de opgevoerde referentieobjecten, door middel van een aftrek op de eindwaarde tot uitdrukking brengt. Dat is, naar het oordeel van het Hof, in het onderhavige geval voldoende. Belanghebbende heeft te dien aanzien gesteld dat de in de taxatiematrix van de heffingsambtenaar in de door hem genoemde prijzen per m² de voor de desbetreffende referentieobjecten in aanmerking genomen aftrek voor afwijkend onderhoud, kwaliteit, enzovoorts, niet zijn begrepen. Belanghebbende bepleit, naar het Hof begrijpt, dat de prijzen voor de woonoppervlaktes van de opgevoerde referentieobjecten zouden moeten worden herrekend door eerst op de waarde van het hoofdgebouw – voor zover aan de orde – de bedoelde aftrekken in mindering te brengen en het geheel daarna te delen door het aantal m²’s, waardoor een lagere gemiddelde prijs per m² ontstaat, welke ook maatgevend zou moeten zijn voor de onroerende zaak. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt, reeds niet omdat in de door belanghebbende gesuggereerde werkwijze besloten ligt dat de specifieke gebreken van bepaalde referentieobjecten ook zouden doorwerken in de waarde van de onroerende zaak waar die gebreken, voor zover tot uitdrukking gebracht in de taxatiematrix, nu juist niet aan de orde zijn.

4.6

In de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix wordt een aan de onroerende zaak zowel voor wat betreft “kwaliteit” als voor wat betreft “voorzieningenniveau” een kwalificatie “gemiddeld” toegekend. Belanghebbende verbindt daaraan, naar het Hof begrijpt, de gevolgtrekking dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de kwaliteit en de gedateerdheid van de voorzieningen van de woning. Aan de kwaliteit van de woning is in het door belanghebbende overgelegde rapport een kwalificatie “matig” toegekend. Het rapport vermeldt dienaangaande: “Onderhoudstoestand en bouwkundige staat van het object zijn van af de binnen en buitenzijde beoordeeld. Deze zijn op het oog voldoende te noemen. Onderhavig object is afgewerkt met eenvoudige materialen. Keuken verkeerd in gedateerde staat en is toe aan vervanging. Woning is grotendeels voorzien van 'enkele' beglazing en voorzien van houten kozijnen. De beoordeling van de bouwkundige staat en de onderhoudstoestand van het object geldt als indicatie op basis van visuele waarneming, gerelateerd aan ouderdom van het object. Een uitgebreide bouwkundige keuring valt buiten het kader van deze taxatie.”.

4.7

Naar het oordeel van het Hof, heeft de heffingsambtenaar, die bij de beoordeling uitgegaan is van vergelijkbare hoekwoningen van hetzelfde bouwjaar, de in het door belanghebbende overgelegde taxatierapport gesignaleerde gebreken onderkend en daarmee voldoende rekening gehouden. De taxateur van de heffingsambtenaar heeft ter zitting van de Rechtbank toegelicht dat hij dit in de waarde heeft meegenomen. Ten aanzien van het referentieobject [b-straat] 20 heeft de heffingsambtenaar in zijn taxatiematrix opgemerkt dat deze woning enige aandacht behoeft op het gebied van schilderwerk - zowel aan de binnen als de buitenzijde - keuken en andere kleine afwerkingspunten. Er is bij dat referentieobject voorts sprake van een eenvoudige keuken en een "slordige" tuin. Naderhand is deze woning behoorlijk opgeknapt door een verbouwing waarbij op de begane grond een nieuwe keuken is gerealiseerd en groot nieuw kozijn aan de voorkant op de eerste verdieping. Naar het oordeel van het Hof, is dit referentieobject daarom minder geschikt om de waarde van de onroerende zaak mede te onderbouwen. De gemiddelde prijs van de woning van de overige referentieobjecten, zonder rekening te houden met de hiervoor – onder 4.5 – bedoelde individueel vastgestelde afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde, bedraagt € 1.317 per m². Aangezien de prijs van de woning bij de waardering van de onroerende zaak is uitgegaan van € 1.290 per m², is met de bedoelde gebreken in de onroerende zaak, naar het oordeel van het Hof, voldoende rekening gehouden.

4.8

De beschikte waarde op waardepeildatum is, zoals volgt uit het vorenoverwogene, niet te hoog vastgesteld. Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat het hoger beroep reeds gegrond moet worden verklaard, omdat de heffingsambtenaar niet al in de bezwaarfase de door hem opgevraagde gegevens (de kavelwaarde, de grondstaffel, en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van het onderhavige object en de opgevoerde referentieobjecten) heeft overgelegd, faalt dat betoog. Uit de nadien overgelegde gegevens, blijkt immers, zoals hiervoor is overwogen, dat de beschikte waarde niet te hoog is vastgesteld.

4.9

Belanghebbende heeft gesteld, ook als het hoger beroep ongegrond zou zijn, recht te hebben op een vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg. Daarvoor heeft hij aangevoerd dat hij in de bezwaarfase heeft verzocht om de taxatie van de heffingsambtenaar, zoals deze blijkt uit het taxatieverslag, inzichtelijk te maken. In het bezwaarschrift is op basis van artikel 40 van de Wet WOZ verzocht de kavelwaarde, de grondstaffel, en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van het onderhavige object en de opgevoerde referentieobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken. De heffingsambtenaar is niet ingegaan op dit verzoek noch voorafgaand aan de hoorzitting, noch in de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar daarom de aan de waardevaststelling ten grondslag liggende gegevens onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar heeft gemaakt, waardoor hij genoodzaakt was beroep in te stellen, zodat hij om die reden recht heeft op vergoeding van proceskosten.

4.10

In de tot de stukken van het geding behorende uitspraak op bezwaar van 19 juni 2019 schrijft de heffingsambtenaar onder meer:

De waarde in het economische verkeer van een woning komt op basis van een methode van systematische vergelijking tot stand. Hierbij wordt de waarde van het te waarderen object afgeleid van de verkoopcijfers van vergelijkbare objecten die op of rond de waardepeildatum verkocht zijn. Daarbij hoeft een vergelijkbaar object niet identiek te zijn aan het te waarderen object. Verschillen in waarderelevante kenmerken worden tot uitdrukking gebracht in de onderlinge waardeverhouding tussen het te waarderen object en de gehanteerde vergelijkingsobjecten.”.

4.11

In zijn verweerschrift in eerste aanleg van 17 september 2019 schrijft de heffingsambtenaar ten aanzien van het hiervoor – onder 4.9 – bedoelde verzoek van belanghebbende onder meer:

Na het indienen van het pro forma bezwaarschrift is een taxatieverslag opgestuurd. Dit verslag voldoet aan de minimale eisen die worden gesteld door de wet WOZ en de Waarderingskamer. Voor zover belanghebbende van mening is dat deze informatie onvolledig is dan betreft dit de landelijke regeling en wetgeving. De gemeente Veenendaal houdt zich aan de landelijk opgestelde regelgeving en heeft als zodanig aan de wettelijke eisen voldaan.”.

4.12

De heffingsambtenaar heeft, blijkens de door hem overgelegde taxatiematrix, bij de waardering van onroerende zaken in het kader van de Wet WOZ een grondstaffel gebruikt. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar desgevraagd verklaard dat de waardering van onroerende zaken in de gemeente Veenendaal in de beroepsfase door middel van de vergelijking met rekenkundig geanalyseerde verkoopcijfers van opgevoerde referentieobjecten modelmatig geschied. De gemachtigde van de heffingsambtenaar verklaarde voorts dat de desbetreffende gegevens in de bezwaarfase ook door hem zouden kunnen worden geraadpleegd, maar dat daarvoor om financiële redenen niet voor wordt gekozen.

4.13

Het Hof stelt in het onderhavige geschil voorop dat door belanghebbende in de bezwaarfase opgevraagde gegevens, waaronder de grondstaffels, als zij bestaan, behoren tot de stukken die zijn bedoeld in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zodat de heffingsambtenaar dat artikel heeft geschonden als hij die stukken, indien en voor zover deze bestaan, niet ter inzage wenst te leggen en weigert daarvan een afschrift te verstrekken.

4.14

Vaststaat dat de door belanghebbende verzochte stukken in de bezwaarfase, ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe zijdens belanghebbende, niet door de heffingsambtenaar in afschrift zijn verstrekt en/of ter inzage zijn gelegd. De heffingsambtenaar stelt enerzijds dat de opbouw van de kavelwaarde, de grondstaffel, en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van het onderhavige object en van de door de heffingsambtenaar opgevoerde vergelijkingsobjecten in de bezwaarfase niet beschikbaar waren en dat artikel 40 van de Wet WOZ de grondstaffel ook niet als zodanig noemt. Anderzijds heeft zijn gemachtigde ter zitting van het Hof verklaard als hiervoor – onder 4.12 – is weergegeven.

4.15

Indien en voor zover de heffingsambtenaar mede heeft willen betogen dat artikel 40 van de Wet WOZ een uitputtende regeling bevat over de openbaarmaking van gegevens die aan de waardebepaling ten grondslag liggen en dat de grondstaffels niet behoren tot de gegevens die op grond van deze bepaling moeten worden overgelegd, faalt dat betoog. De voorschriften uit de Awb over de beschikbaarstelling van de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de belanghebbende vormen een belangrijke waarborg dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan dat bestuursorgaan ter beschikking staan en hebben gestaan, zodat belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beslissing rekening kan houden (zie HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672, rechtsoverweging 3.4.1).

4.16

Indien en voor zover de heffingsambtenaar heeft willen betogen dat de gevraagde gegevens alleen behoeven te worden verstrekt als deze zijn neergelegd in een schriftelijk stuk en dat het in de bezwaarfase technisch niet mogelijk was de grondstaffels en de andere gevraagde gegevens te herleiden uit de door de heffingsambtenaar gehanteerde rekenkundige analyse van de verkoopcijfers van de opgevoerde referentieobjecten, heeft het volgende te gelden. Gegevens die worden opgeslagen, bewerkt, verwerkt of beheerd in systematische gegevensverzamelingen (databases) hebben in beginsel op de zaak betrekking voor zover zij van belang zijn voor, en voor het bestuursorgaan raadpleegbaar zijn met het oog op de aan de orde zijnde zaak. Deze gegevens vormen het op de zaak betrekking hebbende stuk, dat in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze ter beschikking moet worden gesteld (zie HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672, rechtsoverwegingen 3.4.3 en 3.4.4). Daarom volgt het Hof de heffingsambtenaar niet voor zover hij uitgaat van de opvatting dat een stuk in de zin van artikel 7:4, lid 2, Awb slechts betrekking kan hebben op gegevens die in papieren vorm zijn vastgelegd.

4.17

Indien en voor zover de heffingsambtenaar heeft willen betogen dat de in artikel 7:4, lid 2, van de Awb opgenomen verplichting tot het ter inzage leggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken zich niet kan uitstrekken tot informatie die het bestuursorgaan zelf niet kan raadplegen, is dat op zichzelf terecht. Indien echter een door het bestuursorgaan genomen besluit geheel of ten dele het resultaat is van een geautomatiseerd proces - zoals de modelmatige waardebepaling in het kader van de uitvoering van de Wet WOZ – en de belanghebbende de juistheid van de bij dat geautomatiseerde proces gemaakte keuzes en van de daarbij gebruikte gegevens en aannames wil controleren en zo nodig gemotiveerd betwisten, moet het bestuursorgaan zorgdragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van die keuzes, aannames en gegevens. Zonder die inzichtelijkheid en controleerbaarheid dreigt een ongelijkwaardige procespositie van partijen te ontstaan. Een belanghebbende kan in geval van besluitvorming op basis van een computerprogramma dat vanuit zijn perspectief is te beschouwen als een zogenoemde "black box" immers niet controleren op basis waarvan tot een bepaald besluit wordt gekomen (vgl. Afdeling Bestuursrechtspraak RvS 17 mei 2017, nrs. 201600614 e.a., ECLI:NL:RVS:2017:1259, AB 2017/91, rechtsoverweging 14.3). Dit heeft ook te gelden indien die informatie (nog) niet is neergelegd in op de zaak betrekking hebbende stukken (vgl. HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316).

4.18

Naar het oordeel van het Hof, zijn de door belanghebbende in de bezwaarfase opgevraagde gegevens als - onder 4.9 - hiervoor bedoeld, het resultaat van de hiervoor bedoelde keuzes, aannames en gegevens. Dat klemt te meer daar de heffingsambtenaar in de beroepsfase wel over deze gegevens kon beschikken en een matrix, waarin die gegevens zijn verwerkt, heeft overgelegd. Niet valt in te zien dat dat in de bezwaarfase onmogelijk was. De verklaring van de gemachtigde van de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof onderschrijft dat oordeel. Naar het oordeel van het Hof, had de heffingsambtenaar ook reeds in de bezwaarfase moeten zorgdragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van de beschikte waarde.

4.19

Aangezien belanghebbende zich, gelet op het vorenoverwogene, pas in beroep, nadat de gevraagde gegevens waren verstrekt, een gefundeerd oordeel heeft kunnen vormen over de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde, is, naar het oordeel van het Hof een proceskostenveroordeling aangewezen (vgl. CRvB 24 september 2014, nr. 13‑190 WMO, ECLI:NL:CRVB:2014:3123, AB 2015/43). Nu het hoger beroep ter zake van de WOZ-waarde ongegrond is, zijn er geen termen de kosten van het in beroep overgelegde taxatierapport te vergoeden.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 punten (het beroepschrift en het verschijnen ter zitting van de Rechtbank)  wegingsfactor 1  € 534 = € 1.068 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase en op 2 punten (het hogerberoepschrift en het verschijnen ter zitting van het Hof)  wegingsfactor 1  € 534 = € 1.068 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de hogerberoepsfase, in totaal derhalve € 2.136.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het betreft het oordeel over de proceskosten,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.136,

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 47 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 131 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2021

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

De raadsheer,

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 mei 2021

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.