Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4339

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
200.273.821
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie in vorm eenmalig bedrag? Zijn de huwelijkse voorwaarden (‘koude uitsluiting’) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Artikel 1:156 BW; artikel 6:248 BW en artikel 3:12 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.273.821/01 en 200.273.867

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 475182)

beschikking van 4 mei 2021

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.821/01,

verweerder in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.867,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.J. de Raadt te Bussum,

en

[de vrouw] ,

wonende te [B] ,

verzoekster in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.867,

verweerster in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.821/01,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 10 december 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    een journaalbericht van mr. De Raadt van 21 januari 2021 met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Du Bois van 11 maart 2021 met productie.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 10 december 2020, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

Partneralimentatie

2.2

In de tussenbeschikking van 10 december 2020 heeft het hof de aanvullende behoefte van de vrouw aan door de man te betalen partneralimentatie vastgesteld op € 2.161,- netto per maand of € 3.418,- bruto per maand. De ingangsdatum van de partneralimentatie is 19 februari 2020. Het hof heeft overwogen dat het nog onvoldoende informatie heeft om de draagkracht van de man te kunnen vaststellen. Het hof heeft de man daarom bevolen om te overleggen:

  • -

    een gedocumenteerd overzicht van de onroerende goederen die de man in eigendom heeft, met vermelding van de WOZ-waarde van deze goederen, de huurstaat, de werkelijke huurinkomsten en de daaraan verbonden kosten in 2019 en 2020;

  • -

    een nadere toelichting van de betekenis van (de verhuur van) deze onroerende goederen voor de draagkracht van de man; en

  • -

    de jaarrekeningen van [C] B.V. over 2017, 2018 en 2019;

en om antwoord te geven op de vraag in hoeverre de reserves in [C] B.V. redelijkerwijs voor uitkering vatbaar zijn, rekening houdend met artikel 2:216 BW en de daarin vervatte balans- en uitkeringstest. Het hof heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de door de man overgelegde stukken en toelichting.

2.3

De man heeft wel een aantal stukken overgelegd, maar heeft niet aan de opdracht voldaan. Zo ontbreken een voldoende gedocumenteerd overzicht van de huurinkomsten en daaraan verbonden kosten en een antwoord op de vraag naar de (on)mogelijkheid reserves in [C] B.V. uit te keren. Daarmee heeft de man het hof nog altijd niet voldoende inzicht geboden in zijn inkomens- en vermogenspositie om zijn draagkracht voor partneralimentatie te kunnen vaststellen.

De vrouw heeft gesteld dat de man voldoende draagkracht heeft om in haar aanvullende behoefte te voorzien. Die stelling heeft zij onder meer onderbouwd door te wijzen op de mogelijkheden van de man om vermogen te gelde te maken en om geld uit de BV op te nemen, waarvoor op het eerste oog voldoende liquide middelen aanwezig lijken te zijn. Het lag op de weg van de man om deze onderbouwde stelling gemotiveerd te betwisten. Dat heeft hij gelet op het voorgaande niet gedaan. Het hof moet daarom aannemen dat de man voldoende draagkracht heeft om een partneralimentatie van € 3.418,- per maand aan de vrouw te voldoen.

Partneralimentatie als som ineens

2.4

De vrouw verzoekt het hof primair om de door de man te betalen partneralimentatie vast te stellen in de vorm van een eenmalig bedrag van € 720.000,-. Naar het oordeel van het hof is niet uitgesloten dat de rechter die een uitkering tot levensonderhoud in de zin van artikel 1:156 lid 1 BW toekent dat doet in de vorm van een som ineens. Met het begrip ‘uitkering’ in deze bepaling zal vooral een periodieke uitkering zijn bedoeld, maar de tekst van deze bepaling sluit niet uit dat de uitkering ook als som ineens kan worden toegekend. De wet kent in artikel 4:35 BW ook een andere onderhoudsregeling waarin een som ineens kan worden toegekend. Ook de rechtsgeleerde literatuur sluit die mogelijkheid niet uit (Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/664 en S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:156 BW, aant. 2). Of toekenning van een uitkering in de vorm van een som ineens passend en geboden is zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Voor een dergelijke toekenning zou bijvoorbeeld aanleiding kunnen zijn in geval de draagkracht van een onderhoudsplichtige hoofdzakelijk is gebaseerd op de omvang van zijn vermogen en niet op periodieke inkomsten uit arbeid of een andere activiteit. Bij de vraag of uitkering in een som ineens passend en geboden is moet ook in aanmerking worden genomen dat een som ineens achteraf met toepassing van artikel 1:401 BW ingetrokken of gewijzigd kan worden. De rechter die een som ineens vaststelt zal dat heel goed moeten toelichten.

2.5

De vrouw is bij haar berekening uitgegaan van een alimentatieverplichting voor de duur van 12 jaren, die in één termijn wordt uitbetaald. Zij heeft dat bedrag berekend als volgt: de uitkering is per maand € 5.000. De man moet die uitkering gedurende 12 jaar betalen, zodat in totaal is verschuldigd 12 x 12 x € 5.000 = € 720.000. De man heeft terecht aangevoerd dat onzeker is of de man voor de volledige duur van 12 jaren dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, nu deze verplichting eindigt bij zijn overlijden en hij 80 jaar oud is. Het hof zoekt om die onzekerheid te verdisconteren aansluiting bij de tabel van artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 voor berekening van de contante waarde van een periodieke uitkering in geld die afhankelijk is van het leven van een persoon. Gelet op die tabel en uitgaande van een bruto partneralimentatie van (€ 3.418,- per maand x 12 maanden =) € 41.016,- per jaar, berekent het hof de contante waarde van de door de man als som ineens te betalen partneralimentatie als volgt:

€ 41.016 x 5 jaren x 0,75 = € 153.810,-

€ 41.016 x 5 jaren x 0,40 = € 82.032,-

€ 41.016 x 2 jaren x 0,15 = € 12.304,-

totaal € 248.146,-

Dit bedrag is aanzienlijk lager dan het door de vrouw verzochte bedrag van € 720.000,-, zodat het hof al om die reden niet aan toewijzing toekomt. Niet is gebleken dat de vrouw ook met een lagere som ineens dan het verzochte bedrag instemt. Gelet hierop kan in het midden blijven of vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud als som ineens in dit geval is aangewezen. Het hof zal de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie dan ook vaststellen op het hiervoor genoemde maandelijkse bedrag van € 3.418,-. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt deze partneralimentatie met ingang van 1 januari 2021 afgerond € 3.521,- per maand.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.6

De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat tussen partijen zal worden afgerekend als ware er sprake van algehele gemeenschap van goederen. In de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden is opgenomen:

‘ARTIKEL EEN.

De wettelijke algehele gemeenschap van goederen, die van winst en verlies en van vruchten en inkomsten worden door hen uitdrukkelijk uitgesloten, zodat de aanstaande echtgenoten zullen huwen buiten alle gemeenschap.’

De vrouw voert aan dat deze krachtens overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet van toepassing is, omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Uit de stellingen van de vrouw leidt het hof af dat zij kennelijk wel de goederenrechtelijke uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen respecteert, maar vindt dat partijen in weerwil van de huwelijkse voorwaarden verbintenisrechtelijk met elkaar moeten afrekenen als ware er een gemeenschap van goederen. In de praktijk staat een dergelijke figuur bekend als finaal verrekenbeding bij echtscheiding (zie ook het opschrift van § 3 van afdeling 2 van titel 8 Boek 1 BW).

De omstandigheden die de vrouw daarvoor aanvoert zijn:

  • -

    de man heeft tijdens het huwelijk een groot vermogen opgebouwd;

  • -

    de man heeft dit vermogen in wezen samen met de vrouw opgebouwd. Zij heeft hem door de zorg voor het huishouden en de kinderen op zich te nemen daartoe in staat gesteld;

  • -

    tijdens het huwelijk was sprake van een klassieke rolverdeling;

  • -

    partijen hebben anders geleefd dan aan de hand van de huwelijkse voorwaarden;

  • -

    de vrouw was niet op de hoogte van de huwelijkse voorwaarden en de gevolgen daarvan;

  • -

    partijen hebben een langdurig huwelijk gehad en zijn thans op leeftijd.

2.7

Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen, en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW). In het debat van partijen is niet naar voren gebracht welke algemeen erkende rechtsbeginselen of in Nederland levende rechtsovertuigingen in dit geval een rol kunnen spelen. Ook is geen aandacht besteed aan maatschappelijk belangen die bij dit geval zijn betrokken. Het is voor het hof wel duidelijk wat de persoonlijke belangen van partijen zijn. Het belang van de man is dat de gemaakte afspraken nagekomen worden; het belang van de vrouw is dat zij ondanks de (koude) uitsluiting deelt in het vermogen van de man en een vordering op hem krijgt ter grootte van de helft van het saldo van dat vermogen.

2.8

Het hof is van oordeel dat de door de vrouw gestelde omstandigheden voor een groot deel niet zijn komen vast te staan. De man betwist haar stellingen en de vrouw doet geen bewijsaanbod.

Was de vrouw op de hoogte van de huwelijkse voorwaarden en de gevolgen daarvan?

De tekst van de huwelijkse voorwaarden is duidelijk. Partijen hebben die voorwaarden ten overstaan van een notaris ondertekend. Gelet hierop kon de man erop vertrouwen dat tussen hem en de vrouw geen gemeenschap van goederen is ontstaan en evenmin een verplichting met haar af te rekenen als ware er een gemeenschap van goederen. Dat de vrouw niet op de hoogte was van de huwelijkse voorwaarden staat niet vast. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij en de man het wel over de huwelijkse voorwaarden hebben gehad en dat die voorwaarden belangrijk waren omdat de man een eigen zaak had. De vrouw heeft verklaard dat zij dacht dat het huwelijk voor het leven was en dat zij er niet veel verstand van heeft, maar gewoon heeft getekend omdat zij dacht dat de man het wel zou weten. Het hof leidt hieruit af dat de vrouw wel wist wat de uitsluiting van iedere gemeenschap in de huwelijkse voorwaarden betekende.

Hebben partijen anders geleefd dan de huwelijkse voorwaarden inhielden?

In hoeverre partijen anders hebben geleefd dan aan de hand van de huwelijkse voorwaarden heeft de vrouw niet toegelicht. Het hof constateert dat de uitsluiting van iedere gemeenschap die zij in de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen zijn werking heeft gehad. Iedere partij had en heeft zijn eigen vermogen. Niet is gebleken dat partijen ervan uitgingen dat het vermogen gemeenschappelijk was of dat de vrouw vanwege gedragingen van partijen erop mocht vertrouwen dat dit zo was.

Heeft de man het aan de vrouw te danken dat hij vermogen heeft opgebouwd?

De man betwist dat de vrouw hem door de klassieke rolverdeling binnen het huwelijk in staat heeft gesteld een aanzienlijk vermogen op te bouwen, terwijl zij die mogelijkheid niet heeft gehad. De vrouw heeft geen voldoende specifiek bewijsaanbod op dit punt gedaan. Die omstandigheid is dan ook niet komen vast te staan.

2.9

De overige omstandigheden (langdurig huwelijk en de gevorderde leeftijd van partijen) rechtvaardigen mede gelet op de persoonlijke belangen van partijen niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen buiten toepassing te laten. Zou dat wel het geval zijn, dan zouden de duur van een huwelijk en de leeftijd van de echtgenoten afbreuk doen aan de afspraken die echtgenoten in huwelijkse voorwaarden maken en zouden die afspraken anders dan bedoeld slechts een voorwaardelijke gelding hebben. Dat staat haaks op de bevoegdheid die de wet echtgenoten biedt om bij huwelijkse voorwaarden afspraken te maken die afwijken van de wettelijke gemeenschap.

3 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

Op grond van wat hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de partneralimentatie betreft, bekrachtigen voor zover het de afwijzing van de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de afrekening als ware er sprake van algehele gemeenschap van goederen en de opgave en waardering van het vermogen betreft en beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 november 2019 voor zover het de partneralimentatie betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen:

  • -

    met ingang van 19 februari 2020: € 3.418,- per maand;

  • -

    met ingang van 1 januari 2021: € 3.521,- per maand;

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 november 2019 voor zover het de afwijzing van de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de afrekening als ware er sprake van algehele gemeenschap van goederen en de opgave en waardering van het vermogen betreft;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 4 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.