Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4378

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.264.681/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzendadministratie rechtbank. Aan de hand van ondertekende verklaringen van medewerkers is de verzending van de oproepingsbrief aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.264.681/01

CJIB-nummer

: 214252416

Uitspraak d.d.

: 4 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 7 juni 2019, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene betwist de ontvangst van de oproeping voor de zitting van de kantonrechter.

2. Het dossier bevat een brief van 3 mei 2019 van de griffier van de rechtbank, met kenmerk 7576572 BR VERZ 19-184, Reg.nr/CJIB.nr: NK2334/214252416, waarin de gemachtigde wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 7 juni 2019. Het dossier bevat verder een ‘proces-verbaal van aanbieding en overhandiging van een envelop’. Dit proces-verbaal bevat drie ondertekende verklaringen. Het volgende wordt verklaard:

“Heden, 3 mei 2019 om 14:55 uur is door mij, [B] , werkzaam bij de rechtbank Gelderland, team Strafrecht aan (het hof begrijpt: voor) de medewerker werkzaam op de postkamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem, klaargelegd een envelop voor Salus Juridische Diensten B.V., mr. J. van Gemert, Postbus 6550, 6503 GB Nijmegen, met in de linkerbovenhoek onder het logo van de Rechtspraak de vermelding: 2019, week 18, nummer 1. In die envelop zitten de stukken vermeld op de zich in de envelop bevindende inventarislijst, waarvan een afschrift aan dit proces-verbaal is gehecht.”

“Heden, 3 mei 2019 om 15:15 uur, heb ik, [C] , werkzaam op de postkamer van de Rechtbank Gelderland te Arnhem de bovengenoemde envelop van [B] in ontvangst genomen.”

“Heden, 3 mei 2019, om 16:30 uur, heb ik, [C] , werkzaam op de postkamer van de Rechtbank Gelderland te Arnhem de bovengenoemde envelop overhandigd aan een medewerker van PostNl.”

3. Het dossier bevat verder de hiervoor genoemde inventarislijst. Op deze inventarislijst 2019, week 18, nummer 1, worden twee stukken vermeld: oproeping + kopie dossier, zitting van 7 juni 2019 Arnhem, BR 19-184/894 en oproeping + kopie dossier, zitting 14 juni 2019, BR 19-329/959.

4. Naar het oordeel van het hof is op grond van deze stukken aannemelijk geworden dat de oproepingsbrief op 3 mei 2019 naar de gemachtigde is verzonden.

5. Het ligt op de weg van de gemachtigde om de ontvangst van de brief op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Daarin is hij niet geslaagd. De enkele ontkenning van de ontvangst van de stukken is daartoe onvoldoende. Het verweer dat de gemachtigde niet (behoorlijk) is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter treft geen doel.

6. De gemachtigde voert verder aan dat de hoorplicht is geschonden door de officier van justitie.

7. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft namens de betrokkene administratief beroep ingesteld. Bij brief van 2 oktober 2018 wordt de gemachtigde de mogelijkheid geboden telefonisch een toelichting te geven. De gemachtigde is via een meegestuurd retourformulier gevraagd om aan te geven in welke van de genoemde zaken, waaronder de onderhavige zaak, hij gehoord wil worden en wanneer (30 oktober 2018 of 2 november 2018). Bij brief van 30 oktober 2018 heeft de gemachtigde aangegeven dat, anders dan eerder bericht, de hoorzitting niet op 2 november 2018 kan plaatsvinden in verband met ziekte en wordt verzocht om de hoorzitting te verplaatsen. Bij brief van 12 november 2018 wordt de gemachtigde nogmaals de mogelijkheid geboden een telefonische toelichting te geven. De gemachtigde is wederom via een meegestuurd retourformulier gevraagd om aan te geven in welke van de genoemde zaken, waaronder de onderhavige zaak, hij gehoord wil worden en wanneer (11 december 2018 of 14 december 2018). Bij brief van 26 november 2018 geeft de gemachtigde aan dat hij verhinderd is op 11 en 14 december 2018 in verband met reeds gemaakte afspraken. Hij verzoekt om in overleg een andere datum voor de hoorzitting te bepalen voor de tweede helft van december. In de beslissing van de officier van justitie is overwogen dat is afgezien van het horen van de gemachtigde omdat de gemachtigde heeft aangegeven verhinderd te zijn voor de laatste mogelijkheid om te worden gehoord. Het beroep wordt vervolgens kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

8. Naar het oordeel van het hof mocht de officier van justitie niet afzien van een hoorzitting. Het beroep is niet kennelijk – dat wil zeggen aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is - niet-ontvankelijk. Uit het ingediend beroepschrift blijkt niet wat de reden van de termijnoverschrijding is, zodat de gemachtigde tijdens het horen in de gelegenheid had moeten worden gesteld om de oorzaken van de termijnoverschrijding toe te lichten, om na te gaan of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat de gemachtigde zich twee keer heeft afgemeld voor de aangeboden mogelijkheid om op een hoorzitting te worden gehoord, kan niet worden gezien als een verklaring dat geen gebruik wordt gemaakt van het recht te worden gehoord. De gemachtigde heeft telkens verzocht om een hoorzitting op een andere datum. Het hof leidt uit voormelde gang van zaken verder af dat de aangeboden hoorzitting geen doorgang heeft gevonden. Dit blijkt ook uit het feit dat er geen verslag van de hoorzitting is gemaakt. De gemachtigde is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. De vraag of de officier van justitie de gemachtigde voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord, kan eerst aan de orde komen als de hoorzitting doorgang had gevonden. De hoorplicht is geschonden. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

9. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.

10. De inleidende beschikking is op 13 februari 2018 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 27 maart 2018. Het beroepschrift is gedateerd 3 april 2018. Uit een stempel blijkt dat het op 4 april 2018 door de officier van justitie is ontvangen.

11. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene zelf beroep heeft ingesteld alvorens de zaak op een later moment aan de gemachtigde over te dragen. De officier van justitie zou over dat tijdige, per post ingediende beroepschrift moeten beschikken.

12. Uit het dossier blijkt niet dat binnen de beroepstermijn een beroepschrift van de betrokkene zelf is ontvangen. Als een beroepschrift per gewone post wordt verstuurd, is er geen verzendbewijs. Dat risico ligt bij de verzender. Als er geen beroepschrift is ontvangen, zal de verzender op een andere manier moeten aantonen dat het beroepschrift op tijd is verzonden. De gemachtigde heeft dat niet gedaan. De gemachtigde heeft zijn stelling niet onderbouwd. Er wordt daarom uitgegaan van het beroepschrift dat op 4 april 2018 is ontvangen.

13. Het administratief beroep is dan ook niet tijdig ingesteld. Er is niet gebleken dat dit verschoonbaar is. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking daarom niet-ontvankelijk verklaren.

14. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.