Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4254

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
21-002524-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens gewoontewitwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen waarvan 72 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 160 uren. Bewijsvermoeden gewoontewitwassen; geen sprake van concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van verdachte voor herkomst van aangetroffen geldbedragen. Verbeurdverklaring van niet in beslag genomen geldbedragen ex artikel 34 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002524-18

Uitspraak d.d.: 4 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 10 april 2018 met parketnummer 18-950025-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende te [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 april 2021 en 4 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde gewoontewitwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.R.M. Schaap, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 10 april 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het tenlastegelegde gewoontewitwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 15 maart 2016, te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte:

- een of meer contant gestort(e) geldbedrag(en), te weten (in totaal ongeveer) 46.165,00 euro en/of

- een of meer contant(e) geldbedrag(en), te weten (in totaal ongeveer) 29.870 euro

verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet, althans van dat geldbedrag gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, al dan niet van het plegen van (het) voormelde strafbare feit(en), een gewoonte gemaakt;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat primair sprake is van onrechtmatige actieve informatiegaring jegens verdachte, omdat een redelijk vermoeden van schuld, dat is vereist voor het afgeven van een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering, ontbreekt. Daarmee is volgens de raadsvrouw sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor de verdachte in zijn belangen is geschaad en moeten de onderzoeksresultaten die als gevolg daarvan zijn verkregen worden uitgesloten van het bewijs. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.

De raadsvrouw heeft daartoe - samengevat - aangevoerd dat

  • -

    de informatie die door het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) d.d. januari 2015 is verstrekt, onvoldoende geconcretiseerd is;

  • -

    er gebruik is gemaakt van een gedateerde Meld Misdaad Anoniem-melding (hierna: MMA-melding) uit 2011, zonder dat deze melding aan het dossier was toegevoegd en deze melding niet geverifieerd is;

  • -

    er gebruik is gemaakt van een gedateerde anonieme brief uit 2013, waarin wordt gesproken over ene [naam 1] (niet zijnde [verdachte] ) en deze melding niet geverifieerd is;

  • -

    anders dan door de politie is geverbaliseerd, verdachte geen antecedenten op het gebied van de Opiumwet heeft;

  • -

    anders dan door de politie is geverbaliseerd, de Audi A6 die op naam van verdachte staat, niet een waarde heeft van € 70.000,-. Blijkens het ter terechtzitting overhandigde RDW-uittreksel hebben vergelijkbare auto’s uit hetzelfde bouwjaar een lagere waarde, van onder de € 5.000,-.

De raadsvrouw wijst er voorts op dat de informatie van de TCI-melding d.d. januari 2015 ziet op de betrokkenheid van verdachte bij Opiumwet-feiten, te weten hennepteelt. De verdenking ten aanzien van verdachte die ziet op gewoontewitwassen is echter pas ontstaan door het verkrijgen van de financiële gegevens van verdachte op grond van door de officier van justitie afgegeven vordering ex art. 126nd van het Wetboek van Strafvordering.

Subsidiair is door de raadsvrouw aangevoerd dat, gezien het feit dat sprake is geweest van schending van de redelijke termijn, verdachte geen antecedenten heeft op het gebied van de Opiumwet en hij sinds de tenlastegelegde feiten niet meer met justitie in aanraking is geweest, een straf overeenkomstig het voorarrest opgelegd dient te worden, dan wel een taakstraf voor de duur van 160 uren.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Blijkens het dossier is in januari 2015 bij het TCI de volgende informatie binnengekomen, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt:

[verdachte] en [persoon 1] houden zich bezig met de handel in weed. Zij bewaren hun weed op het adres [adres] . [verdachte] en [persoon 1] doen veel zaken met een man die woont aan de [adres] en maken gebruik van de auto’s met het kenteken [kentekennummer] en [kentekennummer] .’

Op basis van bovenstaande informatie wordt door de politie nader onderzoek ingesteld naar voorgenoemde personen, waaronder verdachte. Uit de politiesystemen blijkt dat verdachte geen antecedenten op het gebied van Opiumwet op zijn naam heeft staan en sinds 2014 niet staat ingeschreven in Nederland. Tevens blijkt dat verdachte tot 23 juni 2015 over een Audi A6 beschikte.

Verder wordt verdachte in een MMA-melding uit 2011 en een anonieme brief uit 2013 in verband gebracht met de internationale handel van onder andere softdrugs. Blijkens de per e-mail d.d. 8 april 2021 verstuurde toelichting van het Openbaar Ministerie, die voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep aan het dossier is toegevoegd, zijn voorgenoemde MMA-melding en anonieme brief afkomstig uit een ander onderzoek, genaamd ‘Engill’. In het Engill-dossier zit een proces-verbaal van verdenking met daarin de weergave van de tekst van de MMA-melding:

MMA-melding 20-01-2011 nr. 31.00602

Melding:

[persoon 2] , [adres] , is hoofd van een grote bende die samen een lucratieve internationale drugshandel voeren met o.a. klanten in Engeland en Noorwegen. Zij kopen drugs op van verschillende leveranciers: wiet van verschillende hennepkwekerijen in Groningen en Friesland. XTC voornamelijk uit Maastricht. De levering en bestellingen worden geregeld via 2 Crypton telefoons (nummer onbekend) De broer van [persoon 2] , [persoon 3] , adres onbekend, deze man verhuisd om de twee jaar naar een nieuwe locatie. De verzorgers van de pakketjes, zij pakken de handel in (o.a. soms 8 a 9 kilo wiet) en brengen deze naar de DPD Pakketshops - telkens verschillende depots o.a. Joure, Hoogeveen, Drachten. Zij gebruiken hiervoor verschillende busjes die ook regelmatig worden vervangen door nieuwe. o.a. Renault, Peugeot Partner. Namen van deze mannen: [verdachte] en [persoon 1] wonende te [plaats] . De ouders van [persoon 2] en [persoon 3] , [persoon 4] en zijn vrouw [persoon 5] werken actief mee - daar worden de drugspakketjes verpakt.’

In het Engill-dossier zit voorts een proces-verbaal waarin de tekst van de anonieme brief uit 2013 is opgenomen, die als volgt luidt:

Vanuit het noorden opereert een organisatie die honderden kilo’s wiet, coke en wapens verhandelen naar o.a. Engeland, Ierland, Duitsland en misschien nog wel een paar landen. Deze handel wordt verstuurd allemaal via D.P.D. als post pakket. Zogenaamd hebben de heren een paar web winkels of shops van waar ze o.a. gereedschap verkopen, echter ze versturen van alles behalve gereedschap.

Op dit moment is het vrij rustig, altijd in het begin van het jaar, maar over enkele weken gaan er weer honderden kilo’s en wie weet wat nog meer verstuurd worden. Honderd kilo wiet is alleen al 150.000 euro winst.

Een paar namen van de kopstukken:

[naam 2] (wonend in [adres] , rijdt in een zilveren mercedes ML grijs of in een vrij nieuwe VW gold tdi, of een Opel Vivaro wit)

[naam 3] (wonend in [adres] , rijdt in een zwarte porsche cayenne of een vrij nieuw model Vw golf diesel)

Hun ‘fake’bedrijven zitten o.a. in [adres] , en [adres] in [plaats] , en [adres] in [plaats] . Om deze jongens heen lopen een paar ‘werkers’. Zij werken samen met een groepje uit [plaats] . Hier staan aan het roer; [persoon 2] , [persoon 3] (nieuw model e-klasse mercedes, en poersche cayene) en nog wat jongens er omheen. Weet niet precies de namen maar een ene [naam 1] en [naam 4] (weet niet of goed gespeld). Verder nog in de organisatie ene ‘ [naam 5] uit [plaats] en ene [naam 6] uit [plaats] (heeft 2 koffieshops). Als je pakketten volgt kan je in Engeland en Ierland o.a. ook nog een en ander opdoeken.

Met vriendelijke groet.’

Naar aanleiding van voorgaande informatie wordt uiteindelijk in oktober 2015 besloten door de officier van justitie om een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek af te geven, om inzicht te krijgen in de financiële gegevens van verdachte.

Vormverzuim ex artikel 359a Sv?

Het hof acht de beschikbare informatie die voortvloeit uit de TCI-melding, de MMA-melding uit 2011 en de anonieme brief uit 2013 - wat er ook zij van de overige informatie - inhoudelijk voldoende concreet en specifiek voor een redelijke verdenking zoals vereist voor de afgifte van een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering door de officier van justitie, gelet op het noemen van concrete namen, adressen, plaatsnamen, voertuiggegevens en een taakverdeling en handelwijze inzake hennepteelt en -distributie. Dat in de anonieme brief uit 2013 gesproken wordt over ene [naam 1] in plaats van [verdachte] , maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders, mede gelet op de overige, eveneens wisselend gespelde namen die in zowel de anonieme brief als de MMA-melding worden vermeld. Ook is het hof van oordeel dat het onderhavige tijdsverloop tussen TCI-melding en handelend optreden aan het voorgaande niet afdoet, gelet op de voortdurende aard van het misdrijf waarop de melding betrekking had.

Het hof heeft bij zijn beoordeling gelet op een uitspraak van de Hoge Raad van 5 maart 2013, inhoudende dat verdenking van overtreding van (in dat geval) de Wet wapens en munitie kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie. De omstandigheid dat de melding van de CIE ook inhoudt dat een oordeel over de betrouwbaarheid van de informatie niet kon worden gegeven, was niet onverenigbaar met het oordeel van het betreffende hof dat de in de CIE-melding genoemde informatie voldoende concreet en specifiek was en noopte het hof niet tot nadere motivering van zijn oordeel dat aan die CIE-melding het vermoeden kon worden ontleend op grond waarvan de in artikel 49 WWM voorziene opsporingsbevoegdheid mag worden toegepast.1 Naar analogie toegepast op de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat de beschikbare informatie de verdenking van overtreding van de Opiumwet kon dragen en het afgeven van een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering gerechtvaardigd was. Het hof merkt op dat de daaropvolgende doorzoeking van de woning van verdachte en de inbeslagneming van de daar aangetroffen contante geldbedragen, bij wijze van voortgezette toepassing van dwangmiddelen, was toegestaan. Dat de initiële verdenking zag op overtreding van de Opiumwet doet daaraan niet af.

Aldus was het afgeven van de vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering door de officier van justitie naar het oordeel van het hof rechtmatig. Het verweer van de raadsvrouw strekkende tot bewijsuitsluiting wordt, nu er geen sprake is van een vormverzuim ex artikel 359a Sv, reeds daarom dan ook verworpen.

Gewoontewitwassen

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.2

Het hof leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

Nadat door de officier van justitie bovengenoemde vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering was afgegeven, is door de politie nader onderzoek gedaan naar de financiële gegevens van verdachte. Daaruit is naar voren gekomen dat verdachte niet staat ingeschreven in Nederland, weinig tot geen vaste inkomsten uit loon of een uitkering ontvangt en dat via de bankrekening vooral vaste lasten worden betaald, maar er nauwelijks uitgaven voor boodschappen en/of huishoudelijke zaken worden gedaan. Voorts blijkt dat verdachte in de jaren 2014, 2015 en de eerste 11 weken van het jaar 2016 voor een totaalbedrag van

€ 46.165,- aan contante stortingen heeft verricht. Naar aanleiding daarvan wordt de woning van verdachte doorzocht, waarbij een grote hoeveelheid contant geld van in totaal

€ 29.870,- wordt aangetroffen en waarvoor verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie geen verklaring heeft willen geven.

Op grond hiervan acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat de genoemde geldbedragen in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig zijn. Van verdachte mag vervolgens worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van deze geldbedragen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg pas voor het eerst verklaard dat de gestorte contante geldbedragen en de bij de huiszoeking aangetroffen contante geldbedragen afkomstig zijn uit zijn bedrijf, dat gericht is op de inkoop en verkoop van auto’s. De ingekochte auto’s worden door verdachte met name naar Servië en Oekraïne geëxporteerd. Deze verklaring heeft verdachte echter niet met stukken kunnen onderbouwen. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg aangegeven de desbetreffende stukken alsnog in hoger beroep te zullen overleggen.

Deze verklaring van verdachte is weinig concreet en niet verifieerbaar, nu verdachte geen enkele informatie heeft kunnen verschaffen op basis waarvan het Openbaar Ministerie nader onderzoek zou kunnen (doen) instellen. In hoger beroep zijn door verdachte geen nadere stukken aangeleverd ter onderbouwing van zijn verklaring. Verdachte lijkt voornamelijk een zwervend bestaan te leiden. Zijn administratie is - naar eigen zeggen - een ‘zooitje’ en over de bij verdachte aangetroffen € 70.635,- is geen belasting betaald. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte desgevraagd verklaard geen concrete informatie te kunnen geven over kopers, inkoop- en verkoopcijfers of inkoop- en verkoopprijzen van de auto’s. Evenmin zijn door verdachte documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij eigenaar is van voornoemd bedrijf.

Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de gestorte bedragen en het aangetroffen contante geldbedrag. Al het voorgaande in overweging nemende is het hof dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de gestorte contante geldbedragen en bij verdachte aangetroffen contante geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist. Het hof merkt daarbij op dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de geldbedragen afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. De enkele door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gedane mededeling, dat hij geen belasting heeft betaald over zijn inkomsten is daartoe niet voldoende, terwijl dit evenmin uit de bewijsmiddelen is af te leiden.

De omvang van de gestorte en aangetroffen contante geldbedragen en de substantiële periode waarin de stortingen hebben plaatsgevonden, leiden er toe dat het hof bewezen acht dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Het hof is - overeenkomstig het oordeel van de rechtbank - van oordeel dat op het totaalbedrag aan contante geldbedragen die tijdens de huiszoeking op 15 maart 2016 op het adres [adres] zijn aangetroffen, in mindering dient te worden gebracht een bedrag van

€ 5.400,-, nu voldoende is komen vast te staan dat dat bedrag toebehoort aan [naam 7] . Dit zal door het hof in de bewezenverklaring tot uitdrukking worden gebracht. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 15 maart 2016, in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte: - contant gestorte geldbedragen, te weten in totaal 46.165,00 euro en - contante geldbedragen, te weten in totaal 24.470,00 euro verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, van het plegen van voormeld strafbare feit, een gewoonte gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een grote hoeveelheid geld, namelijk een geldbedrag van in totaal € 70.635,-. Het witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Witwassen faciliteert andere strafbare feiten en is daarom een ernstig strafbaar feit.

Het hof heeft verder gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 9 maart 2021, waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, zij het voor andersoortige strafbare feiten. Kennelijk hebben deze eerdere veroordelingen verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van een strafbaar feit.

Het hof heeft bij de straftoemeting verder in aanmerking genomen de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waaruit volgt dat bij fraude (zoals witwassen) met een benadelingsbedrag tot € 125.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 tot 9 maanden, dan wel een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf uitgangspunt is.

Het hof stelt vast dat bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens

en de fundamentele vrijheden (EVRM), in hoger beroep is geschonden. Verdachte heeft op 16 april 2018 hoger beroep ingesteld en de behandeling van de zaak is op 4 mei 2021 afgerond. Het hof zal - overeenkomstig vaste jurisprudentie - bij de bepaling van de toe te passen strafkorting handelen naar bevind van zaken, aangezien de redelijke termijn met meer dan 12 maanden is geschonden.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, waarvan 72 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Daarnaast legt het hof verdachte een taakstraf op voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis.

Beslag

Het onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van in totaal

€ 24.470,-, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot welke het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Verbeurdverklaring niet in beslag genomen geld

Het totaalbedrag van € 46.165,- aan contante stortingen verricht door verdachte, zoals volgt uit het onderzoek door de politie naar de financiën van verdachte, en dat volgens diens opgave aan hem toebehoorde, is eveneens vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het eveneens (een) voorwerp(en) betreft met betrekking tot welke het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit is begaan. De verdachte zal dit bedrag moeten betalen, waarbij ingeval van geen (of niet gehele) voldoening vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 24c, 33, 33a, 34 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:4:2 en 6:4:7 van het Wetboek van Strafvordering.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 72 (tweeënzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

geldbedrag van in totaal € 24.470,-.

Verklaart verbeurd het niet in beslag genomen voorwerp, te weten:

geldbedrag geschat - en de betalingsverplichting daartoe vastgesteld op - in totaal

€ 46.165,-, bij geen (of niet gehele) voldoening te vervangen door 265 dagen vervangende hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M. Aksu, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. F. van der Maden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,

en op 4 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 HR 5 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ2191).

2 HR 27 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT4094), HR 13 juli 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM0787), HR 13 juli 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM2471) en HR 28 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:194).