Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4246

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
14-05-2021
Zaaknummer
2000608 en 2000609
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:1860, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Verkoop vrachtwagens en reparatie- en onderhoudswerkzaamheden. Bron van inkomen? Vergrijpboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-5-2021
V-N Vandaag 2021/1183
FutD 2021-1610 met annotatie van Fiscaal up to Date
FutD 2021-1610
NTFR 2021/1693
NLF 2021/1027 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummers 20/00608 en 20/00609

uitspraakdatum: 4 mei 2021

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 18 maart 2020, nummers AWB 19/3664 en AWB 19/3665 in het geding tussen

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is door de Inspecteur voor het jaar 2016 opgelegd: (1) een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), (2) een verliesverrekeningsbeschikking IB/PVV, (3) een boetebeschikking, (4) een beschikking inzake bij de aanslag IB/PVV behorende belastingrente, (5) een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en (6) een beschikking inzake bij de aanslag Zvw behorende belastingrente.

1.2

De Inspecteur heeft het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen de aanslagen en beschikkingen bij uitspraken op bezwaar gegrond verklaard.

1.3

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.

1.4

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 8 april 2021 te Arnhem. Aldaar is belanghebbende verschenen, bijgestaan door mr. [A] als zijn gemachtigde en [B] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [C] en [D] .

1.6

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende, geboren [in] 1973, woonde in het onderhavige jaar (2016) bij een familielid. In het verleden exploiteerde hij een onderneming in de autobranche.

2.2

Op 26 oktober 2015 is de broer van belanghebbende, [E] (hierna: de broer), overleden. De broer exploiteerde een eenmanszaak onder de naam [F] . Hij was werkzaam op het gebied van transport en logistiek. De eenmanszaak was gevestigd op het adres [a-straat1] te [Z] .

2.3

De broer heeft op 13 oktober 2015 een verklaring ondertekend, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Ik ben een zeer zieke man en mijn gezondheid laat het mij niet meer toe om formele zaken te regelen (…)

Ik heb 4 vrachtwagens die zijn afbetaald en doen dienst voor mijn andere bedrijf in Bulgarije

( [F] ) (…)

Al mijn bezittingen, de wagens, personenauto, inboedel van de garage office barakken, heb ik met mijn eigen geld betaald. Behalve de bruggen, machines en andere reparatie benodigdheden zijn van mijn broertje [X] . Hij doet monteurswerkzaamheden voor mij en voor zijn eigen productie. Mijn vrachtwagens en personenauto’s werden door [X] onderhouden.

6. De huur van de pand (…) zal per 1 januari 2016 komen te vervallen. Daarna zal [X] de pand verder huren en mijn bedrijf voortzetten. Want ik kan dat werk niet meer aan. Transport en Logistiek laat ik aan [X] over. Hij zal dat goed weten te regelen.

7. Ik heb verder geen schulden, behalve de Belastingdienst. Er is ruim twintigduizend euro’s afbetaald van de vijfenveertigduizend euro’s. De exacte bedragen en hoofdsom weet ik niet meer uit hoofd.

(…)”.

2.4

De enige erfgenaam van de broer was zijn (op dat moment) minderjarige dochter [G] . Zij heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.

2.5

De bankrekening van de (onderneming van de) broer is vanwege diens overlijden geblokkeerd. Vanaf 1 januari 2016 heeft belanghebbende ingeschreven gestaan in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel onder de handelsnaam [H] . Als adres is eveneens vermeld [a-straat1] te [Z] . Belanghebbende heeft via [H] , met machtiging van de moeder van de minderjarige erfgename, de lopende contracten van [F] uitgediend. Het aan [H] toegekende btw-nummer is nooit geactiveerd. In de loop van 2016 is [H] weer uitgeschreven uit het handelsregister.

2.6

Op de bankrekening van belanghebbende zijn in 2016 verschillende – ook grotere –bedragen gestort door derden (onder anderen door [I] en [J] ). Verder zijn daarop overschrijvingen vermeld (naar een totaalbedrag van € 1.945,95) met omschrijvingen als onder meer “grote beurt” en “APK + onderhoud”.

2.7

De in 2.3 bedoelde vier – op Bulgaars kenteken gestelde – vrachtwagens zijn, nadat deze door belanghebbende ‘op Nederlands kenteken waren gezet’ in mei 2016 door belanghebbende verkocht voor een bedrag van € 38.500.

2.8

Op 13 juni 2017 heeft belanghebbende aangifte voor de IB/PVV 2016 gedaan naar een verzamelinkomen van nihil.

2.9

De Inspecteur is bij het vaststellen van de onderhavige aanslag IB/PVV afgeweken van die aangifte. Hij is op basis van onder meer de bankafschriften van belanghebbende ervan uitgegaan dat belanghebbende in 2016 een resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten van € 125.614. Met inachtneming van een verrekening van een ondernemingsverlies uit voorgaande jaren van € 11.091, heeft de Inspecteur de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 114.523. Daarbij is voorts een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd van € 28.422 en is hem belastingrente in rekening gebracht ten bedrage van € 2.389. De aanslag Zvw 2016 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 52.763 (het wettelijke maximum). Daarbij is belanghebbende € 36 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.10

In de bezwaarfase heeft op 20 november 2018 een hoorgesprek tussen partijen plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte verslag is niet door belanghebbende ondertekend. In het verslag is onder meer vermeld:

‘(…). Toen uiteindelijk duidelijk werd dat hij niets voor zijn inspanningen zou ontvangen heeft hij uiteindelijk de vrachtauto's op zijn naam gezet en verkocht. De opbrengsten hiervan heeft hij gehouden. Hij moest ergens van leven. De heer [B] vult aan dat de heer [X] nog steeds in de schulden zit. De heer [K] concludeert dat dus de verkoopopbrengst van de vrachtauto's van €38.000 als inkomen geldt.

(…)

De heer [K] pakt het overzicht van de inkomsten en uitgaven per bank erbij. Hij vraagt naar de contante storting van € 11.560. De heer [X] geeft aan dat dit betalingen zijn voor reparaties van voertuigen van derden. Volgens de heer [K] dus inkomen uit sleutelen/verkoop van accu's etc. De heer [X] geeft aan dat op enig moment alles verkocht werd wat verkocht kon worden. De heer [K] merkt dit aan als inkomen, evenals de inkomsten uit de verkoop van de vrachtauto's van € 38.000.

(…)’.

2.11

De Inspecteur is gedeeltelijk aan belanghebbendes bezwaren tegemoet gekomen. De Inspecteur is ervan uitgegaan dat de inkomsten van belanghebbende als winst uit onderneming moeten worden gekwalificeerd. Met inachtneming van de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de eerder genoemde verliesverrekening heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning in de uitspraak op bezwaar nader vastgesteld op € 49.973. De vergrijpboete is daarbij verminderd tot € 5.510 en de belastingrente tot € 808. Het bezwaar tegen de aanslag Zvw 2016 en de daarbij behorende belastingrentebeschikking is dienovereenkomstig afgewikkeld.

2.12

In beroep heeft de Rechtbank belanghebbende in het gelijk gesteld. De Rechtbank heeft de aanslag IB/PVV 2016 verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en de boetebeschikking, de belastingrentebeschikking en de aanslag Zvw 2016 vernietigd. Daartoe heeft de Rechtbank, voor zover hier van belang, als volgt overwogen:

“(…)

12. Op verweerder rust de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot de activiteiten in 2016 sprake was van een bron.

13. Eiser heeft uitvoerig verklaard dat hij uit goede trouw en uit belofte aan zijn overleden broer slechts zijn nichtje wilde ontlasten en dat het inkomen niet aan hem is toe te rekenen. Hij heeft slechts gehoor willen geven aan de laatste wil van de broer, zoals die blijkt uit de verklaring van 13 oktober 2015, om de nalatenschap zo goed mogelijk af te wikkelen. Een probleem daarbij was dat eiser zelf niet over de juiste papieren beschikte. Na overleg met onder meer [I] is afgesproken dat lopende contracten zoveel mogelijk afgewikkeld zouden worden. Er was sprake van een belastingschuld, die aanzienlijk groter was dan de broer meende, te weten zo’n € 110.000, en er bleken wel degelijk ook andere schulden te zijn, onder meer aan [L] . Eiser vond het niet meer dan fair naar de Belastingdienst toe dat hij zou proberen de lopende contracten zo veel mogelijk uit te dienen om van de opbrengst nog zo veel mogelijk van de belastingschuld af te lossen. Er liep op dat moment een betalingsregeling van € 2.500 per maand met de Belastingdienst en die wilde eiser graag proberen voort te zetten. Eiser heeft hierover zelfs contact gehad met de Belastingdienst, die daarmee instemde. Deze legde daarna echter beslag op de goederen en rekeningen van [F] . Daarom was de “bypass” met [H] nodig. Eiser vroeg een btw-nummer aan, maar ontving dit niet tijdig. Hierdoor ontstonden er problemen met de facturering. Eiser heeft daarom aanvullende leningen moeten afsluiten om aan de lopende verplichtingen te kunnen voldoen. De ontvangen gelden zijn gebruikt om lopende rekeningen te betalen en ook van de belastingschuld is nog wat afgelost. Daarnaast heeft zijn nichtje € 500 per maand ontvangen. Eiser zelf heeft er niets aan overgehouden en dat was ook niet zijn insteek: hij heeft slechts geprobeerd als zaakwaarnemer de boel te beredderen.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ter zitting consistent en geloofwaardig verklaard dat hij erop uit was de zaken voor de minderjarige erfgename te beredderen en zodoende de lopende verplichtingen na te komen om daardoor zo goed mogelijk aan de verplichtingen van zijn broer aan verweerder te kunnen voldoen. Verweerder heeft eisers verklaringen niet, althans niet gemotiveerd, weersproken. Hiermee heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een subjectieve winstverwachting. Eiser heeft weliswaar deelgenomen aan het economische verkeer, maar nooit met het oogmerk hieruit voordeel te behalen, maar slechts om schade te beperken voor zijn nichtje. Hij heeft opgetreden als zaakwaarnemer voor de nalatenschap in de zin van artikel 6:198 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De belastingschuld en overige doorlopende kosten waren niet zijn schulden, en daar staat tegenover dat eiser juridisch gezien ook geen enkele aanspraak kon maken op de opbrengsten als gevolg van de zaakwaarneming. Uit niets volgt dat eiser het bedrijf van zijn broer heeft overgenomen als zijn eigen bedrijf. Gesteld noch gebleken is dat contracten zijn overgezet op zijn naam en eiser heeft niet betaald voor overname van activa en passiva uit de onderneming van de broer. Eiser heeft weliswaar gelden ontvangen op zijn eigen rekening, maar aannemelijk is dat dit is gebeurd omdat nota bene verweerder beslag had gelegd op de rekening van [F] . Op grond van de regeling in het BW komen die gelden eiser niet toe. Weliswaar heeft eiser als zaakwaarnemer in beginsel recht op een redelijke beloning, maar daarover zijn nimmer afspraken gemaakt.

15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van een subjectieve voordeelsverwachting. Alleen al om die reden is geen sprake van een bron. Daaraan voegt de rechtbank volledigheidshalve nog het volgende toe.

16. In het kader van de objectieve voordeelsverwachting dient te worden onderzocht of van de activiteiten van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze hem positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren. De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen. Uit de verklaring van eiser volgt dat het van meet af aan de bedoeling was louter lopende contracten uit te dienen. Eiser beschikte zelf niet over de benodigde papieren om de onderneming voort te kunnen zetten. Hoe in dat licht, geoordeeld over een langere periode, sprake kan zijn van een objectieve voordeelsverwachting, heeft verweerder niet onderbouwd, althans niet op juiste wijze. Verweerder is daarbij ten onrechte voorbijgegaan aan de bestaande schulden en heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de te verwachten opbrengsten (waarvan van meet af aan duidelijk was dat die eindig waren) hoger zouden zijn dan de bestaande schulden en doorlopende kosten. De verhouding tussen de lopende en doorlopende kosten enerzijds en de inkomsten anderzijds is volstrekt onduidelijk gebleven. Eiser heeft verklaard dat hij zelfs leningen heeft moeten afsluiten om aan lopende verplichtingen te kunnen voldoen. Ook een objectieve voordeelsverwachting is gelet op dit alles niet aannemelijk geworden.

17. De vrachtauto’s zijn verkocht. Eiser heeft hiervoor in totaal € 38.500 ontvangen. Verweerder heeft gesteld dat eiser heeft erkend dat de opbrengst daarvan voor hem was. Eiser heeft ook dat gemotiveerd bestreden. De gemachtigde heeft verklaard dat verweerder in een gesprek heeft aangegeven dat in elk geval de opbrengst van de vrachtwagens verantwoord had moeten worden. Daarop heeft de gemachtigde iets geantwoord in de trant van “dat zij dan zo”. Daarmee heeft hij niet bedoeld dat hij het hiermee eens is.

18. Verweerder draagt de bewijslast voor de stelling dat de opbrengst van de vrachtwagens tot het inkomen van eiser behoort. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook hierin niet is geslaagd. De vrachtwagens waren eigendom van de broer en behoorden tot de nalatenschap van de broer. Verweerder heeft niets gesteld waaruit volgt dat eiser aanspraak kon maken op de verkoopopbrengst. Het feit dat eiser de verkoop heeft verricht acht de rechtbank daarvoor onvoldoende, omdat de beneficiaire aanvaarding ten behoeve van de minderjarige dochter eraan in de weg stond dat zij beschikkingshandelingen verrichtte. Het feit dat de opbrengst op zijn bankrekening is gestort acht de rechtbank ook niet redengevend, vanwege de hiervoor genoemde beslaglegging op de rekening van [F] .

19. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat bij eiser sprake was van een bron van inkomen. Aan de stellingen van verweerder omtrent het niet doen van de vereiste aangifte komt de rechtbank dan niet meer toe, omdat eiser wel aangifte heeft gedaan (zij het een nihilaangifte) en het dan op de weg van verweerder ligt eerst met de gewone regels van bewijs aannemelijk te maken dat een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan belasting niet is geheven als gevolg van het doen van een onjuiste aangifte. Uit het voorgaande volgt dat verweerder hierin naar het oordeel van de rechtbank niet is geslaagd.

(…)”.

2.13

De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.

3 Het geschil

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende in 2016 een bedrag van € 61.044 als resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten. Voorts is in geschil of terecht een boete van € 5.510 aan belanghebbende is opgelegd. De Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend en belanghebbende ontkennend. Ter zitting heeft de Inspecteur uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat hij zijn stelling dat sprake is van een tussen hem en belanghebbende gesloten vaststellingsovereenkomst intrekt.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende met de verkoop van de vier vrachtwagens in mei 2016 een bedrag van € 38.500 en met in 2016 verrichte reparaties en onderhoudswerkzaamheden aan auto’s een bedrag van € 11.560, derhalve in totaal € 50.060 aan belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden heeft gerealiseerd. Gelet hierop dient, volgens de Inspecteur, in deze procedure de administratiefrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast te worden toegepast. Belanghebbende heeft daarentegen (ook) in hoger beroep, ook na kritische ondervraging door het Hof ter zitting, volhard in zijn stelling dat hij in 2016 geen inkomen heeft genoten. Hij woonde bij een familielid en werd, aldus belanghebbende, onderhouden door familieleden, hetgeen in de Turkse gemeenschap waartoe belanghebbende behoort niet ongebruikelijk is.

4.2

Op de Inspecteur rust de last zijn stelling dat belanghebbende in 2016 met de verkoop van de vier vrachtwagens een bedrag van € 38.500 als resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten aannemelijk te maken. Evenals de Rechtbank, is het Hof van oordeel dat hij daarin niet is geslaagd. Het Hof verenigt zich in dit verband met de door de Rechtbank in overweging 18 van haar uitspraak gegeven oordelen. De Inspecteur heeft zijn bewijs voor zijn stelling inzake de verkoopopbrengst van de vier vrachtauto’s slechts geput uit verklaringen van belanghebbende op dit punt (hoorverslag, bezwaar– en beroepschrift). Hoewel die verklaringen ten gunste van het standpunt van de Inspecteur lijken te pleiten, acht het Hof dit bewijs hier niet voldoende. Redengevend daarvoor is dat het hoorverslag niet door belanghebbende is ondertekend, de verklaringen in het bezwaar- en beroepschrift niet van belanghebbende zelf zijn maar van de heer [B] en dat belanghebbende zelf in beroep en in hoger beroep steevast heeft weersproken dat de opbrengst van de verkoop van de vrachtauto’s hem ten goede is gekomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald dat ook deze opbrengst door hem is afgestaan aan de moeder van zijn nichtje, de minderjarige erfgename. In dat licht bezien had het naar het oordeel van het Hof op de weg van de Inspecteur gelegen om nader onderzoek te verrichten en (nader) bewijs te vergaren. Dit heeft hij echter nagelaten.

4.3

Voor het bewijs van zijn stelling dat belanghebbende een bedrag van € 11.560 ter zake van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden heeft genoten, heeft de Inspecteur zich in wezen slechts beroepen op de in het verslag van het hoorgesprek opgenomen erkenning daarvan door belanghebbende en op de in 2.6 bedoelde overschrijvingen op de bankrekening van belanghebbende. Volgens de Inspecteur bevat het onderhavige dossier geen stukken waaruit blijkt dat belanghebbende zich niet met de inhoud van het hoorverslag kon verenigen. Hoewel aan de Inspecteur kan worden toegegeven dat de stortingen op de bankrekening van belanghebbende met omschrijvingen als bijvoorbeeld “grote beurt” en “APK + onderhoud” de nodige vraagtekens oproepen en de door belanghebbende dienaangaande ter zitting van het Hof gegeven antwoorden geen duidelijkheid hebben verschaft, had het naar het oordeel van het Hof, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende en in aanmerking genomen dat het hoorverslag niet door belanghebbende is ondertekend, op de weg van de Inspecteur gelegen ook op dit punt nader onderzoek te verrichten en (nader) bewijs voor zijn stelling te vergaren. Dat heeft hij echter nagelaten. Nu blijft onzekerheid bestaan over de aannemelijkheid van de stelling van de Inspecteur. Deze onzekerheid dient voor risico van de Inspecteur te komen.

4.4

Geconcludeerd moet derhalve worden dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2016 enig inkomen heeft genoten. Alsdan wordt aan de vraag of de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast moet worden toegepast, niet toegekomen.

4.5

De Rechtbank heeft de aanslag IB/PVV 2016 terecht verminderd tot nihil. Gelet hierop, heeft de Rechtbank eveneens terecht de boetebeschikking, de met de aanslag IB/PVV samenhangende beschikking inzake de belastingrente en de aanslag Zvw vernietigd. In de overwegingen van de Rechtbank ligt voorts besloten dat zij de verliesverrekeningsbeschikking heeft vernietigd en de belastingrentebeschikking inzake de Zvw. Nu de Rechtbank dit niet expliciet in haar dictum heeft vermeld, zal het Hof dit in het dictum van deze uitspraak aanvullen.

Slotsom

Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond. Hetgeen hij overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af.

5 Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende ter zake van het hoger beroep. Het Hof stelt de kosten van in hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.068 (twee punten voor proceshandelingen x € 534). Voorts kent het Hof een vergoeding aan belanghebbende toe van € 20 voor reis- en verblijfkosten. In totaal derhalve € 1.088. Opmerking verdient dat de Rechtbank belanghebbende reeds een vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase heeft toegekend. Die beslissing laat het Hof in stand.

6 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

- vernietigt de verliesverrekeningsbeschikking,

- vernietigt de belastingrentebeschikking inzake de Zvw,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende voor het hoger beroep, vastgesteld op een bedrag van € 1.088, en

- bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 532.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. I. Linssen, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

De griffier, De voorzitter,

(P.W.L. van den Bersselaar)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 mei 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.