Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4443

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.266.860/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet tegen dwangbevel. De kantonrechter bepaalt of een mondelinge behandeling van het verzet noodzakelijk is. Onder omstandigheden is het achterwege laten daarvan in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarvan is hier sprake, nu de betrokkene niet de gelegenheid heeft gehad te reageren op het schriftelijk commentaar van verweerder, terwijl de kantonrechter zijn beslissing daarop wel baseert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.266.860/01

CJIB-nummer

: 209104580

Uitspraak d.d.

: 6 mei 2021

Beschikking op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De tussenbeschikking

De inhoud van de tussenbeschikking van 20 oktober 2020 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De zaak is behandeld ter zitting van 22 april 2021. De betrokkene is verschenen. Hij wordt bijgestaan door de heer [B] .
De Minister is vertegenwoordigd door mevrouw [C] en mevrouw [D] .

De beoordeling

1. In de tussenbeschikking van 20 oktober 2020 heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld om zekerheid te stellen en griffierecht te betalen.

2. Bij brief van 3 november 2020 heeft de griffier van de rechtbank aan de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling griffierecht te betalen. In deze brief staat tevens vermeld dat nog een nota voor de betaling van het griffierecht aan de betrokkene wordt toegezonden. Aan de hand van een recent zaakoverzicht dat door de griffier van het hof bij het CJIB is opgevraagd, constateert het hof dat er in de onderhavige zaak op 10 november 2020 een bedrag € 409,- aan zekerheidstelling is ontvangen en € 324,- aan griffierecht. Het hoger beroep is ontvankelijk.

3. Het hof heeft in de tussenbeschikking van 20 oktober 2019 om de daarin genoemde redenen overwogen dat de beschikking van kantonrechter d.d. 18 juli 2019 geen stand kan houden. Ter beoordeling van het hof staat het beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van 4 december 2019. De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene bij beschikking van 4 december 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig is ingesteld.

4. De betrokkene voert onder meer aan dat hij geen oproep voor de zitting van de kantonrechter heeft ontvangen.

5. Artikel 26, zesde lid, derde volzin, van de Wahv bepaalt, voor zover van belang, dat de kantonrechter op het verzetschrift beslist “na zo nodig degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd te hebben gehoord, althans opgeroepen om te verschijnen.”

6. De wetgever heeft in beginsel aan de kantonrechter ter beoordeling overgelaten of, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, een mondelinge behandeling van de zaak aangewezen is. Dat neemt niet weg dat beginselen van een behoorlijke procesorde onder omstandigheden in de weg kunnen staan aan een afdoening van de zaak zonder dat de betrokkene is gehoord, althans is opgeroepen, bijvoorbeeld indien de betrokkene, uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling heeft verzocht (Hoge Raad 15-11-1994, VR 1995, 91). Ook indien de officier van justitie op het verzetschrift heeft gereageerd door toezending aan de rechtbank van een schriftelijk commentaar, brengen beginselen van behoorlijke procesorde mee dat de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld niet alleen kennis te nemen van dat commentaar doch ook om daarop, schriftelijk dan wel mondeling, te reageren (Hoge Raad 13-7-1999, VR 1999, 200).

7. Bij brief van 26 juni 2018 heeft de griffier van de rechtbank aan de betrokkene meegedeeld dat de betaling van het griffierecht is ontvangen en dat een kopie van het bezwaarschrift ter commentaar is doorgezonden naar het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden en dat de betrokkene nader zal worden bericht.

8. De rechtbank heeft, zo volgt uit de stempel op het stuk, het commentaar van het CJIB op

24 juli 2018 ontvangen.

9. Uit het dossier en uit de beslissing van de kantonrechter blijkt niet dat de betrokkene is opgeroepen om ter zitting van de kantonrechter te worden gehoord. Ook is de betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op het commentaar van de officier van justitie terwijl de kantonrechter de bestreden beslissing mede heeft doen steunen op door de officier van justitie in dat commentaar gestelde feiten en omstandigheden. Het in de bestreden beslissing besloten liggende oordeel van de kantonrechter dat een mondelinge behandeling niet nodig is, geeft blijk van schending van het recht. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof gaat doen wat de kantonrechter had behoren te doen en het verzet tegen het dwangbevel beoordelen.

10. Ingevolge artikel 26, derde lid, van de Wahv dient een verzetschrift binnen een termijn van twee weken na de betekening van het dwangbevel te worden ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd.

11. Het dwangbevel is in de onderhavige zaak op 18 mei 2018 aan de betrokkene betekend. Het verzetschrift had derhalve voor 2 juni 2018 ingediend moeten worden. Het verzetschrift is eerst op

18 juni 2018 ingediend. Het verzetschrift is niet tijdig ingediend.

12. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.

13. De betrokkene voert in zijn verzetschrift en ter zitting bij het hof aan dat hij dacht dat de zaak al was afgehandeld. Direct na ontvangst van het dwangbevel heeft de betrokkene samen met zijn schoonvader per e-mail contact opgenomen met de deurwaarder. Hij ging er toen vanuit dat hiermee de zaak was rechtgezet. Daarna heeft hij nog een paar keer contact gehad met de deurwaarder en met het CJIB. Door de discussie met het CJIB en met de deurwaarder heeft hij te laat verzet ingesteld.

14. Het hof is van oordeel dat hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd niet leidt tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Dat de betrokkene er na ontvangst van het dwangbevel ten onrechte vanuit is gegaan dat de onderhavige zaak al was voldaan, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn rekening dienen te komen. Dat de betrokkene er voor heeft gekozen om, in reactie op het dwangbevel, slechts contact op te nemen met de deurwaarder en diens verdere berichten af te wachten, en daarmee de termijn voor het instellen van verzet heeft laten verstrijken, dient eveneens voor eigen rekening te komen. Het valt niet in te zien waarom de betrokkene niet tevens (tijdig) verzet, de aangewezen weg om op te komen tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, heeft ingesteld.

15. Het hof zal gelet op het voorgaande het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het uitgevaardigde dwangbevel niet-ontvankelijk verklaren.

16. Ter zitting bij het hof heeft de betrokkene nog verzocht om een proceskostenvergoeding. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

17. Het hof ziet niettemin aanleiding om het in hoger beroep betaalde griffierecht aan de betrokkene te doen restitueren

18. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikkingen van de kantonrechter van 18 juli 2018 en 4 december 2018;

verklaart het verzet van de betrokkene niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af;

bepaalt dat het door de betrokkene op de voet van artikel 26a Wahv betaalde griffierecht, te weten een bedrag van € 324,-, door de griffier van de rechtbank aan hem wordt gerestitueerd.

Deze beschikking is gegeven door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.