Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4497

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
200.280.990
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verbroken samenwoning. Van wie is de auto?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.280.990

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 367242)

arrest in kort geding van 26 januari 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. G.M. Koert,

en

[geïntimeerde] ,

wonende [B] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. F. van den Heuvel.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 1 juli 2020 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, tussen [appellant] als eiseres en gedaagde in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde en eiser in reconventie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 17 juli 2020 met grieven (en met producties),

- de memorie van antwoord van 8 september 2020 (met producties),

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 december 2020. Hierbij is akte verleend van de stukken (producties 20 en 21) die door mr. Van den Heuvel namens [geïntimeerde] zijn ingebracht.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.12 van het vonnis van 1 juli 2020.

4. Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de vorderingen in hoger beroep

4.1.

[appellant] en [geïntimeerde] hebben samengewoond in de woning van [geïntimeerde] in [B] . In juni 2019 is die samenwoning geëindigd. [appellant] is toen naar [A] verhuisd. Ten tijde van de samenwoning gebruikte [appellant] een Fiat Punto. Deze was op 26 januari 2018 gekocht waarbij [geïntimeerde] (met zijn geld) de koopprijs heeft betaald. De auto stond op naam van [appellant] en zij betaalde en betaalt de wegenbelasting (motorrijtuigenbelasting) en de verzekeringspremie voor die auto. Op 2 december 2019 heeft [geïntimeerde] , die over de reservesleutel van de auto beschikte, deze meegenomen. Tot op heden heeft hij de Fiat Punto in zijn bezit.

4.2.

Met een dagvaarding van 4 juni 2020 heeft [appellant] in kort geding gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om genoemde Fiat Punto aan haar af te geven alsmede een aantal zaken die volgens [appellant] van haar zijn en niet door [geïntimeerde] worden afgegeven, op straffe van een dwangsom, subsidiair heeft zij vervangende schadevergoeding gevorderd. [geïntimeerde] heeft van zijn kant (in reconventie) gevorderd dat [appellant] de autopapieren en tweede sleutel van de Fiat Punto aan hem afgeeft. Daarnaast heeft hij schadevergoeding gevorderd wegens de schade die hij als eigenaar van de auto heeft geleden doordat [appellant] een op 26 september 2019 ontstane schade aan de auto ondeugdelijk heeft laten repareren en daarnaast een vergoeding voor de door [appellant] met de Fiat Punto gereden kilometers.

4.3.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] grotendeels afgewezen en [geïntimeerde] alleen veroordeeld om vijf dozen met kleding aan [appellant] af te geven op straffe van een dwangsom. [appellant] is veroordeeld om de autopapieren en tweede sleutel aan [geïntimeerde] af te geven. De proceskosten zijn, gelet op de relatie tussen partijen, gecompenseerd.

4.4.

[appellant] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en heeft haar eis gewijzigd in die zin dat - voor zover hierna van belang – subsidiair (als de primaire vordering tot afgifte van de auto wordt afgewezen) ook wordt gevorderd dat [geïntimeerde] aan haar betaalt een bedrag van € 2.710,01. Dit is het totaal van de wegenbelasting en verzekeringspremie die zij vanaf januari 2018 tot 17 juli 2020 (datum dagvaarding) heeft betaald.

4.5.

[geïntimeerde] heeft zijn eis ook gewijzigd. Hij vordert in hoger beroep van zijn kant (ook) afgifte van een aantal zaken door [appellant] aan hem. Daarnaast vordert hij nu vergoeding van de kosten voor de huur van een garage om de auto in te stallen. Het bedrag van de schadevergoeding in verband met de reparatie is wat lager dan bij de rechtbank. Er is sprake van een zogeheten incidenteel hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Op de zitting van 15 december 2020 hebben partijen afspraken gemaakt over de zaken waarvan zij tegenover elkaar afgifte hebben gevorderd. Met die afspraken zijn de desbetreffende vorderingen ingetrokken, hetgeen is vastgelegd in het proces-verbaal van deze zitting. Dat betekent dat nu allereerst voorligt de vraag of de Fiat Punto aan [appellant] moet worden afgegeven of dat [appellant] de autopapieren en tweede sleutel van deze auto aan [geïntimeerde] moet geven. Partijen hebben, dit is een vereiste voor een beslissing in kort geding, een spoedeisend belang bij een beslissing over de Fiat Punto. Daarbij draait het om de vraag wie eigenaar van de auto is. Omdat dit een kort geding is, zal het hof zich eerst een voorlopig oordeel vormen van de feiten (en het daarop toe te passen recht) en vervolgens beoordelen of gelet op de belangen van [appellant] en [geïntimeerde] de gevraagde voorlopige voorziening moet worden gegeven.

5.2.

Voordat de Fiat Punto werd gekocht gebruikte [appellant] de Ford Focus van [geïntimeerde] . Deze auto is op enig moment op naam van [appellant] gezet. Volgens [geïntimeerde] is dat gebeurd omdat hij wegens een rijontzegging anders een hoge verzekeringspremie voor deze Ford Focus moest betalen. Hij heeft deze stelling onderbouwd met het overleggen van een aantal WhatsApp berichten.1 [appellant] heeft hierop niet inhoudelijk gereageerd zodat het hof hiervan uitgaat.

Op of omstreeks 26 januari 2018 is de Fiat Punto gekocht. Deze auto is betaald met geld van [geïntimeerde] . Daar zijn partijen het over eens. Volgens [appellant] heeft zij deze auto gekocht (dagvaarding in hoger beroep onder 6) danwel (haar verklaring op de zitting bij het hof) heeft zij deze van [geïntimeerde] cadeau gekregen.

De Fiat Punto die diende ter vervanging van de Ford Focus is betaald met geld van [geïntimeerde] . Daar zijn partijen het over eens. Wat betreft de schenking heeft [appellant] op de zitting bij het hof gezegd dat partijen samenwoonden, zij ook dingen in het huis betaalde en zij aan [geïntimeerde] ook wel eens dure cadeaus gaf (zij het geen cadeaus van EUR 7.000) , zij voor hun zoon zorgde en het huis schoonmaakte. Zij vond het wel bijzonder dat zij een auto kreeg. [appellant] heeft anderzijds verklaard dat zij, toen hun op 9 november 2016 geboren zoon 7 of 8 maanden was, 32 uur is gaan werken en daarmee een eigen, inkomen had. Dat [appellant] in hoge mate bijdroeg aan de kosten van het huishouden en in het bijzonder de boodschappen heeft zij tegenover de betwisting van [geïntimeerde] niet aannemelijk gemaakt. De door [appellant] genoemde redenen voor de schenking van een auto van € 7.000 zijn, mede tegen de achtergrond van het door haar genoemde inkomen, zonder aanvullend bewijs niet voldoende om aan te nemen dat [geïntimeerde] de auto aan [appellant] heeft geschonken.

Het staat vast dat [appellant] weliswaar de verzekeringspremie en wegenbelasting van de auto betaalde (in totaal ongeveer € 100 per maand) maar ook dat zij vanaf de koop van de Fiat Punto de maandelijkse bijdrage van € 100 staakte. Aldus vormt deze betaling geen aanwijzing dat zij eigenaar is geworden.

Daar komt bij dat [appellant] in WhatsApp berichten aan zowel [geïntimeerde]2 – waarin onder meer staat ‘Als ik straks Mn eigen auto heb word t ook allemaal stuk beter’ – als aan een vriend van [geïntimeerde] meermalen te kennen gaf op zoek te zijn naar een nieuwe auto.3 Deze laatste berichten zijn in augustus, september en oktober 2020 verzonden.

[appellant] verklaart hierover dat zij dit deed om de boel een beetje te sussen en omdat zij niet wilde dat ‘ze’ bij haar aan de deur zouden staan. Het hof begrijpt dat er volgens [appellant] na de relatiebreuk sprake was van een dreigende situatie, dat zij van alle kanten werd bestookt en dat er om haar huis heen werd gelopen. Dat daar sprake van was, is niet met bewijsmiddelen onderbouwd of anderszins voldoende aannemelijk geworden. De door [appellant] overgelegde melding aan Veilig Thuis Gelderland-Midden4 heeft betrekking op een incident op 5 december 2019, dus na het wegnemen van de auto door [geïntimeerde] . De door [appellant] overgelegde app berichten van de zus van [geïntimeerde]5 zijn van 29 november 2019 en dus na de periode dat [appellant] tegenover [geïntimeerde] en diens vriend bericht dat zij op zoek gaat naar een auto en de berichten van [C] , een vriend van [geïntimeerde] , zijn niet bedreigend maar informerend. De overige door [appellant] overgelegde berichten (gericht aan haar moeder en een vriendin) bevatten geen datum.6 Bovendien is met de door [appellant] gegeven toelichting niet verklaard dat zij via WhatsApp aan een vriend van [geïntimeerde] om advies vraagt over de koop van een andere auto. Deze berichten passen wel bij de door [geïntimeerde] gegeven uitleg dat hij na en met het vertrek van [appellant] heeft toegestaan dat zij, ook ten behoeve van hun kind, de auto nog enige tijd mocht gebruiken teneinde haar vervoersproblemen op te lossen.

5.3.

Ten slotte de factuur van de verkoper. Deze is destijds op naam van [appellant] gezet. Dit doet er niet aan af dat [geïntimeerde] de auto heeft betaald en dat [appellant] na de verbreking van de relatie in diverse berichten aan heeft gegeven op zoek te gaan naar een andere auto. Bovendien is voldoende aannemelijk (5.2) dat de tenaamstelling van de Fiat Punto en de verzekering van die auto dezelfde reden had als destijds bij de Ford Focus. Aldus vormen de tenaamstellingen geen (voldoende) aanwijzing dat [appellant] heeft te gelden als eigenaar of dat [geïntimeerde] de auto aan [appellant] heeft geschonken.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat aannemelijk is dat [geïntimeerde] eigenaar van de auto is en dat hij deze aan [appellant] in bruikleen heeft gegeven. Het door [appellant] genoemde vermoeden dat zij eigenaar is omdat zij (na de relatiebreuk) bezitter van de auto was (artikel 3:109 en 119 BW), is daarmee in dit kort geding voldoende weerlegd.

5.4.

Als uitgangspunt geldt dat in deze kortgedingprocedure in het algemeen geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering. Er is niet voldoende gesteld of gebleken dat er in deze zaak redenen zijn om van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom aan het (nader) bewijsaanbod van [appellant] voorbij.

5.5.

Het bezwaar (grief) tegen de veroordeling van [appellant] om de autosleutel en autopapieren aan [geïntimeerde] te geven is, gezien het voorgaande, ongegrond. Daarbij is betrokken dat [geïntimeerde] een zwaarwegend spoedeisend belang heeft bij deze voorziening. Dit betekent dat ook de overige vorderingen van [appellant] terecht zijn afgewezen. Voor de in hoger beroep subsidiair gevorderde vergoeding van de door [appellant] (ter zake de Fiat Punto) betaalde motorijtuigen belasting en verzekeringspremie is geen (voldoende duidelijke) grondslag gesteld. Omdat aannemelijk is geworden (5.3) dat [geïntimeerde] de Fiat Punto, als eigenaar, in bruikleen heeft gegeven is er evenmin aanleiding om de gevraagde voorziening te geven. De vorderingen van [geïntimeerde] betreffende (i) de niet-deugdelijke reparatie en (ii) de vergoeding van stallingskosten worden afgewezen op grond van het volgende:

Ad (i) [geïntimeerde] heeft op de zitting erkend dat de reparatie van de auto mede op zijn initiatief is uitgevoerd door iemand op wiens werkwijze hij nu zelf kritiek heeft. Daarom valt niet in te zien dat de gestelde ondeugdelijke reparatie aan [appellant] kan worden toegerekend. Daar komt bij dat volgens hem tussen partijen is afgesproken dat het van het Waarborgfonds ontvangen bedrag dat na de reparatie nog resteerde bij [appellant] , zijnde ongeveer €700, zou worden verdeeld en dat hij deze € 350 niet heeft ontvangen (en niet heeft gevorderd).

Ad (ii) [appellant] heeft betwist dat de stallingskosten (huur van een garage) zijn gemaakt voor de stalling van de auto. Volgens haar wordt de garage meerdere jaren al gehuurd voor het bedrijf van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft zijn vordering hiertegenover niet toegelicht. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt waarom de Fiat Punto niet op zijn oprit – waar hij een tijdlang stond – kon blijven staan. Daarmee staat niet voldoende vast dat deze kosten een (noodzakelijk) gevolg zijn van het niet-afgeven van de tweede sleutel en de autopapieren. Voor nadere bewijslevering is, zoals uitgelegd onder 5.6, geen plaats.

6 De slotsom en de beslissing over de proceskosten

6.1.

De grieven van [appellant] (principaal hoger beroep) falen en de gewijzigde vorderingen van [geïntimeerde] (incidenteel hoger beroep) worden afgewezen. Het vonnis van de voorzieningenrechter van 1 juli 2020 wordt bekrachtigd. Het hof tekent hierbij aan dat [geïntimeerde] tegenover [appellant] gehouden is om de Fiat Punto zo spoedig mogelijk, uiterlijk 24 uur, na de ontvangst van die sleutel en autopapieren op zijn naam te zetten.

6.2.

Alhoewel dit niet in de vordering van [geïntimeerde] staat, begrijpt het hof dat hij wil dat [appellant] in de proceskosten wordt veroordeeld. Het hof ziet daarvoor geen grond. Allereerst geldt dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en deze rechtszaak hieruit voortvloeit. Daar komt bij dat beide partijen ( [appellant] in het principale en [geïntimeerde] in het incidentele hoger beroep) gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld. Daarom moeten partijen elk hun eigen (proces)kosten dragen.

7 De beslissing (in het principale en incidentele hoger beroep)

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter te Arnhem van 1 juli 2020;

verstaat dat [geïntimeerde] tegenover [appellant] gehouden is om de Fiat Punto zo spoedig mogelijk, uiterlijk 24 uur, na de ontvangst van de sleutel en autopapieren op zijn naam te zetten;

compenseert de proceskosten in die zin dat [appellant] en [geïntimeerde] elk hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Engberts, I. Brand en M.G. van ‘t Westeinde en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2021.

1 Productie 2 [geïntimeerde] .

2 Productie 6 van [geïntimeerde] .

3 Productie 15 [geïntimeerde] .

4 Productie 9 bij de dagvaarding in hoger beroep.

5 Productie 8 bij de dagvaarding in hoger beroep.

6 Productie 10 bij de dagvaarding in hoger beroep.