Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4464

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
200.273.887/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is van rechtswege geëindigd in verband met haar samenleving met een ander. De vrouw moet de kosten van het recherche-onderzoek vergoeden. Elke partij draagt zijn eigen proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.273.887

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 166572)

beschikking van 6 mei 2021

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.C. Bosch te Dokkum,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.E. van Nimwegen te Delfzijl.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 13 november 2019 uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 11 februari 2020;

  • -

    het verweerschrift.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 28 januari 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2015 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Bij beschikking van 30 september 2015 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 30 september 2015 als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: de partneralimentatie) € 1.462,- per maand zal voldoen.

4 Het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man tot vaststelling van beëindiging van rechtswege van zijn bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw afgewezen.

4.2

De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven leggen het geschil in volle omvang opnieuw ter beoordeling aan het hof voor. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

- vast te stellen dat de alimentatieplicht van de man met ingang van 19 maart 2018 is geëindigd;

- de vrouw te veroordelen om over de periode vanaf 19 maart 2018 tot de datum van de einduitspraak van het hof de door de man betaalde partneralimentatie aan de man terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;

- de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 3.864,03 ter zake van recherchekosten van de man;

- de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 3.864,03 ter zake van eigen inzetkosten van de man;

- de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure en de procedure in eerste aanleg.

4.3

De vrouw voert verweer en zij verzoekt de man in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze te ontzeggen, althans de bestreden beschikking van 13 november

2019, al dan niet onder verbetering van de gronden, te bekrachtigen en de man te veroordelen in de kosten van beide instanties.

5 De overwegingen voor de beslissing

5.1

De man stelt dat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw van rechtswege is geëindigd, omdat de vrouw en de heer [B] (hierna: [B] ) samenleven (hebben samengeleefd) als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vrouw betwist dat er sprake is (geweest) van samenleven in de zin van voornoemd artikel.

5.2

Volgens artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

5.3

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is (geweest) van een samenwoning van de vrouw in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de vrouw en haar partner (1) een affectieve relatie van (2) duurzame aard bestaat die meebrengt dat zij (3) elkaar wederzijds verzorgen, (4) met elkaar samenwonen en (5) een gemeenschappelijke huishouding voeren (HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3603). Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in art. 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief wordt uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen. Hieruit vloeit onder meer voort dat de omstandigheid dat aan sommige voorwaarden voor de toepassing van art. 1:160 BW is voldaan, geen invloed heeft op de stelplicht en bewijslast ter zake van de andere voorwaarden van die bepaling (vgl. HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724). Tevens volgt uit het wettelijk systeem dat pas vanaf de dag van ontbinding van het huwelijk sprake kan zijn van een situatie als bedoeld in voormeld artikel. Het is aan de man om te stellen, en bij voldoende betwisting, te bewijzen dat aan ieder van de bovengenoemde vereisten is voldaan.

5.4

Het hof stelt voorop dat voor de beoordeling van de vraag of de alimentatieverplichting van de man is geëindigd niet relevant is of de vrouw en [B] inmiddels een andere invulling aan hun relatie geven en minder vaak bij elkaar verblijven zoals de vrouw heeft gesteld. Daarom zal het hof de situatie voorafgaand aan die door de vrouw gestelde wijziging beoordelen zoals deze blijkt uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken.

Verder stelt het hof nog het volgende voorop. De restrictieve uitleg brengt met zich dat de stelplicht van de alimentatieplichtige hoog is. Daarbij geldt dat de door de alimentatieplichtige gestelde feiten ook in voldoende mate moeten worden betwist door de alimentatiegerechtigde.

5.5

Op grond van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling is het hof van oordeel dat sprake is (geweest) van een samenwoning van de vrouw en [B] als bedoeld in artikel 1:160 BW.

Dat er sprake was van (samenleven in) twee woningen en dat zij ook wel alleen in hun woning verbleven, maakt dit oordeel niet anders.

Daarbij overweegt het hof dat het in het algemeen mogelijk is dat, bijvoorbeeld ter behoud van alimentatie, gekozen wordt voor een LAT-relatie, hetgeen dan rechtens is te respecteren. Hier heeft de man echter voldoende feiten gesteld om aannemelijk te maken dat sprake is van een situatie waarin de vrouw en [B] samenleefden als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW.

Het hof heeft hierbij de navolgende omstandigheden in aanmerking genomen waarbij het hof de verschillende criteria zoals hierboven genoemd onder 5.3 apart zal bespreken.

Duurzame affectieve relatie

5.6

Niet in geschil is dat de vrouw en [B] een duurzame affectieve relatie hebben zodat het hof daarvan uitgaat.

Samenwoning

5.7

Het hof is van oordeel dat de man voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat er tussen de vrouw en [B] sprake was van samenwonen omdat het volgende aannemelijk is gemaakt of, als zijnde gesteld en niet of onvoldoende betwist, is komen vast te staan:

  • -

    de vrouw en [B] brachten zeer veel tijd samen in één van hun woningen door, minimaal 59%. Een en ander heeft de man onderbouwd met observaties van het door de man ingeschakelde recherchebureau, de eigen ingebrachte observatieverslagen en whatsapp-berichten tussen partijen. Het hof neemt hier over hetgeen de rechtbank in haar overweging onder 4.6 heeft opgenomen. De door de rechtbank daar vastgestelde door de vrouw en [B] met elkaar doorgebrachte tijd heeft de vrouw in hoger beroep niet betwist;

  • -

    de vrouw en [B] konden in elkaars woning binnenkomen en hadden bij beide woningen elk een fiets;

  • -

    de vrouw en [B] verbleven in het huis van de ander wanneer de ander niet aanwezig was;

  • -

    de vrouw en [B] brachten de feestdagen en vakanties samen door en waren samen/hielpen samen bij klussen, tuinieren, onderhoud en huishoudelijke activiteiten van beide woningen;

  • -

    de vrouw en [B] waren gedurende meerdere periodes samen wanneer één van hen (langdurig) ziek was.

Voor zover de vrouw het bovenstaande heeft betwist, heeft zij dit niet gemotiveerd gedaan of heeft zij onvoldoende naar voren gebracht om de stellingen van de man niet aannemelijk te achten, nu zij dit niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld agenda’s, correspondentie, getuigenverklaringen of anderszins en daartoe evenmin een uitdrukkelijk bewijsaanbod heeft gedaan. Het hof overweegt daarbij dat het op de weg van de vrouw lag als meest gerede partij, ter motivering van haar betwisting, in voldoende mate inzicht te geven in de hiervoor bedoelde tijdsbesteding, nu dit omstandigheden zijn die primair de privacy-sfeer van de vrouw betreft.

Daarbij is van belang dat de vrouw op [A] werkte en daar haar woning had en dat [B] in [C] werkte waar hij zijn woning had, zodat de samen door te brengen tijd minder was dan gebruikelijk en de samen doorgebrachte tijd daarvan relatief een groter aandeel was.

Wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding

5.8

Het hof is van oordeel dat de man zijn standpunt dat er tussen de vrouw en [B] sprake was van wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding aannemelijk heeft gemaakt. Het hof overweegt dat de man zijn daartoe aangevoerde stellingen voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd en dat de vrouw deze niet of onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dan wel te weinig naar voren heeft gebracht om deze niet aannemelijk te achten.

Daarmee is het volgende komen vast te staan:

  • -

    de vrouw en [B] kopen boodschappen en koken maaltijden voor elkaar. Wanneer ze in [C] zijn koopt de man de boodschappen voor hen samen en wanneer ze op [A] zijn koopt de vrouw de boodschappen voor hen samen. Daarmee dragen zij over en weer bij in kosten van een gezamenlijke huishouding;

  • -

    de vrouw en [B] zorgen voor elkaar wanneer zij ziek zijn ook gedurende langere perioden;

  • -

    De vrouw en [B] doen gezamenlijk de huishouding, klussen en het onderhoud in en rond hun woningen.

De vrouw heeft niet met bewijsstukken, zoals bonnen, bankafschriften of huishoudaantekeningen waaruit blijkt dat zij alleen haar eigen kosten betaalt of dat zij en [B] gemaakte kosten voor de ander verrekenen, onderbouwd dat zij en [B] gescheiden financiën hadden en evenmin daartoe een uitdrukkelijk bewijsaanbod gedaan.

5.9

Op grond van het bovenstaande is er sprake (geweest) van samenleven van de vrouw en [B] als bedoeld in artikel 1:160 BW en is de verplichting van de man om alimentatie aan de vrouw te betalen geëindigd. De ingangsdatum 19 maart 2018 is als zodanig niet in geschil. Het hof zal daarom de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van de man op dit punt alsnog toewijzen. Ook het verzoek om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van het teveel betaalde aan alimentatie vermeerderd met rente is toewijsbaar.

De kosten van het rechercheonderzoek en de eigen inzetkosten van de man

5.10

De man verzoekt het hof de vrouw te veroordelen in de kosten van het recherchebureau van € 3.864,03 en de eigen inzetkosten van de man van € 3.864,03. Het hof zal het verzoek wat betreft de kosten van het recherchebureau als voldoende onderbouwd en niet betwist toewijzen, te vermeerderen met rente. Het verzoek tot veroordeling in de eigen inzetkosten van de man zal het hof als zijnde onvoldoende onderbouwd afwijzen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

13 november 2019, en opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank van 30 september 2015 en stelt vast dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van 19 maart 2018 is geëindigd;

veroordeelt de vrouw tot betaling van € 3.864,03 aan recherchekosten aan de man;

veroordeelt de vrouw om de over de periode van 19 maart 2018 tot heden ontvangen bijdragen van de man in de kosten van haar levensonderhoud aan de man terug te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2018;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, M.P. den Hollander en G.B.A. Brummer, bijgestaan door mr. M. Marsnerova, griffier en uitgesproken op 6 mei 2021 in het openbaar in aanwezigheid van de griffier.