Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4257

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
200.248.832
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:3346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen ex-echtgenoten en aan hen gelieerde rechtspersonen. Voldaan aan huurbetalingsverplichtingen (bevrijdende betaling op en/of rekening, verrekening persoonlijke vorderingen, instemming huurverlaging)? Partij bij overeenkomst van geldlening en vaststellingsovereenkomst? Bijdrage verplichting hypothecaire geldlening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummers gerechtshof 200.248.832 en 200.267.733

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 408037)

arrest van 4 mei 2021

in de zaak met zaaknummer 200.248.832 van

[A] ,

wonende te [B] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [A] ,

advocaat: mr. C.J. van Dijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] B.V.,

gevestigd te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: [C] ,

advocaat: mr. N.B.F. Telders.

En in de zaak met zaaknummer 200.267.733

1 [F] ,

wonende te [B] ,

en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

2. [C] B.V.

3. [E] Holding B.V.,

beide gevestigd te [B]

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie, verweerders in reconventie,

hierna afzonderlijk: [F] , [C] en [E] Holding en gezamenlijk: [G] c.s.,

advocaat: mr. N.B.F. Telders,

tegen:

[A] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [A] ,

advocaat: mr. C.J. van Dijk.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 maart 2020 hier over.

1.2.

Het verdere verloop van de procedure met zaaknummer 200.248.832 blijkt uit het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 11 februari 2021.

1.3.

Het verdere verloop van de procedure met zaaknummer 200.267.733 blijkt uit:

- de akte overlegging producties van de zijde van [G] c.s., ingekomen bij brief van 20 januari 2021;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 11 februari 2021.

1.4.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 25 juli 2018.1 Daarnaast gaat het hof uit van de navolgende feiten:

2.1.

De rente ter zake van de door [F] en [A] gezamenlijk aangehouden hypothecaire geldlening bij ABN AMRO wordt maandelijks van de bankrekening van [F] afgeschreven.

2.2.

Het aan [A] toekomende aandeel in de door [C] te betalen huur met betrekking tot het pand aan [a-straat] 8 is gestort op de door hem aangehouden rekening met het nummer [000] (hierna: [000] -rekening) en op de en/of rekening op naam van [F] en [A] met het nummer [001] (hierna: [001] -rekening).

2.3.

In december 2015 is [F] van de woning aan [b-straat] 9 verhuisd naar de woning aan [a-straat] 8. [C] is zich vanaf toen op het standpunt gaan stellen dat het door haar te betalen huurbedrag is verlaagd naar € 35.199,09 per jaar, ofwel € 2.933,25 per maand. Dat komt neer op een huurbedrag van € 1.466,63 per persoon per maand.

2.4.

Bij beschikking van 25 februari 20042 is door de kantonrechter van de rechtbank Utrecht, locatie Amersfoort een verzoek van [C] afgewezen om de arbeidsovereenkomst met [A] wegens gewichtige redenen te ontbinden.

2.5.

Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 juni 20043 is [A] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [C] te betalen een bedrag van € 140.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 2004 tot aan de dag der algehele voldoening.

2.6.

Een op 27 augustus 2004 gedateerde vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) heeft betrekking op beide voornoemde beslissingen. Deze vaststellingsovereenkomst is zowel door [C] als bij de naam van [A] ondertekend. Zij houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“3. [A] zal de vordering van [C] op hem ten belope van € 8.832,47, in hoofdsom voldoen indien en zodra hij daarvoor de financiële middelen heeft.”

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[G] c.s. hebben in eerste aanleg in conventie - samengevat - verscheidene verklaringen voor recht en veroordelingen gevorderd die betrekking hebben op i) de geldlening die [E] Holding in 2009 aan [F] en [A] gezamenlijk zou hebben verstrekt, ii) inhoudingen die [C] in verband daarmee op huurbetalingen aan [A] heeft gedaan, iii) rentebetalingen die verband houden met de geldlening die [A] en [F] bij de ABN AMRO onderhouden en iv) de vaststellingsovereenkomst die [A] met [C] zou zijn aangegaan.

3.2.

[A] heeft in eerste aanleg in reconventie - na wijziging van eis - onder meer verklaringen voor recht gevorderd met de strekking dat [F] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door ten laste van hem conservatoir beslag te leggen en dat [C] gehouden is over de periode 1 januari 2006 tot en met 30 november 2015 een bedrag aan achterstallige huurpenningen aan hem te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Daarbij is tevens gevorderd [C] te veroordelen tot betaling aan [A] van € 2.500,- per maand, voor het eerst over december 2015. Voorts is gevorderd voor recht te verklaren dat ieder vorderingsrecht van [C] uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst is verjaard. In een incident heeft [A] gevraagd om een voorlopige voorziening die mede inhoudt dat [F] wordt gelast het door haar ten laste van [A] gelegd conservatoir derdenbeslag onder [C] op te heffen.

3.3.

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 juli 2018 in conventie de vorderingen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In reconventie is voor recht verklaard dat [F] tegenover [A] onrechtmatig heeft gehandeld door ten laste van hem beslag te leggen In het door [A] opgeworpen incident zijn de door [F] onder [C] ten laste van [A] gelegde beslagen opgeheven. De proceskosten in reconventie en in het incident zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3.4

[A] is (in de zaak met rolnummer 200.248.832) in beroep gekomen van het bestreden vonnis (voor zover gewezen in conventie en in het incident). [F] is (in de zaak met rolnummer 200.267.733) eveneens tegen dat vonnis in beroep gekomen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

In deze beide zaken spelen meerdere geschilpunten die onderling met elkaar zijn verweven. [A] is voormalig echtgenoot van [F] , voormalig werknemer en mede-verhuurder van [C] en (aldus [F] c.s.) schuldenaar van [E] Holding. [C] en [E] Holding zijn nauw verbonden met de persoon van [F] . In de zaak met zaaknummer 200.248.832 ligt in hoger beroep de vraag voor of [C] steeds heeft voldaan aan haar huurbetalingsverplichtingen jegens [A] . Daarbij bestaat er verschil van inzicht tussen partijen over de vraag of bevrijdend kon worden betaald op een en/of rekening die op naam van [A] en [F] stond, of er inhoudingen op de huur mochten plaatsvinden in verband met persoonlijke vorderingen van [F] op [A] en rente die [A] verschuldigd zou zijn aan [E] Holding en of [F] de door [C] te betalen huur eenzijdig heeft verlaagd dan wel dat daarover wilsovereenstemming bestond. De zaak met zaaknummer 200.267.733 betreft allereerst de vraag of [A] inderdaad schuldenaar van [E] Holding is. Daarnaast ziet zij op een vordering die [F] stelt op [A] te hebben in verband met de hypothecaire lening van ABN AMRO (één van de persoonlijke vorderingen waarvoor inhoudingen op de huur zijn gedaan) en op een vordering die [C] op [A] zou hebben uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst, waarmee een einde kwam aan een arbeidsgeschil tussen [C] en [A] .

In de zaak met zaaknummer 200.248.832

Achterstallige huurpenningen

4.2.

Door [A] wordt met grief I opgekomen tegen de afwijzing van de door hem gevorderde verklaring voor recht dat - kort gezegd - [C] gehouden is aan hem achterstallige huurpenningen te betalen. Aan deze afwijzing heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat [A] bij de berekening van de achterstand in huurbetalingen is uitgegaan van een onderzoek door ‘De Administratieruimer’ dat beperkt is geweest tot de [000] -rekening, terwijl door [G] c.s. is aangevoerd dat hij de beschikking had over meerdere bankrekeningen, waaronder een en/of rekening van [F] en [A] - de [001] -rekening -, waarop ook betalingen hebben plaatsgevonden.

4.3.

Ook het hof is van oordeel dat door [A] ten onrechte geen rekening is gehouden met de huurbetalingen die op de [001] -rekening hebben plaatsgevonden. De argumenten die [A] in hoger beroep aandraagt ter onderbouwing van zijn standpunt dat deze betalingen tegenover hem niet bevrijdend zijn geweest, overtuigen niet. [A] stelt dat overeengekomen is dat hij en [F] ieder de helft van de huurpenningen op een eigen rekening gestort zouden krijgen en dat de [001] -rekening een en/of rekening en dus geen eigen rekening is. Dat deze afspraak is gemaakt, is door [C] gemotiveerd betwist. [A] heeft geen stukken overgelegd waaruit van de door hem gestelde afspraak blijkt en heeft daaromtrent ook ter zitting geen duidelijke toelichting gegeven. Dat [A] geen wetenschap had van het bestaan van deze rekening, zoals hij stelt, bestrijdt [C] onder overlegging van enkele bankafschriften waaruit blijkt dat [A] de [001] -rekening gebruikte om onkosten te betalen - waaronder een declaratie van Van Veen Advocaten in verband met de echtscheiding - en ook bedragen tussen de [000] -rekening en [001] -rekening overboekte (producties 6 en 7 bij memorie van antwoord). [A] heeft daarvoor geen goede verklaring kunnen geven. Uit deze afschriften volgt ook dat de stelling van [A] dat de [001] -rekening uitsluitend werd beheerd en gebruikt door [F] , geen stand houdt.

4.4.

Het hof heeft er geen zicht op in hoeverre met de betalingen op beide voornoemde rekeningen aan de huurbetalingsverplichtingen is voldaan en heeft behoefte aan een nadere toelichting daarop. [A] zal daarom worden toegelaten zich daarover bij akte uit te laten, waarna [C] daarop bij akte zal kunnen reageren. Daarbij neemt het hof tot uitgangspunt dat de huurovereenkomst tussen enerzijds [F] en [A] en anderzijds [C] nog altijd voortduurt, zoals [F] ter zitting heeft verklaard, en verder:

i. i) dat een eventuele vordering met betrekking tot een betalingsachterstand over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 mogelijk is verjaard;

ii) dat tot september 2014 inhoudingen mochten worden gedaan op de huur in verband met persoonlijke vorderingen van [F] op [A] , en;

iii) dat [A] niet is gebonden aan een tussen [C] en [F] overeengekomen huurprijsverlaging.

Ook is het nodig dat partijen bij genoemde aktes inzichtelijk maken welk deel van de inhoudingen tot september 2014 op het aan [A] toekomende deel van de huur betrekking had op de rente ter zake de door [E] Holding op 1 juni 2009 verstrekte geldlening. Het hof licht dit alles hierna toe.

i. i) verjaring

4.5.

In hoger beroep is door [C] gewezen op de conclusie van antwoord in reconventie onder 18, waarin volgens haar een beroep op verjaring moet worden gelezen voor zover de vordering van [A] ziet op de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008. Zij voert aan dat daartegen in de procedure bij de rechtbank door [A] geen verweer is gevoerd. De passage waarnaar wordt verwezen, blinkt niet uit in helderheid. Zij houdt het volgende in: “Rekening houdend (globaal) met de verjaringstermijn van 5 jaar is [C] in haar administratie teruggegaan t/m het jaar 2009 om de betalingen terug te zoeken.” [A] heeft daarin naar het oordeel van het hof niet een beroep op verjaring hoeven lezen. In de memorie van antwoord heeft [C] haar intentie verduidelijkt en maakt zij ook duidelijk (in randnummer 24 memorie van antwoord) waar haar verjaringsberoep toe moet leiden (namelijk tot een vermindering van de vordering van [A] met € 90.000,-). Zij stelt zich op het standpunt dat dit deel van de vordering van [A] is verjaard en dat het door hem gevorderde bedrag aan achterstallige huurpenningen in verband daarmee moet worden verminderd. Doordat [C] in hoger beroep uitdrukkelijk heeft verwezen naar het gestelde in de conclusie van antwoord in reconventie, is het verjaringsverweer zoals verduidelijkt in de memorie van antwoord ter zitting niet aan de orde geweest. [A] zal daarom in de gelegenheid worden gesteld daarop alsnog bij akte te reageren.

ii) inhoudingen hypotheekrente en energiekosten

4.6.

De facturen voor de huur werden door [F] opgesteld. Vanaf april 2012 zijn op de facturen van [A] bedragen in mindering gebracht die betrekking hebben op hypotheekrente ter zake van de woning aan [a-straat] 8. Vanaf 20 februari 2014 zijn ook bedragen in mindering gebracht die betrekking hebben op energie van de woning aan [b-straat] 9. Het betreft persoonlijke vorderingen die [F] stelt op [A] te hebben. [F] heeft haar facturen voor de huur met deze bedragen verhoogd, zodat het bedrag dat [C] in totaal aan huur betaalde gelijk is gebleven. [A] stelt zich in dit hoger beroep op het standpunt dat deze verrekeningen met de huurbetalingsverplichting van [C] ten onrechte hebben plaatsgevonden, omdat een eventuele bijdrage van [A] in de hypotheeklasten of energiekosten niet aan [C] is verschuldigd. De vraag of de inhoudingen in weerwil hiervan mochten plaatsvinden, heeft tussen partijen eerder in kort geding ter beoordeling voorgelegen. Het hof onderschrijft wat de rechtbank Midden-Nederland daarover bij vonnis in kort geding van 16 december 2015 heeft overwogen.4 [A] heeft gedurende langere tijd geen bezwaar gemaakt tegen de inhoudingen op zijn huuraandeel. [C] mocht daarom gerechtvaardigd ervan uitgaan dat [A] met deze gang van zaken instemde. Vanaf het moment dat [A] bezwaar heeft gemaakt tegen de inhoudingen werd dit anders. Dat viel samen met het moment dat tevens een bedrag in mindering werd gebracht dat betrekking had op terugbetaling van een lening bij [E] Holding. Met de kantonrechter in kort geding neemt het hof aan dat vanaf september 2014 niet langer inhoudingen op de huur mochten worden gedaan.

iii) huurprijsverlaging

4.7.

De huur is op enig moment € 60.000,- op jaarbasis en dus € 5.000,- per maand geweest. Dat betekent dat door [C] aan [F] en [A] ieder € 2.500,- per maand diende te worden betaald. Eind 2015 is [F] van de woning aan [b-straat] 9 verhuisd naar de woning aan [a-straat] 8. [F] en [C] hebben het huurbedrag toen verlaagd naar € 35.199,09 per jaar, ofwel € 2.933,25 per maand. Dat komt neer op een huurbedrag van € 1.466,63 per persoon per maand. Ter rechtvaardiging van deze huurverlaging heeft [F] aangevoerd dat [C] als gevolg van haar verhuizing niet langer de beschikking had over het hele gebouw. Deze lagere huur komt overeen met de oorspronkelijke huur, toen [F] en [A] nog aan [a-straat] 8 woonden, na indexatie. In 2020 hebben [F] en [C] naar eigen zeggen de huur in verband met de coronacrisis en slechte economische situatie van [C] verder verlaagd.

4.8.

In reconventie heeft [A] onder meer betaling door [C] gevorderd van € 2.500 per maand vanaf december 2015. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Daartegen komt [A] met grief II terecht op.

4.9.

Het hof oordeelt als volgt. Er is sprake van een huurovereenkomst met [A] en [F] als verhuurders en [C] als huurder. Een contractuele wijziging vereist wilsovereenstemming tussen alle betrokken partijen. Dat de huurprijsverlaging verband houdt met de omstandigheid dat [C] niet langer de beschikking had over het hele gebouw en dat de lagere huur overeenkomt met de oorspronkelijke huur, toen [C] ook niet over het hele gebouw kon beschikken, doet daaraan niet af. Van instemming met de huurverlaging door [A] is niet gebleken. Anders dan [C] stelt, kan deze instemming ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat [A] aan Billincasso opdracht heeft gegeven de huur vanaf 1 januari 2016 tot en met december 2017 ten bedrage van € 1.466,63 per maand bij haar te incasseren. De aan [C] gerichte brief van Billincasso is gedateerd op 6 december 2017 en is derhalve verzonden nadat door [A] in de onderhavige procedure in reconventie aanspraak is gemaakt op betaling van de hogere huurprijs. Die eis in reconventie is niet gewijzigd. [A] heeft desgevraagd toegelicht dat hij vanwege gebrek aan middelen heeft besloten buiten rechte het mindere te incasseren, zodat hij in ieder geval nog iets zou ontvangen. Tegen deze achtergrond heeft [C] aan de brief van Billincasso niet de strekking mogen toekennen dat [A] het oogmerk had zijn recht op het meerdere prijs te geven. Het gedrag van [A] is ook niet onverenigbaar met handhaving van zijn onderhavige vordering tot betaling van het meerdere.

inhoudingen tot september 2014 ter zake van rente [E] Holding

4.10.

Uit de conclusie van antwoord in reconventie onder 29 maakt het hof op dat de inhoudingen tot 5 november 2014 niet alleen persoonlijke vorderingen van [F] op [A] betreffen, maar ook de rente die [A] verschuldigd zou zijn in verband met de door [E] Holding op 1 juni 2009 aan [F] en [A] verstrekte geldlening. In de zaak met zaaknummer 200.267.733 ligt ter beoordeling voor of [A] partij is bij de overeenkomst van geldlening met [E] Holding. Hierna zal onder 4.13 en verder worden toegelicht dat dit naar het oordeel van het hof het geval is. Inzichtelijk moet worden gemaakt in hoeverre de inhoudingen tot 5 november 2014 zien op aan [E] Holding te betalen rente. Bij de onder 4.4 en 4.5 bedoelde akte zal [A] zich ook hierover kunnen uitlaten en ook daarop zal door [C] bij akte kunnen worden gereageerd.

beslaglegging geen verhindering toewijzing

4.11.

Zowel door [F] , als door [E] Holding is ten laste van [A] derdenbeslag onder [C] gelegd. Het door [F] gelegde beslag is door de rechtbank opgeheven. Naar onder 4.28 zal worden toegelicht, komen [G] c.s. daartegen in de zaak met zaaknummer 200.267.733 met succes op. Voor zover [C] zich op het standpunt stelt dat de gelegde beslagen aan toewijzing van de vorderingen van [A] in de weg staan, is die opvatting onjuist. Beslaglegging doet aan de verschuldigdheid van de huurpenningen niet af, zij verhindert slechts de betaling aan [A] .

wettelijke (handels)rente

4.12.

Gezien bovenstaand oordeel over de huurprijsverlaging, valt te verwachten dat de in hoger beroep gewijzigde eis van [A] na aktewisseling in enige vorm zal kunnen worden toegewezen. [A] heeft daarbij onder meer gevorderd het toe te wijzen bedrag aan achterstallige huur te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Om proceseconomische redenen zal het hof reeds nu oordelen over de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente. Nu [A] niet handelt in het kader van een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, moet deze vordering worden afgewezen. Het volstaat niet dat een persoon een transactie sluit die verband houdt met een economische activiteit, zoals verhuur van een goed aan een derde, om te vallen onder het begrip onderneming, opdat die transactie een handelstransactie wordt.5 Het mindere, de wettelijke rente, is wel toewijsbaar.

In de zaak met zaaknummer 200.267.733

Lening [E] Holding

4.13.

Per 1 juni 2009 is door [E] Holding uit hoofde van een overeenkomst van geldlening € 125.000,- ter beschikking gesteld aan in ieder geval [F] , tegen 4% rente per jaar, af te lossen in vijf jaar. Volgens [G] c.s. is de aflossingsverplichting verschoven naar 2014 en is de lening met ingang van 2019 volledig opeisbaar geworden. [G] c.s. stellen dat [A] naast [F] partij is bij deze overeenkomst met [E] Holding en dat zij voor gelijke delen, dan wel hoofdelijk zijn verbonden. De rechtbank heeft de vorderingen van [G] c.s. die hiermee verband houden, afgewezen met de overweging dat onvoldoende is aangetoond dat [A] partij is bij de overeenkomst van geldlening en daarom medeaansprakelijk zou zijn. Met grief I en II komen [G] c.s. in hoger beroep op tegen dit oordeel. Na wijziging van eis vorderen zij ten aanzien van [E] Holding opnieuw een verklaring voor recht met de strekking dat [A] met [F] voor een gelijk deel of hoofdelijk verbonden en medeaansprakelijk is. Daarnaast vorderen zij - kort gezegd - primair veroordeling van [A] tot betaling van € 62.500,-, te vermeerderen met de samengestelde contractuele rente groot 4% met ingang van 1 september 2014, dan wel subsidiair veroordeling van [A] om aan [E] Holding met ingang van de maand september 2014, of oktober 2015 het deel van rente en aflossing dat hem aangaat te betalen.

4.14.

[G] c.s. hebben ter nadere onderbouwing van de stelling dat ook [A] partij bij de overeenkomst met [E] Holding is verschillende stukken overgelegd. Het betreft achtereenvolgens:

- een brief van [E] Holding van 1 juni 2009 aan [A] en [F] betreffende de overeenkomst van geldlening (productie 1 bij memorie van grieven);

- een bankafschrift van [E] Holding van 9 juni 2009 met daarop een overboeking per 29 mei 2009 van € 125.000,- onder vermelding ‘Aflossen hypothecaire geldlening 53.56.48.502 iov met GS [F] en dhr. [A] ’ (productie 2 bij memorie van grieven);

- overzichten van ABN AMRO waaruit van een aflossing ter hoogte van € 125.000,- blijkt (productie 3 bij memorie van grieven), en;

- een brief aan ABN AMRO van 17 juni 2009 (productie 4 bij memorie van grieven), met – voor zover hier van belang – de volgende inhoud:

“Op 30-5-2009 met dezelfde valutadatum is er ten behoeve van bovenvermelde hypothecaire lening een bedrag ad € 125.000 (éénhonderdvijfentwintigduizend Euro) afgelost. Dit is in uw offerte niet meegenomen.”

Deze brief is ondertekend door [F] en [A] . [A] trekt de authenticiteit van zijn handtekening in twijfel. Ter zitting heeft hij echter verklaard dat het niet zoveel uitmaakt of de handtekening wel of niet is vervalst en dat het zijn handtekening lijkt, maar dat hij dit niet zeker weet. Het hof kan [A] daarin niet volgen, omdat indien die handtekening niet is vervalst, bewijswaarde toekomt aan de brief van ABN AMRO. In zijn verweer bespreekt [A] verder de verschillende door [G] c.s. overgelegde producties, om ten aanzien van elk daarvan afzonderlijk te concluderen dat daarmee niet is bewezen dat ook hij partij is bij de overeenkomst met [E] Holding. Daarmee miskent hij dat het aankomt op een waardering van de verschillende stukken in onderling verband en samenhang. Dan ontstaat het volgende beeld. Door [E] Holding is een brief over de lening, met daarin opgenomen de voorwaarden waaronder deze is aangegaan, aan [A] en [F] gezamenlijk verzonden. Het van [E] Holding geleende bedrag is vervolgens aangewend om een substantieel deel van de tegen een ongunstiger tarief afgesloten lening bij ABN AMRO af te lossen. Dit was ook in het belang van [A] , die de lening bij ABN AMRO samen met [F] aanhoudt. Ten slotte is er dan nog de brief aan ABN AMRO waarvan [A] heeft verklaard dat de handtekening daaronder die van hem lijkt te zijn en dat het niet uitmaakt of die is vervalst, waarmee hij de mogelijkheid openhoudt dat die handtekening echt is. Deze omstandigheden, tezamen met het feit dat [A] in zijn eigen aangifte inkomstenbelasting 2017 als kostenpost een post ‘Rente lening [E] Holding BV (50%)’ ter hoogte van € 2.500,- opvoert (productie 5 bij memorie van grieven), ondersteunen de stelling dat [A] partij is bij de overeenkomst met [E] Holding. Wat betreft de bedoelde aangifte inkomstenbelasting, volgt het hof [A] niet in zijn niet nader uitgewerkte verklaring dat de fiscale werkelijkheid afwijkt van de juridische.

4.15.

Anders dan [A] aanvoert, volgt ook uit de formulering van de e-mail van [F] van 6 januari 2012 (overgelegd als productie 5 bij memorie van antwoord) niet dat het hier niet om een gemeenschappelijke lening gaat. Het bericht heeft kennelijk slechts de strekking een overzicht te geven van de financiële verplichtingen ten aanzien van de woning aan [a-straat] 8. Weliswaar schrijft [F] : “ik heb bij [C] om een lening van € 125.000,- gevraagd”, maar voor zover het bericht betrekking heeft op de hypothecaire lening van ABN AMRO is het eveneens in de ik-vorm opgesteld, terwijl tussen partijen niet in geschil is dat die lening ook [A] aangaat.

4.16.

In de procedure bij de rechtbank heeft [A] aangevoerd dat [E] Holding aanzienlijke dividenden heeft betaald en dat hij het er voor houdt dat de door [E] Holding verstrekte lening daarmee inmiddels is afbetaald. Dat niet nader onderbouwde standpunt is door [C] gemotiveerd betwist en vervolgens door [A] niet nader uitgewerkt. Het hof zal daaraan om die reden voorbijgaan.

4.17.

Het hof komt tot de slotsom dat [A] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij partij is bij de overeenkomst met [E] Holding, waardoor dit zonder verdere bewijslevering is komen vast te staan (art. 149 Rv).

4.18.

Hierboven is onder 4.6 toegelicht dat er vanaf september 2014 ten onrechte inhoudingen op de verschuldigde huur zijn gedaan voor de rente en aflossing. Als deze eerdere inhoudingen ongedaan worden gemaakt, heeft [A] vanaf voornoemde datum niet langer middels verrekening aan zijn betalingsverplichtingen ter zake van de lening van [E] Holding voldaan en zal hij in zoverre alsnog moeten betalen. [G] c.s. hebben hun vorderingen ten aanzien van [E] Holding in verband daarmee in hoger beroep gewijzigd, zoals in grief V is toegelicht.

Hypothecaire lening ABN AMRO

4.19.

[F] en [A] onderhouden gezamenlijk bij ABN AMRO een hypothecaire geldlening. De daarover verschuldigde rente wordt maandelijks van de bankrekening van [F] afgeschreven. [G] c.s. stellen dat [A] daarin voor de helft dient bij te dragen. Zij hebben gevorderd [A] te veroordelen om maandelijks het deel van de rentebetalingen dat hem aangaat aan [F] te vergoeden. Na eiswijziging in hoger beroep hebben zij daarnaast gevorderd dat [A] tegen voldoende bewijs van kwijting zal worden veroordeeld tot betaling aan [F] van het deel van de rentebetalingen dat hem aangaat over de jaren 2014 tot en met 2020, totaal berekend op € 14.529,65.

4.20.

Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat deze vorderingen toewijsbaar zijn. Niet in geschil is dat [A] over de genoemde periode niet in de hypotheekrente heeft bijgedragen en daarin ook op dit moment nog niet bijdraagt. [A] onderkent dat de hypothecaire lening ook hem aangaat en dat de betalingen aan ABN AMRO mede in zijn belang zijn. Ter zitting is gebleken dat hij op zichzelf niet betwist dat hij gehouden is daarin bij te dragen. Zijn bezwaar is dat dit onderdeel (daarmee) uit de verevening en afwikkeling van het huwelijksvermogen wordt gelicht en hij zo wordt afgesneden van zijn middelen om aan deze verplichting te voldoen. [A] heeft te kennen gegeven zijn deel voor zijn rekening te nemen zodra hij over inkomen beschikt. Dat [A] op dit moment mogelijk niet in staat is om aan zijn verplichtingen te voldoen, staat aan toewijzing van het gevorderde niet in de weg. Bovendien is te verwachten dat [A] weer over inkomen zal beschikken zodra hij zijn aandeel in de door [C] te betalen huurpenningen ontvangt.

4.21.

Hierboven is onder 4.6 toegelicht dat vanaf september 2014 ook niet langer een inhouding op de huur mocht worden gedaan in verband met de rentebetalingen aan ABN AMRO. Als deze eerdere inhoudingen ongedaan worden gemaakt, heeft [A] vanaf die datum niet langer middels verrekening aan zijn verplichting om daarin bij te dragen voldaan. [G] c.s. hebben hun vorderingen ten aanzien van [F] in verband daarmee in hoger beroep gewijzigd, zoals in grief V is toegelicht.

4.22.

Grief III slaagt. De vorderingen onder C en D liggen voor toewijzing gereed.

In de zaak met zaaknummer 200.248.832 en de zaak met zaaknummer 200.267.733

Vaststellingsovereenkomst van 27 augustus 2004

4.23.

[G] c.s. stellen voorts dat op 27 augustus 2004 een vaststellingsovereenkomst tussen [A] en [C] is gesloten in verband met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met [C] . Een verzoek van [C] om deze arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden is eerder bij beschikking van 25 februari 2004 door de kantonrechter van de rechtbank Utrecht, locatie Amersfoort afgewezen.6 De vaststellingsovereenkomst houdt onder meer in dat [A] een vordering van [C] op hem ten belope van € 8.832,47 zal voldoen, indien en zodra hij daarvoor de financiële middelen heeft. Dit bedrag is het restant van een zonder toestemming door [A] van de rekening van [C] geboekt bedrag van € 140.000,- dat [A] aan [C] diende terug te betalen uit hoofde van een veroordelend vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 juni 2004.7 In de onderhavige procedure hebben [G] c.s. bij de rechtbank in conventie gevorderd dat [A] tot betaling van dit bedrag, met rente vermeerderd, zal worden veroordeeld en gevraagd om een verklaring voor recht met de strekking dat [C] mag verrekenen. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen, omdat niet zou zijn voldaan aan de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen voorwaarde (‘indien’) en tijdsbepaling (‘zodra’). Er is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de vordering opeisbaar is, aldus de rechtbank. Op die grond is ook de in reconventie door [A] gevorderde verklaring voor recht dat ieder vorderingsrecht van [C] uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst door verjaring is vervallen, afgewezen. Beide partijen kunnen zich niet met dit oordeel verenigen.

4.24.

[A] ontkent de vaststellingsovereenkomst te zijn aangegaan en voert ter onderbouwing daarvan onder meer aan dat er geen behoefte bestond aan een dergelijke overeenkomst, omdat de betalingsverplichting al voortvloeide uit het vonnis van 23 juni 2004. Daarmee ziet [A] eraan voorbij dat de vaststellingsovereenkomst meeromvattend was en een einde beoogde te maken aan meerdere geschilpunten die op dat moment tussen hem en [C] bestonden.

4.25.

Voorts heeft [A] met duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen verklaard dat de onder de vaststellingsovereenkomst geplaatste handtekening niet van hem is en aangevoerd geen idee te hebben waar het over gaat. Gelet op deze stellige betwisting heeft het stuk waarin de vaststellingsovereenkomst is neergelegd geen dwingende bewijskracht, zolang [G] c.s. niet bewijzen dat de handtekening van [A] afkomstig is. Dat laat echter onverlet dat [G] c.s. ook langs andere weg kunnen onderbouwen en, in geval van gemotiveerde betwisting, bewijzen dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten. Door [G] c.s. is een aantal brieven en een fax overgelegd die betrekking hebben op de vaststellingsovereenkomst (productie 13b bij akte overlegging producties d.d. 20 januari 2021). Bij brief van 11 augustus 2004 heeft mr. Braak, de toenmalig advocaat van [F] aan haar bericht:

“Ik stel voor dat er een vaststellingsovereenkomst wordt getekend door zowel [C] B.V. als door de heer [A] . Die vaststellingsovereenkomst treft u bijgaand in drievoud aan.

Ik ontkom er niet aan om ook mr. Berkel te betrekken in de afweging om de geschilkwestie af te sluiten met een vaststellingsovereenkomst.”

Bij brief van diezelfde datum heeft mr. Braak aan mr. Berkel, de toenmalig advocaat van [A] het volgende geschreven:

“Ik heb mijn cliënte geadviseerd dat, als zij zich met de tekst van de vaststellingsovereenkomst kan verenigen en ook de heer [A] daarmee instemt, de vaststellingsovereenkomst te dateren en te ondertekenen en om ook de heer [A] te laten ondertekenen.”

Een aan het hof Amsterdam gerichte brief van 19 augustus 2004 van mr. Braak, in kopie verzonden aan mr. Berkel, houdt met betrekking tot het door [C] ingestelde beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst vervolgens in:

“In bovengenoemde kwestie hebben partijen te elfder ure een vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze vaststellingsovereenkomst ontneemt ieder belang aan voortzetting van de behandeling van het geschil tussen partijen door uw Hof. Partijen zijn dan ook overeengekomen dat [C] het door haar ingestelde beroep bij uw Hof intrekt (…).”

Op 27 augustus 2004 is door [C] een fax aan mr. Braak verzonden met daarbij de getekende vaststellingsovereenkomst. Uit deze correspondentie maakt het hof op dat destijds door de toenmalige advocaten van partijen is gesproken over de vaststellingsovereenkomst en dat daarover overeenstemming is bereikt.

4.26.

Het hof is van oordeel dat [A] tegenover deze uitvoerige en met producties gestaafde onderbouwing zijn betwisting onvoldoende heeft gemotiveerd, zodat daaraan moet worden voorbijgegaan.

4.27.

In beide zaken speelt vervolgens de vraag naar de opeisbaarheid van het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag en of de vordering van [C] ter zake daarvan is verjaard. In het subsidiaire beroep op verrekening van [G] c.s. ziet het hof aanleiding iedere verdere beslissing daarover aan te houden.

Opheffing beslag

4.28.

[F] heeft in ieder geval met betrekking tot de verplichtingen uit hoofde van de hypothecaire lening van ABN AMRO een toewijsbare vordering op [A] . De rechtbank heeft het door haar gelegde beslag dan ook ten onrechte opgeheven. De daartegen gerichte grief VI slaagt.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

In de zaak met zaaknummer 200.248.832

verwijst de zaak naar de rol van 1 juni 2021 voor akte aan de zijde van [A] , zoals overwogen onder 4.4, 4.5 en 4.10 en daarna 4 weken voor antwoordakte van [G] c.s.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

In de zaak met zaaknummer 200.267.733

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, S.M. Evers en G.D. Hoekstra en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

1 ECLI:NL:RBMNE:2018:3346.

2 Zaaknr 336584 EJ 04-231.

3 ECLI:NL:RBUTR:2004:1843.

4 Zaaknr. 4536700 UV EXPL 15-436 RK/1069.

5 HvJ EU 15 december 2016, ECLI:EU:C:2016:954.

6 Zaaknr 336584 EJ 04-231.

7 ECLI:NL:RBUTR:2004:1843.