Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4477

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.258.712/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6 EVRM, vertaling stukken. De sanctiebeschikking is volledig in het Duits vertaald, uitgezonderd de omschrijving van de gedraging. Uit de wel vertaalde informatie op de beschikking kon de betrokkene voldoende afleiden om welke overtreding het ging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.258.712/01

CJIB-nummer

: 210406036

Uitspraak d.d.

: 10 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 28 februari 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 27,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 4 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 augustus 2017 om 12.00 uur op de Weselseweg in Venlo met het voertuig met het kenteken [YY-YY-000] .

2. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:

- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-

- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.

3. Van geen van deze situaties is hier sprake, nu de sanctie € 27,- bedraagt en de kantonrechter het beroep ongegrond heeft verklaard.

4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan geen oproeping voor de zitting te hebben ontvangen. Daarom moet het appelverbod buiten toepassing worden gelaten en de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd.

5. Het dossier bevat een brief van 16 januari 2019, waarin de gemachtigde wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 28 februari 2019. Bij gebreke van aangetekende verzending of een deugdelijke verzendadministratie bij de rechtbank blijkt niet of en wanneer deze oproepingsbrief aan de gemachtigde is verzonden. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigde behoorlijk in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de gemachtigde niet behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Daardoor is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv.

6. Onder verwijzing naar het arrest van dit hof van 12 juli 2018 (gepubliceerd op rechtspraak.nl. onder ECLI:NL:GHARL:2018:6402) wordt op grond van het voorgaande het appelverbod buiten toepassing gelaten. Het hoger beroep is ontvankelijk.

7. Het hof zal doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Nu de gemachtigde heeft aangegeven af te zien van een zitting, zal het hof de zaak echter afdoen op basis van de stukken in het dossier en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

8. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de hoorplicht is geschonden. De officier van justitie heeft ten onrechte afgezien van het horen op grond van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht. Er was verzocht om te worden gehoord en bij het opgeven van verhinderdata was ook aangegeven dat niet werd afgezien van het recht om te worden gehoord.

9. Dit verweer treft doel. Er doen zich geen gronden voor waarop van horen kon worden afgezien. In het licht van bestendige vaste rechtspraak van het hof behoeft dit geen nadere motivering. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

10. De gemachtigde voert tegen de inleidende beschikking aan dat op grond van artikel 6, derde lid aanhef en onder a, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een beschuldiging moet worden geuit in een taal die de betrokkene verstaat. De inleidende beschikking is wel in het Duits opgesteld, maar de beschuldiging is in het Nederlands. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde een kopie van de inleidende beschikking meegestuurd. Nu de inleidende beschikking in strijd is met artikel 6 van het EVRM, moet deze vernietigd worden.

11. Op grond van artikel 6 van het EVRM moet een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Uit de kopie van de inleidende beschikking volgt dat deze in de Duitse taal is opgesteld, met uitzondering van de omschrijving van de gedraging. Hoewel het uiteraard nog duidelijker was geweest als ook de omschrijving van de gedraging in het Duits was geweest, is het hof van oordeel dat de betrokkene uit de inleidende beschikking voldoende kon afleiden en begrijpen waarvan hij werd beschuldigd. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat op de inleidende beschikking onder meer de maximumsnelheid, de gemeten snelheid en de gecorrigeerde snelheid in de Duitse taal zijn aangegeven. Door middel van de toelichting achterop de beschikking, die door de advocaat-generaal is toegestuurd, kon de betrokkene begrijpen dat het hier een snelheidsovertreding betreft. Er is dan ook geen sprake van strijd met artikel 6 van het EVRM.

12. Voor het overige is geen verweer gevoerd tegen de inleidende beschikking. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.