Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4280

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
200.271.382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vertegenwoordiging; handelen in eigen naam of naam van een ander; “Kribbebijter”-criterium; art. 3:66 BW; bewijslastverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.271.382

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 7478942

arrest van 4 mei 2021

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Radisson BLU Saga Hotel,

gevestigd te Reykjavik (IJsland),

appellant,

hierna: Saga Hotel,

advocaat: mr. E.T. van Dalen,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.J.G. van der Donck.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 augustus 2020 hier over.

1.2.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 16 februari 2021.

1.3.

Aan het slot van de mondelinge behandeling is arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de eerste vier zinnen van rechtsoverweging 2.1 van het vonnis van 2 oktober 2019.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

Saga Hotel heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 5.750,--, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

Saga Hotel heeft daartoe aangevoerd dat [geïntimeerde] medio november 2016 24 kamers in de periode van 6 tot 8 maart 2017 heeft gereserveerd, dat ook gebruik is gemaakt van die 24 kamers maar de rekening onbetaald is gebleven. [geïntimeerde] heeft als verweer aangevoerd dat niet hij, maar de besloten vennootschap Options Hospitality Management B.V. (hierna: Options B.V.) de contractuele wederpartij van Saga Hotel is en hij derhalve niet gehouden is aan Saga Hotel het gevorderde bedrag te betalen.

3.3.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 oktober 2019 de vordering van Saga Hotel afgewezen en haar veroordeeld in de kosten van het geding. De kantonrechter oordeelde dat Saga Hotel geen vordering heeft op [geïntimeerde] , omdat Saga Hotel niet uit de verklaringen en gedragingen van [geïntimeerde] mocht afleiden dat [geïntimeerde] zelf contractspartij was.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

Saga Hotel komt met twee grieven op tegen het vonnis van 2 oktober 2019. Zij vordert dat het hof dit vonnis zal vernietigen en haar vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties en de nakosten.

4.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd het hoger beroep van Saga Hotel ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bekrachtigen onder veroordeling van Saga Hotel in de proceskosten (naar het hof begrijpt:) van het hoger beroep.

Bevoegdheid en toepasselijk recht

4.3.

Saga Hotel is een rechtspersoon naar buitenlands recht en zij is in het buitenland (IJsland) gevestigd. Het geschil draagt daarmee een internationaal karakter. IJsland is geen lidstaat van de Europese Unie. Ingevolge artikel 64 van het tussen Nederland en IJsland geldende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken1 (EVEX II) is niettemin Verordening (EU) nr. 1215/2012 (de herschikte EEX-Vo 2012) voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter bepalend. De Nederlandse rechter komt derhalve rechtsmacht toe op grond van artikel 4 EEX-Vo 2012 aangezien [geïntimeerde] als gedaagde in eerste aanleg woonplaats heeft in Nederland.

4.4.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen. Partijen hebben daar in hoger beroep geen bezwaar tegen gemaakt, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

Wie is de wederpartij van Saga Hotel?

4.5.

Het gaat in deze zaak om de vraag wie de wederpartij van Saga Hotel is. Volgens Saga Hotel is dat [geïntimeerde] . [geïntimeerde] stelt dat hij handelde in naam van Options B.V. en dat daarom niet hij in persoon maar Options B.V. de wederpartij van Saga Hotel is. Partijen verschillen (terecht) niet van mening dat het antwoord op deze vraag, of [geïntimeerde] in eigen naam of in naam van Options B.V. handelde, bepaald moet worden aan de hand van het zogeheten ‘Kribbebijter-criterium’. Volgens dit criterium hangt het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dat wil zeggen als wederpartij van die ander – is opgetreden, af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden; een bevestigend antwoord op deze vraag wordt niet uitgesloten door de omstandigheid dat die ander wist dat degene met wie hij handelde, dit ten behoeve van een opdrachtgever deed.2

4.6.

Uitgangspunt bij toepassing van deze maatstaf is dat [geïntimeerde] de last draagt de gedragingen, verklaringen en overige feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen, waaruit blijkt dat Saga Hotel niet met hem in persoon heeft gecontracteerd maar met een ander, namelijk Options B.V. Het is immers [geïntimeerde] die zich beroept op de rechtsgevolgen (artikel 3:66 lid 1 BW) van die feiten of rechten en voor een uitzondering op de hoofdregel van de bewijslastverdeling (artikel 150 Rv) bestaat in dit geval geen aanleiding.

4.7.

De vraag namens wie [geïntimeerde] optrad moet worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst werd gesloten. Het hof is van oordeel dat op het moment van sluiten van de overeenkomst geen sprake is van verklaringen en gedragingen van partijen waaruit Saga Hotel heeft kunnen en moeten opmaken dat [geïntimeerde] in naam van Options B.V. handelde. Het hof komt tot dit oordeel op grond van de volgende overwegingen.

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] zich in persoon (tijdens een inspectiereis) bij Hotel Saga heeft geïntroduceerd. Bij die gelegenheid heeft [geïntimeerde] een visitekaartje overhandigd. Dat visitekaartje bevat in grote(re) letters de bedrijfsnaam “Unified travel <> events” met daaronder onder andere [geïntimeerde] als ‘president’ en een adres in [B] . In de correspondentie tussen [geïntimeerde] en Saga Hotel ter afronding van de reservering heeft [geïntimeerde] de door hem verstuurde e-mails ondertekend met (een logo van) “Unified travel <> events”. Dat geldt ook voor de e-mail van 30 november 2016 waarin [geïntimeerde] de door hem ondertekende reserveringsbevestiging als bijlage aan Saga Hotel heeft geretourneerd. Vaststaat dat “Unified travel <> events” op het moment van tot stand komen van de overeenkomst geen handelsnaam was van Options B.V., zodat er voor Saga Hotel tot zover, en behoudens de hierna te bespreken omstandigheden, geen reden was aan te nemen dat de boeking in naam van Options B.V. werd gedaan.

4.9.

[geïntimeerde] stelt dat het voor Saga Hotel niettemin kenbaar was dat zij niet met [geïntimeerde] in eigen naam maar met Options B.V. handelde en geeft daarvoor drie argumenten te weten : (i) het betrof een zakelijke boeking, (ii) het gebruik van het e-mailadres “ad@optionshospitality.nl” en (iii) het gebruik van een sticker met de naam “Unified incentive care - travel - events” op de reserveringsbevestiging. Deze elementen leiden echter afzonderlijk noch in samenhang beschouwd tot de conclusie dat [geïntimeerde] in naam van Options B.V. handelde.

4.10.

Ten aanzien van het eerste element namelijk dat het een ‘zakelijke boeking’ betrof en dat dit ook duidelijk was voor Saga Hotel, geldt het volgende. Uit de inleidende dagvaarding blijkt al dat het (ook) voor Saga Hotel om een ‘zakelijke boeking’ ging. Dat een boeking een zakelijk karakter draagt, betekent op zichzelf beschouwd echter niet dat in naam van een ander wordt gehandeld, laat staan dat het voor Saga Hotel daarmee kenbaar had moeten zijn dat [geïntimeerde] in naam van Options B.V. handelde.

4.11.

Voor wat betreft het tweede element, te weten het e-mailadres, overweegt het hof als volgt. Het door [geïntimeerde] aan Saga Hotel overhandigde visitekaartje vermeldt een e-mailadres met het e-maildomein “@optionshospitality.nl” en Saga Hotel heeft ook via dit e-mailadres gecorrespondeerd. Saga Hotel heeft aangegeven dat zij voor correspondentie met “Unified travel <> events” eenvoudigweg het e-mailadres heeft gebruikt dat stond aangegeven op het visitekaartje van [geïntimeerde] . Saga Hotel heeft, zo begrijpt het hof, in dat e-mailadres aldus geen aanleiding gezien te menen dat de boeking in naam van Options B.V. geschiedde. Naar het oordeel van het hof hoefde Saga Hotel uit het gebruikte emailadres ook niet af te leiden dat [geïntimeerde] in naam van Options B.V. handelde. Daarbij is van belang dat een e-maildomein op zichzelf geen aanwijzing vormt dat in naam van het in de domeinnaam tot uitdrukking gebrachte bedrijf wordt gehandeld (denk aan @gmail.com of @xs4all.nl). Nu er voor Saga Hotel ook onvoldoende aanleiding was om aan te nemen dat in naam van Options B.V. werd gehandeld, hoefde zij ook geen bijzondere betekenis aan het e-mailadres te hechten.

4.12.

Het derde element is de stelling van [geïntimeerde] dat hij op de door hem ondertekende en aan Saga Hotel geretourneerde reserveringsbevestiging een sticker heeft geplakt van “Unified incentive care - travel - events” en dat “Unified incentive care - travel - events” op dat moment een handelsnaam van Options B.V. was. Het hof acht dit gegeven niet doorslaggevend in het licht van de overige verklaringen van partijen. Met name in het licht van het feit dat de e-mail waarmee de bijlage met sticker is verzonden, op zijn beurt weer is ondertekend met (het logo van) “Unified travel <> events”, rechtvaardigt het eenmalig gebruik van die sticker niet de conclusie dat het Saga Hotel daarmee duidelijk was of had moeten zijn dat de boeking door [geïntimeerde] in naam van Options B.V. werd gedaan. Dat geldt te meer nu de naam “Unified travel <> events”- waar Saga Hotel vanuit ging - sterke gelijkenis vertoont met de naam “Unified incentive care - travel - events” en [geïntimeerde] niet eenmaal Saga Hotel erop heeft gewezen dat “Unified travel <> events” niet de juiste naam was.

4.13.

[geïntimeerde] beroept zich ten slotte op het feit dat er verschillende aanmaningen en sommaties zijn verstuurd, die geadresseerd zijn aan Options B.V. Dat betekent, aldus [geïntimeerde] , dat Saga Hotel zich bewust is geweest van het bestaan van het bedrijf Options B.V. met [geïntimeerde] als bestuurder en ook heeft gemeend dat het bedrijf Options B.V. haar schuldenaar was. Het hof volgt [geïntimeerde] niet in deze stelling. Zoals gezegd, dient de vraag namens wie [geïntimeerde] optrad te worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst werd gesloten. Ook uit de verdere gang van zaken blijkt niet dat het voor Saga Hotel op het moment van sluiten van de overeenkomst voldoende kenbaar was dat [geïntimeerde] in naam van Options B.V. handelde en dat Saga Hotel Options B.V. als haar wederpartij beschouwde.

4.14.

Saga Hotel heeft haar factuur immers in eerste instantie niet gericht aan Options B.V. De factuur is gericht aan “Unified” met een adres in [B] , conform het visitekaartje dat [geïntimeerde] aan Saga Hotel had overhandigd en dat verwees naar “Unified travel <> events”. Bovendien heeft Saga Hotel, voordat zij zich tot Options B.V. heeft gericht, ook de vennootschap Arezzo B.V. aangeschreven die op dat moment de naam “Unified travel&events” voerde. Hieruit blijkt niet dat Saga Hotel Options B.V. als haar wederpartij beschouwde. Dat Saga Hotel uiteindelijk, bij uitblijven van betaling of enige reactie van [geïntimeerde] , ook aanmaningen naar Options B.V. heeft gestuurd, betekent niet dat het voor Saga Hotel op moment van aangaan van de overeenkomst duidelijk was of had moeten zijn dat zij in werkelijkheid handelde met Options B.V.

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat hij jegens Saga Hotel in naam van Options B.V. handelde en dat dit ook voldoende kenbaar was voor Saga Hotel. Dat betekent dat het beroep van [geïntimeerde] op het rechtsgevolg van artikel 3:66 lid 1 BW, namelijk dat niet hij maar Options B.V. de wederpartij is van Saga Hotel, faalt. Nu [geïntimeerde] in de procedure bij de rechtbank geen ander verweer heeft gevoerd tegen de vordering van Saga Hotel (inzake de hoofdsom en rente) zal het hof de vordering van Saga Hotel toewijzen.

4.16.

Vervolgens dient nog te worden ingegaan op hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd ter betwisting van de door Saga Hotel gevorderde buitengerechtelijke kosten. [geïntimeerde] betwist dat de gemachtigde van Saga Hotel werkzaamheden heeft verricht ter voorkoming van een procedure en dat de incassohandelingen betrekking hadden op [geïntimeerde] als natuurlijk persoon, zodat vergoeding van deze kosten niet kan worden toegewezen. Saga Hotel heeft echter voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Volgens artikel 6:96 lid 5 BW in samenhang met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) geldt voor een vordering als deze dat de schuldenaar een genormeerde vergoeding verschuldigd is, ongeacht de aard en omvang van de verrichte incassohandelingen, nu deze uitsluitend gerelateerd is aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom. Daaraan doet niet af, zoals [geïntimeerde] betoogt, dat (een deel van) die handelingen geen betrekking hadden op [geïntimeerde] . Niet alleen is het [geïntimeerde] zelf geweest die de verwarring aan de zijde van Saga Hotel heeft doen ontstaan, ook staat vast dat [geïntimeerde] kennis heeft genomen van de correspondentie en sommaties aan Options B.V., waarvan hij (enig) bestuurder was.

4.17.

Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten (€ 662,50) komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. De gevorderde omzetbelasting (€ 139,13) over dit bedrag is tevens toewijsbaar nu onbetwist is dat Saga Hotel deze niet kan verrekenen.

4.18.

[geïntimeerde] heeft geen (voldoende concrete) feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Aan zijn bewijsaanbod gaat het hof daarom voorbij.

5 De slotsom

5.1.

De grieven slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vordering van Saga Hotel zal alsnog worden toegewezen tot een bedrag van € 7.096,95 (zoals gevorderd in de inleidende dagvaarding, inclusief de rente op de hoofdsom tot 10 januari 2019, de buitengerechtelijke incassokosten en de daarover berekende BTW).

5.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure bij de rechtbank aan de zijde van Saga Hotel zullen worden vastgesteld op:

- exploot- en informatiekosten € 85,18

- btw 21% € 17,89

- griffierecht € 486,-

totaal verschotten € 589,07

- salaris gemachtigde € 600,- (2 punten x € 300,-)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Saga Hotel zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 81,83

- btw 21% € 17,18

- griffierecht € 760,-

totaal verschotten € 859,01

- salaris advocaat € 1.574,- (2 punten x appeltarief I, € 787,- per punt).

De kosten van het herstelexploot zijn nodeloos veroorzaakt en moeten daarom voor rekening blijven van Saga Hotel.

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

6.1.

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 2 oktober 2019 en doet opnieuw recht;

6.2.

veroordeelt [geïntimeerde] aan Saga Hotel te betalen € 7.096,95 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 5.750,- vanaf 10 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.3.

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Saga Hotel wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 589,07 voor verschotten en op € 600,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 859,01 voor verschotten en op

€ 1574,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

6.4.

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 163,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

6.5.

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, H.L. Wattel en J. Israël en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

1 Lugano, 30 oktober 2007, PbEU 2007, L 339/3, Trb. 2009, 223.

2 Zie HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877 (Kribbebijter).