Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4157

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
20/00509 en 20/00510
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:955, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Antiekwinkel. Bron van inkomen? Objectieve voordeelsverwachting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1094
FutD 2021-1534 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/1624
Viditax (FutD), 07-05-2021
V-N 2021/31.27.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 20/00509 en 20/00510

uitspraakdatum: 28 april 2021

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 februari 2020, nummers AWB 19/4951 en 19/4952, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2016 en 2017 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.443. Bij beschikkingen is belastingrente berekend van respectievelijk € 178 en € 142.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag IB/PVV 2016 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van € 16.143 en de belastingrente 2016 verminderd tot €173.

1.3.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag IB/PVV 2017 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van € 16.076 en de belastingrente 2017 verminderd tot €138.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank).

1.5.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 14 februari 2020 het beroep inzake de aanslag IB/PVV 2017 en belastingrente 2017 ongegrond verklaard, het beroep inzake de aanslag IB/PVV 2016 en belastingrente 2016 gegrond verklaard, de desbetreffende uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag IB/PVV 2016 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van € 16.138 en de belastingrente 2016 dienovereenkomstig verminderd.

1.6.

Belanghebbende heeft op 26 maart 2020 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.7.

Belanghebbende heeft op 2 juli 2020 een nader stuk ingediend.

1.8.

De Inspecteur heeft op 29 januari 2021 een verweerschrift ingediend.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2021. De zaken met de nummers 20/00509 en 20/00510 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Belanghebbende is bij aangetekende brief van 2 maart 2021 uitgenodigd voor de zitting. Deze brief is op 4 maart 2021 door belanghebbende afgehaald bij een PostNL-punt. Het of HHof gaat daarom ervan uit dat belanghebbende op regelmatige wijze is uitgenodigd voor de zitting. Namens de Inspecteur zijn verschenen [A] en mw. [B] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren in 1953, is sinds 1 maart 1984 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder de handelsnaam [X] . De activiteiten bestaan uit drijven van een winkel in antiek (hierna: de antiekwinkel).

2.2.

Belanghebbende heeft zowel in 2016 als in 2017 een ABP-pensioen genoten van € 16.443.

2.3.

Belanghebbende heeft in de jaren 2002 tot en met 2017 met de antiekwinkel de volgende resultaten (na ondernemersaftrek) behaald:

Jaar

Resultaat (in euro’s)

2002

-/- 33.989

2003

-/- 30.535

2004

-/- 21.060

2005

-/- 13.730

2006

0

2007

-/- 16.020

2008

-/- 13.607

2009

-/- 12.750

2010

-/- 15.424

2011

-/- 19.710

2012

-/- 16.164

2013

-/- 9.754

2014

-/- 8.417

2015

-/- 14.458

2016

-/- 15.378

2017

-/- 13.387

2.4.

In 2008 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek uitgevoerd, waarbij onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV 2004 tot en met 2006 is onderzocht. De conclusie van dit onderzoek was dat belanghebbende aan de criteria voor het ondernemerschap voldeed.

2.5.

De Inspecteur heeft in een brief van 7 augustus 2014 aan belanghebbende geschreven dat belanghebbende vanaf het belastingjaar 2015 niet langer het vertrouwen aan het boekenonderzoek kan ontlenen dat de antiekwinkel voor de inkomstenbelasting een bron van inkomen vormt.

2.6.

De belastingkamer van de rechtbank Gelderland heeft in een uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:186, geoordeeld dat de antiekwinkel in 2015 geen bron van inkomen vormt. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende geen hoger beroep ingesteld.

2.7

Belanghebbende is als ondernemer in de zin van de omzetbelasting geregistreerd. Hij heeft ter zake van de door hem in 2016 en 2017 verrichte leveringen en diensten het volgende aangegeven:

2016

2017

Omzet

15.190

15.380

Verschuldigde omzetbelasting

3.189

3.229

Voorbelasting

-/- 1.924

-/- 1.958

Subtotaal

1.265

1.271

Vermindering kleineondernemersregeling (KOR)

-/- 1.265

-/- 1.271

Te betalen

0

0

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de antiekwinkel in 2016 en 2017 een bron van inkomen vormt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Belanghebbende betoogt in dat verband dat hij voor de omzetbelasting als ondernemer is geregistreerd en dat dit meebrengt dat hij ook voor de inkomstenbelasting als ondernemer moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslagen IB/PVV. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Bron van inkomen

4.1.

Een voordeel kan slechts inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8763) worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt.

4.2.

In het kader van de objectieve voordeelsverwachting dient te worden onderzocht of de activiteiten van belanghebbende voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn dan wel of daarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij belanghebbende, zij het in de toekomst, positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren (HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6821).

4.3.

De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707; HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390).

4.4.

Vaststaat dat de werkzaamheden van belanghebbende van 2002 tot en met 2017 jaarlijks steeds tot negatieve resultaten hebben geleid (zie 2.3). Nu sprake is van een jarenlang negatief resultaat brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een voordeelsverwachting.

4.5.

Belanghebbende heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat met de antiekwinkel een positieve opbrengst is te verwachten. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat weliswaar jaarlijks omzet is gerealiseerd met deze werkzaamheden, maar dat de daarmee samenhangende kosten jaarlijks de omzet overstijgen. Gelet daarop is naar het oordeel van het Hof in de onderhavige jaren geen sprake van een objectieve voordeelsverwachting. De antiekwinkel vormt derhalve geen bron van inkomen. Het belastbaar inkomen wordt daarom niet verminderd met het negatieve resultaat uit de antiekwinkel.

4.6.

De omstandigheid dat belanghebbende voor de omzetbelasting als ondernemer is geregistreerd, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens artikel 7, lid 1 Wet op de omzetbelasting 1968 wordt als ondernemer aangemerkt ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. De wetgever heeft aan het in deze bepaling gebruikte begrip ondernemer geen andere betekenis willen toekennen dan toekomt aan het begrip belastingplichtige in artikel 9, lid 1 BTW-richtlijn (HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1143, r.o. 2.5.1). Volgens laatstgenoemde bepaling wordt als belastingplichtige beschouwd eenieder die zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

4.7

Gelet op deze betekenis zijn voor de beoordeling van het ondernemerschap voor de omzetbelasting – anders dan voor de vraag of voor de inkomstenbelasting sprake is van een bron van inkomen – het oogmerk en het resultaat van de activiteit niet van belang. Dat belanghebbende voor de omzetbelasting als ondernemer is geregistreerd, brengt op zichzelf dus niet mee dat de activiteiten van belanghebbende een bron van inkomen vormen voor de heffing van inkomstenbelasting. Het betoog van belanghebbende kan daarom niet slagen.

4.8.

Het vorenstaande brengt eveneens mee dat belanghebbende geen vertrouwen kan ontlenen aan de omstandigheid dat hij voor de omzetbelasting als ondernemer is geregistreerd. Belanghebbende mocht dus niet erop vertrouwen dat die registratie tot gevolg heeft dat voor de inkomstenbelasting sprake is van een bron van inkomen.

Belastingrente

4.9.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden daartegen aangevoerd. Nu de aanslagen niet worden verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente.

Slotsom
4.10. Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 28 april 2021 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 mei 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.