Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4161

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
20/00569
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:1636, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek tot beperkte kennisneming. Identiteit tipgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1091
FutD 2021-1477 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/1652
Viditax (FutD), 07-05-2021
NLF 2021/1110 met annotatie van Ludwijn Jaeger
V-N 2021/31.27.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 20/00569

beslissingsdatum: 28 april 2021

Beslissing van de tweede meervoudige belastingkamer

op het beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

in het geding tussen de Inspecteur en

[X] domicilie kiezende te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2020, nummer AWB 17/6980, ECLI:NL:RBGEL:2020:1636.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikking is heffingsrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank).

1.4.

De Inspecteur heeft hangende de beroepsprocedure stukken aan de Rechtbank overgelegd en daarbij een beroep op (gedeeltelijke) geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gedaan. Deze stukken zijn ook in een geschoonde versie aan belanghebbende overgelegd.

1.5.

De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bij beslissing van 11 december 2018 geoordeeld dat de beperking van de kennisneming - met enige aanpassingen - van de stukken en daarmee de geheimhouding van de identiteit van de tipgever en een derde die op initiatief van de Inspecteur is benaderd (hierna: de derde) gerechtvaardigd is.

1.6.

Bij brief van 16 januari 2019, na de beslissing van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank, heeft de Inspecteur de gehele, in eerste instantie geanonimiseerde, agenda van de personal trainer van belanghebbende, de heer [A] , in ongeschoonde versie overgelegd en in het geding gebracht.

1.7.

De Rechtbank heeft op 10 maart 2020 uitspraak gedaan.

1.8.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

De Inspecteur heeft in het verweerschrift in hoger beroep gesteld dat hij volledig uitvoering heeft gegeven aan het dictum van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank en heeft verder geen ongeschoonde versie van de betreffende stukken (zie 1.4.) overgelegd. Hieruit heeft het Hof begrepen dat de Inspecteur met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, ook in hoger beroep weigert de (niet-geschoonde) stukken te overleggen en de identiteit van de tipgever en de derde te openbaren.

1.10.

Bij brief van 23 februari 2021 heeft het Hof aan partijen medegedeeld dat de geplande zitting een zitting van de geheimhoudingskamer zal zijn.

1.11.

In het procesdossier van de geheimhoudingskamer bevindt zich een set geschoonde

stukken (hierna ook: geschoonde versie) en een set ongeschoonde stukken (hierna ook: ongeschoonde versie) waarvoor het beroep op (gedeeltelijke) geheimhouding is gedaan, en ook de stukken waarmee de Inspecteur gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank.

1.12.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2021. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze beslissing is gehecht.

2 Overwegingen

2.1.

Het Hof stelt voorop dat niet in geschil is dat de stukken in de ongeschoonde versie op de zaak betrekking hebbende stukken zijn zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Daarnaast heeft de Inspecteur ter zitting van het Hof geloofwaardig verklaard dat hij alle in welke vorm dan ook bestaande stukken - behoudens een enkele aankondigingsbrief aan de heer [A] en een brief inzake een derdenonderzoek bij een reisbureau - in de ongeschoonde versie heeft overgelegd. De nog niet overgelegde stukken, waarvoor geen beroep op artikel 8:29 van de Awb zal worden gedaan, zal hij alsnog aan het Hof en belanghebbende zenden. De kamer van het Hof die de hoofdzaak zal behandelen, zal – indien en voor zover daar nog een geschil over bestaat – beslissen over de vraag of er nog meer op de zaak betrekking hebbende stukken zijn zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De geheimhoudingskamer van het Hof beperkt zich tot de beslissing of beperking van de kennisneming van (delen van) de thans overgelegde stukken gerechtvaardigd is. Het Hof heeft bij zijn beoordeling kennis genomen van het gehele procesdossier.

2.2.

Op de voet van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, kan de inspecteur – indien daarvoor gewichtige redenen zijn – weigeren stukken, of gedeelten daarvan, over te leggen dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis te brengen. Bij de toepassing van dit artikellid dient de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de Inspecteur voor geheimhouding of beperkte kennisneming aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding of beperkte kennisneming rechtvaardigen.

2.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat voor de hierna te noemen stukken kennisneming van (delen van) deze stukken is voorbehouden aan het Hof (beperkte kennisneming) als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Deze stukken zien op:

  1. informatie van de tipgever die anoniem wil blijven;

  2. informatie van de derde die anoniem wil blijven en aan wie anonimiteit is toegezegd;

  3. het dossier van belanghebbende bij [B] ;

2.4.

De Inspecteur heeft voor het schonen van (passages in) de stukken redenen aangevoerd die hij beschouwt als ‘gewichtige redenen’. De geschoonde passages zijn zwartgemaakt en een aantal stukken behoren in het geheel niet tot de geschoonde versie. Na de beslissing van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft de Inspecteur ervoor gekozen om de agenda van de personal trainer van belanghebbende, de heer [A] , alsnog in ongeschoonde versie in het geding te brengen. Belanghebbende heeft daarom ter zitting bij het Hof uitdrukkelijk bevestigd dat hij zijn gronden in hoger beroep die zien op de kennisneming van de inhoud van deze agenda heeft laten varen.

Anonimiteit tipgever en derde

2.5.

De Inspecteur heeft voor de anonimiteit van de tipgever en de derde, de volgende redenen aangevoerd:

a. privacy, in samenhang met het algemeen belang dat een democratische samenleving heeft

bij het melden door burgers (of klokkenluiders) van mogelijke ernstige schendingen of overtredingen van de wet;

de tip bestaat slechts uit de ‘blote’ stelling dat belanghebbende in

Nederland, in [C] aan de [a-straat1] , woonachtig zou zijn. Door de tipgever is verder geen bewijs ingebracht;

de derde aan wie anonimiteit is toegezegd, is zorgvuldig benaderd. De van de derde

verkregen informatie is niet gebruikt of in het geding gebracht.

2.6.

Belanghebbende voert – kort gezegd – aan dat hij in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad, zolang de identiteit van de tipgever en de derde niet wordt geopenbaard en de stukken niet integraal worden overgelegd. Op grond van artikel 8:42 van de Awb moeten deze stukken immers worden overgelegd. Bovendien zouden deze stukken ook voor belanghebbende ontlastende informatie kunnen bevatten, waarvan hij nu geen kennis kan nemen. Verder kan belanghebbende niet beoordelen of de Inspecteur wellicht zijn geheimhoudingsplicht ingevolge artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft geschonden bij het op eigen initiatief benaderen van de derde.

2.7.

Het Hof is van oordeel dat de inbreuk op de privacy - persoonlijke levenssfeer - van de tipgever en de derde, aanzienlijk zwaarder weegt dan het verdedigingsbelang van belanghebbende bij kennisneming van de identiteit van deze personen en de door de derde overgelegde stukken. Het Hof betrekt in zijn oordeel dat (i) de ongeschoonde versie van de stukken geen - voor belanghebbende - ontlastend materiaal bevat, (ii) de tipgever naast de tip, bestaande uit de ‘blote’ mededeling dat belanghebbende in Nederland zou wonen, geen stukken heeft overgelegd, (iii) de Inspecteur bij het benaderen van de derde de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, behoorlijk heeft behandeld en daarbij niet in strijd heeft gehandeld met de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de AWR, (iv) de aannemelijkheid en het gewicht van de door de derde aangevoerde mogelijke gevolgen waaraan deze bij bekendmaking van de identiteit zou kunnen worden blootgesteld en (v) de stukken die zijn overgelegd door de derde niet zijn gebruikt, zodat de bewijsvoering van de Inspecteur in deze zaak niet gebaseerd is op, of gedragen wordt door, stukken waarvan de kennisneming voor belanghebbende is beperkt.

Dossier [B]

2.8.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat beperkte kennisneming van het dossier van belanghebbende bij [B] deels gerechtvaardigd is (zie de overwegingen 14 tot en met 21 van de beslissing van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank). Het tegen deze beslissing gerichte hoger beroep van belanghebbende faalt. De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof op goede gronden juiste beslissingen genomen. Voor zover belanghebbende tegen deze oordelen van de Rechtbank appelleert, wijst het Hof die grieven af en maakt het de beslissingen en de daartoe door de Rechtbank gebezigde overwegingen tot de zijne.

Slotsom

2.9.

Gelet op het voorgaande zal het Hof daarom beslissen dat de door de Inspecteur aangebrachte beperking van de kennisneming, bestaande uit de geschoonde versie van de stukken aangevuld met de stukken die door de Inspecteur zijn ingebracht na de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank, met als gevolg daarmee dat ook de identiteit van de tipgever en de derde niet wordt geopenbaard, gerechtvaardigd is.

3 Beslissing

Het Hof:

- bepaalt dat de door de Inspecteur aangebrachte beperking van de kennisneming zoals aangebracht in de geschoonde versie van de stukken - met inachtneming van de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank - gerechtvaardigd is;

  • -

    bepaalt dat de Inspecteur de identiteit van de tipgever en de derde niet behoeft prijs te geven; en

  • -

    stelt belanghebbende in de gelegenheid op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, het Hof binnen twee weken na dagtekening van deze beslissing te berichten of zij erin toestemt dat het Hof uitspraak doet mede op de grondslag van de stukken waarvoor de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is.

Deze beslissing is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. B.F.A. van Huijgevoort, en mr. W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de beslissing te ondertekenen.

De voorzitter,

(T. Tanghe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 april 2021.

Tegen tussenbeslissingen, zoals die bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.