Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4241

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
21-002680-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte voor het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van goederen en een ruimte waarvan hij weet dat deze bestemd zijn tot het plegen van een in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet genoemd misdrijf tot een taakstraf van honderdvijftig uren subsidiair vijfenzeventig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering wegens onvoldoende causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002680-18

Uitspraak d.d.: 4 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 4 mei 2018 met parketnummer 18-223576-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

domicilie kiezende ter kantore van zijn raadsman,

Vissersdijk 16, 9671 EH Winschoten.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts vordert de advocaat-generaal hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. W.G. ten Have, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep


De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 28 september 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten

- 35 assimilatielampen en/of

- 41 armaturen en/of

- 28 LED lampen en/of

- 2 elektriciteitssnoeren en/of

- 2 schakelborden en/of

- 34 transformatoren en/of

- 2 luchtafzuigers en/of

- 1 slakkenhuis en/of

- 1 ventilatieapparatuur en/of

- 1 kachel en/of

- 1 luchtbevochtiger en/of

- 3 temperatuurventilatieregelaar en/of

- een of meer dompelpompen en/of

- potten dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten een pand gelegen aan/nabij de Hoofdweg, waarvan hij en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Uit het dossier blijkt dat verdachte tezamen met de medeverdachten op 13 juni 2017 is

aangetroffen bij het pand aan de [adres] te [plaats] . Vervolgens is door

verbalisanten gezien dat op 23 juni 2017 twee mannen en een vrouw, naar later bleek

verdachte en de medeverdachten, houten balken en houten schotten de woning binnen

droegen. Op 16 september 2017 werden verdachte en de medeverdachten daar opnieuw

aangetroffen. Op 28 september 2017 werden zij in het pand aangehouden. Het pand bevatte

op dat moment een grote hoeveelheid materialen die betrekking hebben op een

hennepkwekerij. De politierechter acht de verklaring van verdachte dat zij aan het opruimen dan wel schoonmaken waren in het pand niet geloofwaardig. Zo is er verklaard dat er in de laatste dagen voor de aanhouding werd schoongemaakt. Verdachte en de medeverdachten zijn echter al in juni bij het pand aangetroffen en in die maand werden ook houten balken en schotten naar binnen gedragen. Daarnaast is er maanden lang huur betaald voor een woning waar niet in werd gewoond. (…)

Het hof neemt bovenstaande overwegingen van de politierechter over.

Over het bewijs van de aard van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen overweegt het hof als volgt.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de hennepteelt.

Artikel 11a van de Opiumwet stelt strafbaar degene die, onder meer, voorwerpen te koop aanbiedt, waarvan hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het telen van hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet dan wel tot het grootschalig telen van hennep als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet. In art. 1 lid 2 Opiumwetbesluit (Besluit van 9 december 2002, Stb. 2002, 624, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 29 oktober 2012, Stb. 2012, 550, i.w.tr. op 8 januari 2013) wordt bepaald dat als grote hoeveelheid moet worden beschouwd: 500 gram hennep, 200 hennepplanten en 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in lijst II.

Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 3) en de brief van de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie (Kamerstukken II, 2012/13, 32 842, nr. 13) blijkt dat het er bij de strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet om gaat dat voorwerpen ter beschikking worden gesteld, terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen strafbare handelingen (overtreding van artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet) worden begaan. De keuze voor deze formulering brengt mee dat het gaat om een objectiveerbare situatie en dat niet het subjectieve oordeelsvermogen van de verdachte bepalend is.

De op 28 september 2027 aan de [adres] in [plaats] aangetroffen voorwerpen en ruimte zijn naar het oordeel van het hof vanwege hun aard en/of functie bestemd voor grootschalige hennepteelt. Ook de combinatie van de aangetroffen stoffen en voorwerpen wijst op een bestemming tot grootschalige hennepteelt.

Het hof acht niet bewezen dat die voorwerpen en ruimten bestemd waren tot het telen van hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid van de Opiumwet. Het hof zal verdachte daarvan vrijspreken.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich, samen met de medeverdachten, schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde, zoals hieronder bewezenverklaard.

Bewijsmiddelen

1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 31 juli 2017, nummer 2017, opgenomen in het dossier met nummer 2017202139, voor zover inhoudende:

als relaas van verbalisant [verbalisant1]

Op 13 juni 2017 werd door het politieteam een bedrijfsauto gecontroleerd. Achter het stuur

zat [verdachte] en bij hem in de auto zaten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] .

[verdachte] vertelde dat hij de door hem bestuurde auto had gehuurd.

Op 23 juni 2017 zag ik dat een bedrijfsauto voor het perceel [adres] te [plaats]

stond. Op deze auto stond reclame van [naam1] . Ik zag dat twee mannen en een vrouw goederen vanuit deze auto haalden en de woning binnen droegen. Ik zag dat de beide mannen houten balken en houten schotten de woning binnen droegen.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 11 oktober 2017, nummer PL0100-2017202139-36, opgenomen in het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:

als relaas van verbalisant [verbalisant2]

Op 28 september 2017 is in de woning aan de [adres] te [plaats] een in

aanbouw zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In de hal lagen meerdere transformatoren

verpakt en de zolderruimte was al geheel ingericht als hennepkwekerijruimte.

3. Een schriftelijk bescheid, zijnde een ruimlijst hennep d.d. 28 september 2017, nummer 034707, opgenomen in het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:

Een ruimlijst hennep ter zake van de inbeslagname aan de [adres] te [plaats] .

Omschrijving van de goederen:

-35 assimilatielampen en

- 41 armaturen en

- 28 LED lampen en

- 2 elektriciteitssnoeren en

- 2 schakelborden en

-34 transformatoren en

- 2 luchtafzuigers en

- 1 slakkenhuis en

- 1 ventilatieapparatuur en

- 1 kachel en

- 1 luchtbevochtiger en

- 3 temperatuurventilatieregelaars en

- een dompelpomp.

4. Schriftelijke bescheiden, zijnde foto’s van de woning aan de [adres] te [plaats] , nummer 2017202139, opgenomen in het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:

Op de foto’s is onder andere het volgende te zien:

Gebruikte zwarte plastic potten met aarderestanten, gebruikte potten in dozen, zakken met

potgrond;

5. Een schriftelijk bescheid, zijnde het aangifteformulier van [naam2] d.d. 10

oktober 2017, dossiernummer 9684CJ00117, opgenomen in het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:

als bevindingen van [naam3] , namens [naam2] B.V.

Op 28 september 2017 werd er diefstal van energie geconstateerd in het pand op het adres

[adres] te [plaats] . Uit onze administratie blijkt dat [verdachte] in elk geval op het

moment van binnentreden op 28 september 2017 contractant was op genoemd perceel. Bij

controle van de netcomponenten van [naam2] B.V. en de installaties in de

meterkast van het genoemde pand heeft de fraude-inspecteur vastgesteld dat er een illegale

aansluiting was gemaakt in de hoofdaansluitkast.

6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 10 oktober 2017, nummer PL0100-2017202139-32, opgenomen in het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:

als verklaring van [naam4]

Ik heb de woning aan de [adres] te [plaats] aan [verdachte] verhuurd. De huur is ingegaan op 4 april 2017.

7. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 september 2017, nummer PL0100-2017202139-26, opgenomen in het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:

als verklaring van [verdachte]

Ik ben in augustus ook al bij het pand geweest. Ik blijf er niet lang. Een dag en dan weer

weg. U vraagt mij hoe ik naar [plaats] ga. Eén of twee keer met de vrouw erheen

gereden, in een Ford Ka. U vraagt mij wat ik weet van het busje van [naam1] dat op 23 juni

bij de woning is gezien. Dat weet ik. De vrouw reed er toen in. Dit was [medeverdachte2] . [medeverdachte1] was er ook bij. U vraagt mij of ik erbij was toen twee weken geleden de blauwe auto er ook stond. Ja, dat kan wel. Met die andere twee samen.

8. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 29

september 2017, nummer PL0100-2017202139-25, opgenomen in het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:

als verklaring van [medeverdachte2]

U vraagt mij wanneer ik voor het eerst in het pand ben geweest. Ergens in juni.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 juni 2017 tot en met 28 september 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen voorwerpen voorhanden heeft gehad, te weten

- 35 assimilatielampen en

- 41 armaturen en

- 28 LED lampen en

- 2 elektriciteitssnoeren en

- 2 schakelborden en

- 34 transformatoren en

- 2 luchtafzuigers en

- 1 slakkenhuis en

- 1 ventilatieapparatuur en

- 1 kachel en

- 1 luchtbevochtiger en

- 3 temperatuurventilatieregelaar en

- een dompelpomp en

- potten en ruimten voorhanden heeft gehad, te weten een pand gelegen aan/nabij de Hoofdweg, waarvan hij en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van voorwerpen en ruimten voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van goederen waarvan hij en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale circuit betreffende teelt en handel in (soft)drugs, met alle daarbij komende (maatschappelijke) problemen.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 maart 2021 blijkt dat hij voorafgaand aan onderhavige feiten niet eerder in Nederland met politie en justitie in aanraking is geweest.

Gelet op het voorgaande en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een taakstraf van honderdvijftig uren subsidiair vijfenzeventig dagen hechtenis passend en geboden. Daarbij heeft het hof ook rekening gehouden met het tijdsverloop in onderhavige zaak.

De advocaat-generaal vorderde ten aanzien van verdachte oplegging van een gevangenisstraf, nu verdachte niet meer ingeschreven staat in Nederland en van hem geen woonadres bekend is. Het hof overweegt dat door de raadsman ter zitting in hoger beroep is aangegeven dat verdachte domicilie heeft gekozen bij zijn raadsman op kantoor. Voorts gaf de raadsman aan dat hij verdachte goed kan bereiken en de eventuele post kan doorsturen. Mede gelet hierop acht het hof oplegging van een gevangenisstraf niet passend dan wel geboden.

Vordering van de benadeelde partij [naam2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 636,17. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte voorwerpen en ruimten voorhanden heeft gehad. Uit het dossier en de door [naam2] gedane aangifte volgt niet dat de schade is ontstaan door het voorhanden hebben van de goederen en van de woning. Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [naam2]

Verklaart de benadeelde partij [naam2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. W. Geelhoed, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,

en op 4 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.