Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4352

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.251.990/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zekerheidstelling. Als een draagkrachtverweer is gevoerd en alsnog zekerheid wordt gesteld voordat daarvoor een nieuwe termijn is gegeven, moet de kantonrechter oordelen dat de termijnoverschrijding niet aan de betrokkene kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.251.990/01

CJIB-nummer

: 205177423

Uitspraak d.d.

: 4 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 5 december 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet binnen de gestelde termijn zekerheid is gesteld voor het volledige bedrag van de administratieve sanctie en administratiekosten.

2. De gemachtigde van de betrokkene voert - kort samengevat - aan dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De kantonrechter heeft het draagkrachtverweer kennelijk verworpen. Ten onrechte heeft de kantonrechter geen termijn verleend.

3. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen.

4. Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of verlaagt hij het bedrag tot nihil en behandelt de zaak inhoudelijk. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.

5. Uit het dossier blijkt het volgende. In zijn beroepschrift aan de kantonrechter heeft de gemachtigde namens de betrokkene aangevoerd dat de betrokkene thans onvoldoende financiƫle middelen heeft om (tijdig) zekerheid te stellen. De kantonrechter heeft de zaak op 21 november 2018 op een zitting behandeld. Op de zitting is de gemachtigde verschenen.

6. De kantonrechter heeft het verweer dat door de betrokkene om financiƫle redenen niet of niet binnen de termijn zekerheid kan worden gesteld tot het totale verlangde bedrag, niet behandeld op de wijze als hiervoor onder 4 omschreven. Het hof begrijpt de beslissing van de kantonrechter aldus dat hij niet alleen het draagkrachtverweer ongegrond heeft geacht, maar voorts ook dat hij het niet tijdig stellen van zekerheid niet verschoonbaar heeft geoordeeld. Deze laatste beslissing kan in geval een draagkrachtverweer is gevoerd echter slechts worden gegeven als geen zekerheid is gesteld voor het einde van de door de kantonrechter gegeven termijn om alsnog zekerheid te stellen. Nu in casu al zekerheid is gesteld voordat de kantonrechter tot het stellen van een nadere termijn heeft beslist, is van zodanige situatie geen sprake. Dit brengt mee dat de kantonrechter het niet tijdig stellen van zekerheid verschoonbaar had moeten achten.

7. De beslissing van de kantonrechter dient gelet hierop te worden vernietigd en de zaak moet, gelet op artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, worden teruggewezen naar de rechtbank.

8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij de inleidende beschikking vernietigt dan wel deze wijzigt voor wat betreft het sanctiebedrag, de feitcode of de omschrijving van de gedraging en besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen. Dat betreft als kosten van rechtsbijstand de indiening van een hoger beroepschrift (1 procespunt). Het gewicht van de zaak in hoger beroep is licht (wegingsfactor 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.