Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4253

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
05-05-2021
Zaaknummer
21-003320-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek opheffing bevel tot voorlopige hechtenis. Opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis op grond van artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte al ruim zevenentwintig maanden in voorlopige hechtenis verblijft.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 67a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-003320-19

Het gerechtshof heeft te beslissen op een ter terechtzitting van 3 mei 2021 gedaan mondeling verzoek, namens de verdachte,

[Voornamen en achternaam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum, -plaats & -land] ,

verblijvende in de PI [detentieplaats] ,

strekkende tot opheffing van het tegen die verdachte rechtens gegeven en nog van kracht zijnde bevel tot voortduren van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft ter terechtzitting van 3 mei 2021 gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat in Enschede. De raadsman en verdachte zijn gehoord via een videoverbinding met de PI [detentieplaats] .

OVERWEGINGEN:

Namens verdachte is verzocht om opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis, primair bij gebrek aan ernstige bezwaren en subsidiair omdat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen het toewijzen van het verzoek tot opheffing.

Het hof overweegt als volgt.

Op 21 februari 2019 is verdachte in verzekering gesteld ter zake de verdenking van betrokkenheid bij – kort gezegd – het medeplegen van een inbraak op 20 februari 2019. Verdachte is sindsdien gedetineerd en aan het bevel tot voorlopige hechtenis is de zogenoemde kleine recidivegrond ten grondslag gelegd. Verdachte is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo op 18 juni 2019 ter zake van het hem ten laste gelegde feit veroordeeld tot de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. De rechtbank heeft niet bepaald dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht moet worden afgetrokken van de door hem uiteindelijk te ondergane ISD-maatregel, hetgeen op grond van artikel 38n, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht ook niet is vereist.

Op 19 juni 2019 is namens verdachte door zijn voormalige raadsman, mr. [raadsman 1] , hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Door een opvolgend raadsman, mr. [raadsman 2] , is bij appelschriftuur van 3 juli 2019 (tijdig) verzocht om de anonieme getuige – genoemd op pagina 11 van het proces-verbaal van de politie en wiens verklaring door de rechtbank tot het bewijs is gebezigd – door de raadsheer-commissaris te laten horen. Dit verzoek is op de terechtzitting van het hof van 13 december 2019 toegewezen en de zaak is daarvoor naar de raadsheer-commissaris verwezen. Sindsdien heeft de voortgang van de zaak – mede door de ontwikkelingen ten gevolge van de Covid19-pandemie en de onttrekking van een volgende opvolgend raadsman, mr. [raadsman 3] , als raadsman van verdachte – (aanzienlijke) vertraging opgelopen. Thans is – door tussenkomst van de raadsheer-commissaris – mr. Oude Breuil toegevoegd als raadsman en staat het verhoor van de (anonieme) getuige gepland voor [datum verhoor getuige] 2021. Op dit moment verblijft verdachte bijna zevenentwintig maanden in voorlopige hechtenis en is een datum voor de inhoudelijke behandeling in hoger beroep nog niet in zicht.

De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft op 6 maart 2019 de gevangenhouding van verdachte bevolen. Het hof is van oordeel dat de verdenking, bezwaren en gronden die hebben geleid tot het bevel tot gevangenhouding van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 6 maart 2019 thans nog bestaan.

Uit artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering volgt dat een bevel tot voorlopige hechtenis achterwege dient te blijven ''wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hij bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel.''

Naar het oordeel van het hof is thans sprake van de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte op dit moment bijna zevenentwintig maanden in voorlopige hechtenis verblijft. Dit betekent dat de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis reeds heeft geleid tot een langere vrijheidsbeneming dan de maximale duur van vrijheidsbeneming die met oplegging van een ISD-maatregel gepaard gaat. Deze maatregel geldt ingevolge artikel 38n, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht voor de tijd van ten hoogste twee jaren. Dat bij een ISD-maatregel op grond van artikel 38n, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht het ondergane voorarrest niet zonder meer van de duur van die ISD-maatregel wordt afgetrokken maakt dat niet anders. Het hof zal het bevel tot voorlopige hechtenis daarom opheffen met onmiddellijke ingang.

Het hof overweegt ten overvloede dat met de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis op grond van artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering niet vooruit wordt gelopen op de uiteindelijk in voorkomend geval op te leggen straf en/of maatregel.

Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 67a en 69 van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING:

Het hof wijst het verzoek toe.

Het hof heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Aldus gegeven op 4 mei 2021

door mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. M.H.D.M. van Leent, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier.