Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4261

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
200.252.751/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschade.

Een bezoekster van een particuliere woning struikelt na het bezoek in het donker over een plantenbak die in de voortuin stond en zij houdt er letsel aan over. Het hof oordeelt dat de eigenaar van de woning niet aansprakelijk is voor deze val: noch op grond van artikel 6:174 BW (opstal) noch op grond van artikel 6:162 BW (kelderluikcriteria).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0464
JA 2021/103
RAV 2021/78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.252.751

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 210615)

arrest van 4 mei 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. E.J. Bijl,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

2. [geïntimeerde2],

beiden wonende te [A] ,

geïntimeerden,

hierna (in enkelvoud) [geïntimeerde1] ,

advocaat: mr. E. Bos-van den Berg.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het hof heeft in het (tussen)arrest van 11 augustus 2020 een comparitie van partijen gelast die (uiteindelijk) op 16 februari 2021 heeft plaatsgevonden. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat tegelijk met dit arrest aan partijen is verstuurd.

1.2

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof heeft arrest bepaald op basis van de reeds overgelegde stukken.

2 De beoordeling

Waarover gaat deze zaak?

2.1

[geïntimeerde1] is in de loop van 2015 in een eengezinswoning (twee-onder-een-kap) gaan wonen. Deze woning staat in een woonwijk. De voordeur van de woning (rechts van het raam) is te bereiken via de (linker) zijkant van de voortuin. De voortuin was toentertijd met kleine straatstenen bestraat en bij de erker aan de linkerkant was (op een afstand van ongeveer 60 centimeter van de gevel) in de bestrating een ronde uitsparing gemaakt, waarin een struik was gepland. De uitsparing was voorzien van een ronde opstaande rand van kleine straatstenen (verder te noemen: de plantenbak). Een en ander is zichtbaar op de foto’s,

2.2

[appellante] is met haar echtgenoot op 14 januari 2016 bij [geïntimeerde1] (voor de eerste maal) op bezoek gegaan; zij hebben de woning betreden via de achterdeur. Omstreeks 23.00 uur zijn [appellante] en haar echtgenoot vertrokken via de voordeur. [appellante] is toen gestruikeld over de plantenbak en heeft daardoor letsel aan haar rechterenkel opgelopen.

2.3

Per brief van 21 april 2016 (van de letselschadebehandelaar) van [appellante] is [geïntimeerde1] (althans haar verzekeraar) aansprakelijk gesteld voor de schade van [appellante] als gevolg van de gevaarzettende situatie (op de voet van de artikelen 6:162 en 6:174 BW). Per brief van 30 mei 2016 heeft de verzekeraar van [geïntimeerde1] aansprakelijkheid afgewezen. Daarna is tussen de verzekeraars/rechtsbijstandverleners nog verder gecorrespondeerd over de aansprakelijkheid.

De deelgeschilprocedure

2.4

Met een verzoekschrift van 22 november 2017 heeft [appellante] een deelgeschilprocedure gestart en een verklaring voor recht verzocht dat [geïntimeerde1] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van [appellante] op 14 januari 2016, primair op de grondslag van artikel 6:174 BW en subsidiair op de grondslag van artikel 6:162 BW. De rechtbank heeft in de beschikking van 5 maart 2018 geoordeeld dat [appellante] (op beide grondslagen) niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van [appellante] . De verzochte verklaring voor recht is dan ook afgewezen.

2.5

Bij dagvaarding van 18 september 2018 heeft [appellante] een bodemprocedure gestart. Zij heeft de rechtbank tevens verlof verzocht voor het instellen van hoger beroep tegen de deelbeschikking (tevens te beschouwen als tussenvonnis). In het vonnis van 10 oktober 2018 heeft de rechtbank hoger beroep toegestaan van de hiervoor genoemde beschikking.1

De bezwaren tegen de beschikking in deelgeschil

2.6

[appellante] is met drie grieven tegen de beschikking in deelgeschil in hoger beroep gekomen en zij beoogt daarmee een volledige herbeoordeling van het geschil. [appellante] betoogt dat de plantenbak in de gegeven omstandigheden niet voldeed aan de eisen die men daaraan mag stellen en dat daarom sprake is van een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW. Zij betoogt voorts (op de grondslag van artikel 6:162 BW) dat er een gevaarzettende situatie in het leven is geroepen en dat van haar geen extra oplettendheid en voorzichtigheid mocht worden verwacht.

De aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW en artikel 6:162 BW

2.7

Met partijen gaat het hof ervan uit dat de plantenbak in combinatie met de tuininrichting een opstal is in de zin van artikel 6:174 lid 4 BW en dat [geïntimeerde1] hiervan de bezitter is (artikel 6:174 lid 5 BW). Op grond van de hoofdregel in artikel 6:174 lid 1 BW is de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor een gevaar oplevert voor (onder meer) personen aansprakelijk als het gevaar zich heeft verwezenlijkt. Voor aansprakelijkheid is niet vereist dat de bezitter bekend is met de gebrekkige toestand van de opstal en het gevaar dat dit kan opleveren. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt nog enige nadere inkadering/verduidelijking. “De omstandigheid dat een opstal in algemene zin voldoet aan geldende veiligheidsvoorschriften, staat niet in de weg aan het oordeel dat de opstal (niettemin) niet aan bedoelde eisen voldoet en derhalve gebrekkig is in de zin van art. 6:174 lid 1 BW (…). Het antwoord op de vraag of sprake is van een gebrekkige toestand hangt immers af van verschillende omstandigheden, waaronder de aard van de opstal (bijvoorbeeld een voor publiek toegankelijk gebouw of werk of een gesloten huis of werk op besloten terrein, …), de functie van de opstal, de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en het van de opstal te verwachten gebruik door derden (…). Voorts dient in aanmerking te worden genomen de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar (…), alsmede, (…), de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.”.2 Wat betreft de aansprakelijkheid van de wegbeheerder (artikel 6:174 lid 6 BW), welke bepaling in deze zaak overigens niet van toepassing is, heeft de Hoge Raad op 7 oktober 2016 onder meer geoordeeld3: “Op de wegbeheerder rust de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt (…). Deze verplichting is in art. 6:174 leden 1 en 2 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 17 december 2010 (…). Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (het arrest Wilnis, rov. 4.4.4). Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 … (Kelderluik) …).” De hier genoemde kelderluikcriteria (bij aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW) zien op gevaarzetting, waarbij alle omstandigheden van het geval meetellen. Of gevaarzetting onrechtmatig is hangt af van de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.

De feiten en omstandigheden in deze zaak

2.8

Het ongeval / de valpartij heeft plaatsgevonden op een particulier terrein, in een voortuin van een woning. Blijkens de foto’s van de voortuin was het een overzichtelijke, ruimte. Boven de voordeur hing een lamp en aan de openbare weg stonden lantaarnpalen, waaruit het hof afleidt dat de tuin enigszins verlicht was – en niet aardedonker. De woning is gelegen in een woonwijk. Er had zich niet eerder een soortgelijk ongeval voorgedaan, zo staat onbetwist vast. De looproute vanaf de zijkant van de tuin naar de voordeur is diagonaal en die looproute loopt ook langs een stukje aangelegde tuin. Die looproute maakt deel uit van een bestraat driehoekig oppervlak, Blijkens de foto’s staat de plantenbak niet in die looproute, ook niet als een bezoeker door de voordeur de woning uitstapt en zich via de kortste route (diagonaal) begeeft naar de openbare weg.

Geen aansprakelijkheid in deze zaak

2.9

Met inachtneming van het hiervoor onder 2.7 geschetste kader en in het licht van de onder 2.8 vermelde omstandigheden oordeelt het hof dat [geïntimeerde1] niet aansprakelijk is voor het ongeval van [appellante] op de voet van artikel 6:174 lid 1 of artikel 6:162 BW. De positionering van de plantenbak was naar het oordeel van het hof niet zodanig ongelukkig dat deze, in verband met de verdere inrichting van de tuin, als gebrekkig in de zin van art. 6:174 BW of als onrechtmatig gevaarzettend kan worden aangemerkt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de voortuin een royale bestrate looproute bood die rechtstreeks van de voordeur naar de openbare weg liep en die kon worden begaan zonder met de plantenbak, die zich terzijde van die looproute bevond, in aanraking te komen. Een bezoeker van een woning mag bovendien een plantenbak of andere objecten in de (voor)tuin verwachten en van een bezoeker mag dan ook de nodige oplettendheid en voorzichtigheid worden verwacht, zeker in de avond als het donker is en de bezoeker de situatie ter plaatse niet (goed) kent, zoals hier het geval is. Dit geldt ook als de plantenbak meer in de looproute zou hebben gestaan, zoals [appellante] stelt, of als er nog een alternatieve looproute is naar of vanaf de voordeur; ook dan mag van een bezoeker dezelfde oplettendheid en voorzichtigheid worden verwacht nu in een (bestrate) voortuin ook andere obstakels of oneffenheden in de bestrating aanwezig kunnen zijn.

Treffen van veiligheidsmaatregelen

2.10

Voor het treffen van veiligheidsmaatregelen, zoals het (speciaal) verlichten van de plantenbak of de plantenbak voldoende hoog maken, zoals [appellante] aanvoert, ziet het hof geen grondslag. Ter zitting is aan [appellante] gevraagd of het voor haar gevoel iets had gescheeld als de steentjes bijvoorbeeld wit waren geschilderd (zodat de plantenbak zou zijn opgevallen), waarop [appellante] antwoordde: “Dat denk ik niet. Voor mijn gevoel liep ik gewoon rechtdoor. (…) Je kijkt niet altijd naar beneden, om te zien waar je loopt.”

Naar het oordeel van het hof, bezien in het kader als beschreven onder rechtsoverweging 2.8 slot, behoefde [geïntimeerde1] niet te verwachten dat een ongeval als dit, waarbij een bezoeker letsel aan de enkel krijgt door het struikelen over de plantenbak als gevolg van de inrichting van het loopoppervlak in de voortuin, zich zou (kunnen) voordoen; het hof neemt hierbij mee dat zich niet eerder een dergelijk ongeval had voorgedaan. [geïntimeerde1] was daarom ook niet gehouden om hiervoor veiligheidsmaatregelen te treffen.

Conclusie

2.11

Gezien de voorgaande oordelen slaagt het hoger beroep niet.

3 De slotsom

3.1

De grieven falen. De bestreden beschikking in deelgeschil van 5 maart 2018 zal worden bekrachtigd. Omdat het hier (ook) gaat om een bekrachtigd tussenvonnis, zal het hof op de voet van artikel 355 Rv de zaak naar de rechtbank Overijssel terug verwijzen om op de hoofdzaak verder te beslissen.

3.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen waaronder ook de nakosten, met de wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad zoals gevorderd.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde1] zullen worden vastgesteld op € 318,- voor griffierecht en op € 2.228,- voor salaris advocaat (2 punten x tarief II-nieuw).

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking in deelgeschil van 5 maart 2018 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde1] vastgesteld op € 318,- voor verschotten en op € 2.228,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 163,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verwijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo om op de hoofdzaak verder te beslissen.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, J. Sap en S.D. Lindenbergh en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

1 ECLI:NL:RBOVE:2018:4114

2 HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236; dijkdoorbraak Wilnis.

3 ECLI:NL:HR:2016:2283; Nijmeegse markt.