Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4260

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
200.252.676
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Arrest na verwijzing. Geluidsoverlast in appartementencomplex. In geschil is aan welke norm de vloer van appellanten (de bovenburen) dient te voldoen. Het hof is van oordeel dat de in geschil zijnde vloer van voldoet aan het huishoudelijk reglement dat in 2015 is vastgesteld en dat de vorderingen van geïntimeerden daarom alsnog afgewezen moeten worden. Als gevolg daarvan moeten geïntimeerden de door appellanten betaalde dwangsommen en proceskosten terugbetalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.252.676

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, C/02/280758)

arrest van 4 mei 2021

in de zaak van

1 [appellant] ,

2. [appellante] ,

beiden wonende te [A] ,

appellanten na verwijzing,

hierna: ‘ [appellanten] c.s.’,

advocaat: mr. A.C. van Schaick,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

2. [geïntimeerde2],

beiden wonende te [A] ,

geintimeerden na verwijzing,

hierna: ‘ [geïntimeerden] c.s.’,

advocaat: mr. M.A. Hupkes.

1 Kern van de zaak en beslissing

1.1

[geïntimeerden] c.s. waren eigenaar van een appartement op de begane grond van het complex [B] (hierna: het complex) plaatselijk bekend als [a-straat] 18 te [A] en bewoonden het appartement vanaf eind februari/begin maart 2013. [appellanten] c.s. zijn eigenaar van het appartement gelegen boven dat van [geïntimeerden] c.s. plaatselijk bekend als [a-straat] 42 te [A] en bewonen dit appartement vanaf november 2012. Partijen waren de eerste bewoners van het complex dat in 2012 is opgeleverd. De door [appellanten] c.s. gelegde vloer in hun appartement had ten tijde van dagvaarding een geluidsreductie (isolatiewaarde) tussen Ico + 5 dB en Ico + 7 dB.

1.2

In verband met door hen ondervonden geluidshinder hebben [geïntimeerden] c.s. in eerste aanleg gevorderd dat [appellanten] c.s. worden veroordeeld om zodanige werkzaamheden aan de vloer in hun appartement te verrichten dat de hinder wordt weggenomen, meer specifiek dat tenminste een isolatiewaarde van Ico + 10 dB wordt gehaald. Daarnaast hebben [geïntimeerden] c.s. gevorderd dat [appellanten] c.s. op straffe van een dwangsom medewerking moeten verlenen aan een akoestisch onderzoek naar de contactgeluidisolatie tussen het appartement van [appellanten] c.s. en het appartement van [geïntimeerden] c.s. [appellanten] c.s. hebben de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. bestreden en in reconventie schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen gevorderd.
De rechtbank heeft in rov. 3.11 van haar eindvonnis geoordeeld dat sprake is van onrechtmatige hinder door [appellanten] c.s. wegens handelen in strijd met de geluidsreductienorm van Ico 10 + dB die bij huishoudelijk reglement is vastgesteld door de algemene ledenvergadering (ALV) van 24 september 2012 van de Vereniging van Eigenaars (VVE). De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 8 april 2015 de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. toegewezen. De rechtbank heeft aan de veroordeling een (gemaximeerde) dwangsom verbonden en [appellanten] c.s. in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft de tegenvordering van [appellanten] c.s. afgewezen en [appellanten] c.s. eveneens in de kosten van de procedure in reconventie veroordeeld.

1.3

Tegen het vonnis van de rechtbank is door [appellanten] c.s. principaal hoger beroep en door [geïntimeerden] c.s. incidenteel hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. [appellanten] c.s. wilden daarmee bereiken dat de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. alsnog worden afgewezen en dat hun vorderingen in reconventie alsnog worden toegewezen. Daarna hebben zij in hoger beroep hun eis vermeerderd door ook vergoeding van werkelijke advocaatkosten te vorderen en terugbetaling van de door hen aan [geïntimeerden] c.s. betaalde dwangsommen (€ 10.165,16). [appellanten] c.s. hebben daarbij de toepasselijkheid van de norm die in 2012 bij huishoudelijk reglement werd vastgesteld bestreden. Zij hebben aangevoerd dat op 2 maart 2015 – vóór het eindvonnis een (nieuw) huishoudelijk reglement is vastgesteld, dat daarin een geluidsreductienorm van Ico + 5 dB is opgenomen en dat zij met hun vloer voldoen aan deze norm.
[geïntimeerden] c.s. hebben in incidenteel hoger beroep verhoging van het maximumbedrag van de dwangsommen gevorderd.
Het gerechtshof ‘sHertogenbosch heeft geoordeeld dat de verklaring van [appellanten] c.s. tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg, inhoudende dat het huishoudelijk reglement van 2012 tijdens de genoemde ALV is vastgesteld, een gerechtelijke erkentenis oplevert en dat daarmee vaststond dat destijds de geluidsnorm van Ico + 10 dB gold. Dat hof heeft het vonnis van de rechtbank in principaal en incidenteel appel bekrachtigd.

1.4

[appellanten] c.s. hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Bossche hof. Zij hebben daarvoor (onder meer) betoogd dat dat hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op de bij grieven aangevoerde nieuwe feiten, en met name niet op hun beroep op het huishoudelijk reglement van 2015.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 28 september 2018 het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd, mede op grond van de volgende rechtsoverweging:

3.3.2 Het hoger beroep strekt (behoudens indien de appellant zijn vordering daartoe uitdrukkelijk heeft beperkt) niet uitsluitend tot een beoordeling van de juistheid van de in eerste aanleg gegeven beslissing, maar, binnen de grenzen van de rechtsstrijd in appel, tot een nieuwe behandeling en beslissing van de zaak, waarbij de appelrechter heeft te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing (zie onder meer HR 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050, NJ 1993/714, rov. 3.3). Nu de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. betrekking hebben op toekomstig handelen van [appellanten] c.s., diende het hof de juistheid te onderzoeken van de in hoger beroep nieuw betrokken stelling van [appellanten] c.s. dat sedert 2015 het huishoudelijk reglement van de VvE (in art. 14) als minimale Ico voorschrijft de norm die is vermeld in het bouwbesluit dat gold ten tijde van de afgifte van de bouwvergunning voor het gebouw, waaraan [appellanten] c.s. voldoen, ook volgens het in opdracht van [geïntimeerden] c.s. vervaardigde rapport, vermeld hiervoor in 3.1 onder (v). Dat aangenomen moet worden dat aanvankelijk (‘destijds’) een andere norm gold, is niet van belang. Evenzeer ten onrechte dus heeft het hof bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. betekenis toegekend aan de door het hof als erkentenis aangemerkte verklaring van [appellanten] c.s. ter comparitie in eerste aanleg in 2014 omtrent de (toen) geldende isolatienorm. (..)”

1.5

De Hoge Raad heeft de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden verwezen (hierna: het hof). [appellanten] c.s. concluderen in de procedure na verwijzing tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. en tot terugbetaling van de betaalde dwangsommen en proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, dit alles vermeerderd met wettelijke rente. [appellanten] c.s. komen in hun memorie na verwijzing (paragraaf 8 en het petitum) niet meer op tegen de afwijzing van hun vordering in reconventie. De reconventie is daarom niet aan de orde in deze procedure na verwijzing. [appellanten] c.s. hebben tijdens de behandeling van het hoger beroep voor het hof in ’sHertogenbosch ter uitvoering van het vonnis van de rechtbank het maximum aan dwangsommen betaald en kosten gemaakt om tapijt over de in geschil zijnde vloer te leggen.
[geïntimeerden] c.s. hebben inmiddels hun appartement verkocht en wonen niet langer in het complex.

1.6

Het hof is van oordeel dat de in geschil zijnde vloer van [appellanten] c.s. voldoet aan het huishoudelijk reglement van 2015 en dat de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. daarom alsnog afgewezen moeten worden. Als gevolg daarvan moeten [geïntimeerden] c.s. de door [appellanten] c.s. betaalde dwangsommen en proceskosten terugbetalen. Hierna legt het hof uit waarom het tot dit oordeel komt.

2 Het procesverloop tot nu toe

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 augustus 2020 hier over. In dat arrest is een zitting bepaald die op 10 februari 2021 heeft plaatsgevonden. Voorafgaand aan de zitting hebben [appellanten] c.s. een aanvullende productie opgestuurd die ook bij de processtukken hoort. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in rov. 3.1 van het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018.

4 Ontvankelijkheid

4.1

[geïntimeerden] c.s. voeren aan dat [appellanten] c.s. niet ontvankelijk zijn omdat [geïntimeerden] c.s. inmiddels geen appartementseigenaren meer zijn en “niet meer gehouden kunnen worden aan de vorderingen van [appellanten] c.s.” Dit verweer wordt verworpen. [appellanten] c.s. hebben nog steeds een gerechtvaardigd belang bij gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de rechtbank, alleen al vanwege de gevorderde (terug)betaling van dwangsommen en proceskosten.

4.2

[geïntimeerden] c.s. voeren verder aan dat [appellanten] c.s. niet ontvankelijk zijn in de verwijzingsprocedure omdat zij niet specifiek en ondubbelzinnig hebben gegriefd en de grondslag voor hun vordering dat zij kunnen voldoen aan de isolatienorm (Ico + 5 dB) niet hebben gespecificeerd. Ook dit verweer wordt verworpen. Uit artikel 424 Rv volgt dat het hof de behandeling van het door [appellanten] c.s. voor het hof in ’s-Hertogenbosch ingestelde (principaal) hoger beroep moet voortzetten en met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad daarop heeft te beslissen. Daarbij zijn de bij memorie van grieven van [appellanten] c.s. aangevoerde grieven uitgangspunt. Die grieven zijn voldoende duidelijk en waren voor [geïntimeerden] c.s. klaarblijkelijk, gelet op hun reacties daarop, ook voldoende duidelijk. Verder moet in dit verband niet uit het oog worden verloren dat het in conventie gaat om vorderingen van [geïntimeerden] c.s., waartegen [appellanten] c.s. verweer hebben gevoerd.

4.3

Hetgeen [geïntimeerden] c.s. overigens hebben aangevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid kan evenmin tot niet-ontvankelijkheid leiden. [appellanten] c.s. zijn ontvankelijk in deze procedure na verwijzing.

5 De beoordeling

5.1

Tussen partijen staat vast dat de in geschil zijnde vloer van [appellanten] c.s. een geluidsisolatiewaarde tussen Ico + 5 dB en Ico + 7 dB heeft. Daarmee voldoet de vloer aan de norm, zoals vastgelegd in artikel 14 sub a van het sinds 2 maart 2015 in de VvE geldende huishoudelijk reglement (hierna: het HR 2015), dat luidt als volgt:

Het aanbrengen van harde vloerbedekking in de privé gedeelten, met uitzondering van de badkamer(s), de keuken(s) en de toiletruimte(n) is slechts toegestaan indien na aanbrengen van de vloerbedekking een isolatie-index voor contactgeluiden (Ico) wordt bereikt welke aan de minimale waarde voldoet als vermeld in het bouwbesluit dat gold ten tijde van de afgifte van de bouwvergunning voor het gebouw. De isolatie-index wordt bepaald volgens de norm “NEN5077” geluidswering in gebouwen”.

[geïntimeerden] c.s. hebben bestreden dat uit hoofde van het ten tijde van de bouw geldende bouwbesluit een isolatienorm van +5 dB geldt, maar nu in § 2.1 van het door hen in eerste aanleg (productie 7 bij dagvaarding) overgelegde rapport van Greten Raadgevende Ingenieurs is aangenomen dat het Bouwbesluit 2003 van toepassing is en dat NEN 5077, waarnaar daarin wordt verwezen, voor contactgeluidsoverdracht een isolatienorm van + 5 dB inhoudt, zal het hof daarvan uitgaan. [geïntimeerden] c.s. hebben niet nader toegelicht dat er voor het appartementengebouw een andere norm zou gelden.

5.2

De stelling van [geïntimeerden] c.s. dat [appellanten] c.s. niet gegriefd hebben tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.11 van het bestreden eindvonnis is onjuist. [geïntimeerden] c.s. gaan er verder ten onrechte vanuit dat de rechtbank strijdigheid met artikel 26 lid 1 van het splitsingsreglement ook op zichzelf beschouwd, dus ongeacht de samenhang met het huishoudelijk reglement, heeft aangenomen. De rechtbank heeft in het eindvonnis geoordeeld dat er sprake is van strijd met artikel 26 lid 1 van het splitsingsreglement omdat niet voldaan werd aan de norm van Ico + 10 dB, zoals was vastgesteld in artikel 13 van het concept huishoudelijk reglement uit 2012. Tegen dit oordeel heeft [appellanten] c.s. met grief 2 voldoende duidelijk bezwaar gemaakt.

5.3

Volgens [geïntimeerden] c.s. is het besluit tot vaststelling van artikel 14 HR 2015 in strijd met artikel 16 lid 1 van de akte van splitsing en daarom nietig in de zin van artikel 2:14 BW, in verband met 5:129 lid 1 BW. Het in de ondersplitsingsakte van toepassing verklaarde artikel 26 lid 1 van het modelreglement bij splitsing in appartementsrechten van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie luidt als volgt:

De vloerbedekking van de privé-gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zoveel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt met inachtneming van normen die bij huishoudelijk reglement of door de vergadering zijn vastgesteld en zodanig dat geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers".

Uit dit artikel vloeit voort dat in het huishoudelijk reglement van de VVE normen gesteld kunnen worden waaraan de vloerbedekking dient te voldoen. De eis om vloerbedekking te gebruiken die van een dusdanige samenstelling is dat contactgeluiden zoveel mogelijk worden tegengegaan en geen onredelijke hinder ontstaat, kan met andere woorden nader worden ingevuld met normen die in het huishoudelijk reglement worden vastgelegd. Het is daarbij dus aan de VVE om middels het huishoudelijk reglement te bepalen welke norm geldt. De vastlegging van (indirect) de norm Ico + 5 dB kan daarom niet geacht worden in strijd te zijn met het bedoelde artikel 26. Dat in de splitsingsakte geen onderscheid wordt gemaakt ten aanzien van het gebruik dat wordt gemaakt van ruimten, maakt niet dat de VVE niet de mogelijkheid heeft om dat onderscheid te maken en bijvoorbeeld de normen die gelden dan voor verblijfsruimtes niet van toepassing te laten zijn op badkamers, keukens en toiletruimten. Verder is artikel 14 onder a HR 2015, inclusief de verwijzing naar het toepasselijke bouwbesluit, in tegenstelling tot hetgeen [geïntimeerden] c.s. aanvoeren, voldoende duidelijk en concreet. De overige door [geïntimeerden] c.s. aangedragen argumenten voor het aannemen van nietigheid, te weten dat Ico + 10 dB een algemeen aanvaardbare norm is, dat de norm van het Bouwbesluit alleen betrekking zou hebben op de kale dekvloer zonder vloerbedekking en dat [geïntimeerden] c.s. geluidsoverlast hebben ervaren, kunnen niet tot nietigheid krachtens artikel 2:14 BW leiden. [geïntimeerden] c.s. hebben niet tijdig een verzoek tot vernietiging van het besluit van de ALV ingediend. Om die reden dient het beroep van [geïntimeerden] c.s. op vernietiging wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 juncto artikel 2:8 BW) ook verworpen te worden.

5.4

Nu [appellanten] c.s. met de in geschil zijnde vloer voldoen aan de norm zoals die in 2015 is vastgelegd door de VVE, gaat het beroep van [geïntimeerden] c.s. op onrechtmatige hinder in de zin van artikel 6:162 jo. 5:37 BW evenmin op. Van [appellanten] c.s. kan niet worden verlangd dat zij aan een hogere isolatienorm voldoen dan de norm die voor alle appartementseigenaren in het gebouw geldt. Dat [appellanten] c.s. en/of hun bezoekers op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is geluid hebben geproduceerd is onvoldoende onderbouwd gesteld door [geïntimeerden] c.s.

5.5.

[geïntimeerden] c.s. hebben bij memorie van antwoord subsidiair gesteld dat het HR 2015 in strijd met artikel 59 lid 6 van het modelreglement bij splitsing in appartementsrechten van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie niet is gepubliceerd in de openbare registers en daarom niet aan [geïntimeerden] c.s. kan worden tegengeworpen. In dit verband moet bedacht worden dat de vorderingen tegen [appellanten] c.s. zijn ingesteld op grond dat zij zich niet zouden hebben gehouden aan artikel 13 van het (concept-) HR d.d. 24 september 2012. Hierboven heeft het hof echter vastgesteld dat in elk geval ten tijde van het uitvoeren van het eindvonnis geen sprake was van overtreding van de norm waarop [geïntimeerden] c.s. hun vorderingen hadden gebaseerd. Hier gaat het dus om een oudere norm die [geïntimeerden] aan [appellanten] c.s. tegenwerpen. Bovendien hebben [appellanten] c.s. terecht aangevoerd dat het publicatievoorschrift is bedoeld om derden te informeren over de aard en inhoud van het huishoudelijk reglement, terwijl [geïntimeerden] c.s. lid waren van de VVE en uit dien hoofde waren gebonden aan het besluit van 2 maart 2015. [geïntimeerden] c.s. hebben overigens tijdig van het besluit tot vaststelling van het HR 2015 kennisgenomen.

5.6

De conclusie uit het voorgaande is dat de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. alsnog afgewezen moeten worden en dat het bestreden vonnis ten onrechte is uitgevoerd. Aangezien het HR 2015 al was vastgesteld op het moment dat de rechtbank eindvonnis heeft gewezen en de vloer van [appellanten] c.s. op dat moment voldeed aan de nieuwe norm, bestaat er voldoende grond om de vordering tot terugbetaling van de betaalde proceskosten in eerste aanleg (in conventie) en dwangsommen toe te wijzen.

5.7

Omdat partijen geen (voldoende concrete) feiten hebben gesteld die, indien ze zouden worden bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, gaat het hof voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen.

6 De slotsom

6.1

De conclusie van dit alles is dat het principaal hoger beroep slaagt, het vonnis van de rechtbank in conventie met betrekking tot de vordering van [geïntimeerden] c.s. moet worden vernietigd, dat [geïntimeerden] c.s. een bedrag van € 14.958,96 (€ 10.165,16 aan betaalde dwangsommen + € 1.800,80 aan betaalde proceskosten van de eerste aanleg (in conventie) + € 2.993,- aan betaalde proceskosten van het hoger beroep) aan [appellanten] c.s. zal moeten terugbetalen en dat het incidenteel hoger beroep faalt. Het vonnis in reconventie zal worden bekrachtigd.

6.2

Het hof zal [geïntimeerden] c.s., als de overwegend in het ongelijk te stellen partij, veroordelen in de kosten van de eerste aanleg met betrekking tot de vordering van [geïntimeerden] c.s. en van het hoger beroep.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg met betrekking tot de vordering van [geïntimeerden] c.s. zullen aan de zijde van [appellanten] c.s. worden vastgesteld op:

- griffierecht € 282,-

totaal verschotten € 282,-

- salaris advocaat € 1.086,- (2 punten x tarief II)

De kosten voor de procedure in principaal en incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellanten] c.s. zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 93,13

- griffierecht € 311

totaal verschotten € 404,13

- salaris advocaat € 4.296,- (4 x punten x tarief II)

De kosten voor de procedure na verwijzing aan de zijde van [appellanten] c.s. zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 101,82

totaal verschotten € 101,82

- salaris advocaat € 1.671,- (1,5 punt x tarief II)

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente en nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 april 2015 voor zover in conventie gewezen en doet in zoverre opnieuw recht;

wijst de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. alsnog af;

bekrachtigt voormeld vonnis met betrekking tot de tegenvordering van [appellanten] c.s.;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot terugbetaling aan [appellanten] c.s. van € 14.958,96, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 10.165,16 vanaf 24 september 2015, over € 1.800,80 vanaf 13 april 2015 en over € 2.993,- vanaf 8 november 2017 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van de eerste aanleg met betrekking tot de vordering van [geïntimeerden] c.s. en van het hoger beroep, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellanten] c.s. wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 282,- voor verschotten en op € 1.086,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellanten] c.s. begroot op € 404,13 voor verschotten en op € 4.296,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft de procedure na verwijzing vastgesteld op € 101,82 voor verschotten en op € 1.671,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de nakosten, begroot op € 163,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- in geval [geïntimeerden] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.G.J. Gehring, H.E. de Boer en M. Schoemaker, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.