Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4143

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
200.285.644
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling ontbonden gemeenschap van goederen, ontvankelijkheid: hoger beroep kan ook dienen voor vermeerdering van eis/verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.285.644

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 499321)

beschikking van 29 april 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende op een geheim adres,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.H. Boomstra te Amsterdam,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.P. van Stralen te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 augustus 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1 tot en met 6, ingekomen op 4 november 2020;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met productie 1;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 9;

- voor de zitting door mr. Boomstra aan het hof toegezonden pleitnotities.

2.2

In verband met het Covid-19 virus heeft de mondelinge behandeling op 15 april 2021 plaatsgevonden via Skype. Daarbij zijn partijen verschenen bijgestaan door hun advocaten. De vrouw werd bijgestaan door mr. S. van Meijl, kantoorgenoot van en waarnemende voor mr. Boomstra.

3. De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2019 gehuwd in gemeenschap van goederen.

3.2

De vrouw heeft op 19 maart 2020 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft geen verweer gevoerd.

3.3

Bij de bestreden beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Ook is in die beschikking de wijze van verdeling van de woning [a-straat] 11 in [B] gelast en is voor recht verklaard dat de huwelijksgoederengemeenschap voor het overige is verdeeld. Verder is de man veroordeeld om vanaf 20 februari 2020 de helft van de hypotheeklasten en de helft van de premie opstalverzekering te voldoen door storting daarvan op een gezamenlijke rekening van partijen, totdat de echtelijke woning is verkocht aan een derde. Behalve de uitgesproken echtscheiding en de verklaring voor recht zijn deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.4

De echtscheidingsbeschikking is op 16 september 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk.

4.2

De vrouw is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grief ziet op verdeling van een belastingteruggave en verdeling van de verkoopopbrengst van roerende zaken. De vrouw verzoekt (het hof leest:) de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin voor recht is verklaard dat de huwelijksgoederengemeenschap voor het overige is verdeeld en deze alsnog te verdelen door te bepalen dat de man aan de vrouw € 3.411,- verschuldigd is, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in beide instanties.

4.3

De man voert verweer en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar beroep ongegrond te verklaren en haar in de proceskosten aan de zijde van de man te veroordelen.

4.4

Op zijn beurt is de man voorwaardelijk in incidenteel hoger beroep gekomen, namelijk voor het geval het hof zijn verweer in het principaal hoger beroep zou verwerpen. In dat geval verzoekt hij het hof de bestreden beschikking (het hof leest: deels) te vernietigen en de vrouw te veroordelen aan de man € 17.004,50 te betalen.

4.5

De vrouw voert verweer op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de man en verzoekt hem niet-ontvankelijk te verklaren althans zijn verzoek aan hem te ontzeggen, met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

5 De motivering van de beslissing

de ontvankelijkheid

5.1

Het meest verstrekkend verweer van de man is dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Hij stelt dat de vrouw bij de rechtbank heeft gekregen waar ze om verzocht heeft en dat het hoger beroep niet bedoeld is voor spijtoptanten. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 juni 1999 (ECLI:NL:HR:1999:BL8473).

5.2

Het hof passeert dit verweer van de man. Uit het aangehaalde arrest volgt dat in hoger beroep niet van het verzoek kan worden afgezien als dat in eerste aanleg is toegewezen. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. De vrouw ziet niet af van haar verzoek in eerste aanleg. Ze wil nog steeds wat zij ook in eerste aanleg heeft verzocht en heeft daarbij haar verzoek in hoger beroep vermeerderd. Dat wordt door het genoemde arrest niet uitgesloten. In het algemeen heeft een partij voldoende belang bij een hoger beroep als deze partij uitsluitend beroep instelt om zijn eis te kunnen vermeerderen of veranderen. Het hof verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Hoge Raad van 19 januari 1979 (ECLI:NL:HR:1979:AC6464), waarin is beslist: ‘het rechtsmiddel van hoger beroep kan ook dienen tot een vermeerdering van eis als de onderhavige’. De vrouw is dus ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.

de wettelijke regeling ten aanzien van het huwelijksvermogen

5.3

Partijen zijn gehuwd [B] 2019, zonder dat huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt. Aldus zijn zij gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen zoals die geldt vanaf 1 januari 2018. Een dergelijke gemeenschap omvat wat haar baten betreft alle goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten tezamen toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten die door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot aan de ontbinding daarvan zijn verkregen (zie artikel 1:94 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)).

5.4

De door een van de echtgenoten ten huwelijk aangebrachte goederen - tenzij het goederen zijn die aan de echtgenoten al tezamen toebehoorden - vallen dus niet in de gemeenschap van goederen, maar blijven privé eigendom van de betreffende echtgenoot.

de belastingteruggave en de verkoopopbrengst van de roerende zaken

5.5

In haar enige grief stelt de vrouw dat de belastingdienst aan de man € 5.322,- heeft uitbetaald, zijnde een teruggave inkomstenbelasting 2019 en dat dit bedrag tussen hen verdeeld moet worden. De teruggave is uitbetaald op een bankrekening van de man. Zij verzoekt te bepalen dat de man de helft van de teruggave, ofwel € 2.661,-, aan haar verschuldigd is. De teruggave houdt volgens de vrouw verband met de aankoop van de gezamenlijke woning in september 2019. De daarmee gepaard gaande en fiscaal aftrekbare kosten, zoals bijvoorbeeld advieskosten voor de hypotheek, zijn volgens de vrouw door de man in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2019 opgenomen. Zij stelt verder dat de echtelijke woning eigendom van partijen gezamenlijk is en dat de kosten voor aankoop, financiering en inrichting door partijen tezamen, ieder voor de helft, zijn voldaan.

5.6

De man betwist dat de teruggave verdeeld moet worden. Hij stelt dat alle kosten die samenhangen met de aanschaf van de woning (door hem op de mondelinge behandeling aangeduid als ‘kosten koper’) door hem zijn betaald. Ook alle inboedelgoederen zijn door hem betaald. Er is volgens de man geen rechtsgrond voor de vordering van de vrouw. De teruggave inkomstenbelasting 2019 komt hem dan ook voor het geheel toe.

5.7

Het hof overweegt dat partijen tezamen de woning hebben aangekocht. Zij hebben de volledige koopsom met een hypothecaire lening gefinancierd ten aanzien waarvan zij beiden schuldenaar zijn. De stelling van de vrouw dat de man de in verband met de aankoop en financiering bijkomende - en voor de inkomstenbelasting aftrekbare - kosten in zijn aangifte 2019 heeft opgenomen is door de man niet betwist. Hij heeft enkel gesteld dat de teruggave hem toekomt, omdat hij al die kosten heeft voldaan. Dat laatste is echter niet komen vast te staan. Iedere onderbouwing daarvan ontbreekt en de vrouw heeft juist gesteld dat partijen die kosten tezamen, ieder voor de helft, hebben voldaan. Daarin is dan ook de rechtsgrond voor de vrouw gelegen.

5.8

De man heeft op de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat hij ook in de jaren voorafgaand aan het huwelijk een teruggave inkomstenbelasting van ongeveer € 4.000,- ontving, maar van deze enkele verklaring ontbreekt verder iedere onderbouwing. Voor het hof is het zeer aannemelijk dat de teruggave inkomstenbelasting 2019 voor een groot deel betrekking heeft op de in de aangifte opgevoerde kosten die samenhangen met de aanschaf en financiering van de woning. Die teruggave komt daarom voor de helft toe aan de vrouw, temeer daar op de mondelinge behandeling desgevraagd is gebleken dat partijen een vergelijkbaar inkomen hadden. Het hof is daarom van oordeel dat de man aan de vrouw de helft van de teruggave, ofwel € 2.661,-, dient te voldoen. In zoverre slaagt de grief van de vrouw.

5.9

De vorenbedoelde echtelijke woning is inmiddels verkocht aan een derde. Bij die verkoop zijn ook enkele roerende zaken verkocht voor € 1.500,-. Die koopsom is door de kopers voldaan aan de man. De man heeft erkend dat aan de vrouw nog de helft van dat bedrag, ofwel € 750,- toekomt, zodat het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man dit bedrag aan haar verschuldigd is zal worden toegewezen. Ook in zoverre slaagt de grief van de vrouw.

de (voorwaardelijke)vordering van de man op de vrouw van € 17.004,50

5.10

In zijn incidenteel hoger beroep stelt de man dat hij een vordering van € 17.004,50 op de vrouw heeft. Deze vordering stelt hij echter enkel in als zijn verweer in het principaal hoger beroep door het hof zou worden verworpen. Nu dat het geval is, zoals blijkt uit het voorgaande, is de voorwaarde vervuld. Hoewel de vrouw zich niet op het standpunt heeft gesteld dat deze vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld, is het hof van oordeel dat deze vordering als een nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827 lid 1Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft te gelden. Een zodanige voorziening kan ook voor het eerst in hoger beroep worden verzocht en het hof zal die vordering dan ook beoordelen.

5.11

De vordering van de man komt erop neer, althans zo heeft het hof na toelichting daarvan op de mondelinge behandeling begrepen, dat de man voor en ook tijdens het huwelijk diverse kosten (voor de vrouw) heeft voldaan en (inboedel)goederen heeft gekocht. De vrouw heeft volgens de man alle inboedelgoederen meegenomen en hij maakt daarom aanspraak op de waarde van die goederen. Tevens wenst hij betaling van een aantal door hem voor de vrouw betaalde kosten.

5.12

De vrouw betwist de vordering van de man en verzoekt het hof die af te wijzen als zijnde onvoldoende duidelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. Ook betwist de vrouw dat zij alle inboedelgoederen heeft meegenomen.

5.13

Het hof overweegt als volgt. De man onderbouwt zijn vordering in zijn verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep door middel van een lijst met goederen met daarachter een prijs en een datum. Een verdere toelichting op de lijst ontbreekt. Kennelijk, zo heeft het hof begrepen uit de toelichting tijdens de mondelinge behandeling, gaat het daarbij in sommige gevallen om vorderingen die de man voor het huwelijk al had op de vrouw en om goederen die de man deels vóór en deels tijdens het huwelijk heeft aangeschaft. Er is in de opsomming geen onderscheid gemaakt tussen die categorieën. Onduidelijk is zelfs of de vorderingen die de man stelt voor het huwelijk op de vrouw te hebben gehad (en die de vrouw betwist), aangemerkt moeten worden als ten huwelijk aangebrachte goederen als bedoeld in artikel 1:94 lid 2 BW. Nog daargelaten of de man van die vorderingen in deze procedure nakoming kan vorderen, is het hof van oordeel dat voor zover de vordering daarop is gebaseerd, deze moet worden afgewezen omdat deze - tegenover de betwisting daarvan door de vrouw - door de man onvoldoende is onderbouwd. Ook is onduidelijk welke goederen van de lijst vóór of tijdens het huwelijk zijn aangeschaft. Voor de laatste categorie geldt dat deze op grond van de regel van artikel 1:94 lid 2 BW gemeenschappelijk zijn. Voor de overige goederen geldt dat de man tegenover de betwisting door de vrouw onvoldoende gemotiveerd gesteld heeft welke goederen tot zijn privévermogen behoren, wanneer en op welke wijze hij de eigendom heeft verkregen en waarom de vrouw voor die goederen moet betalen. Gelet op artikel 1:94 lid 8 BW oordeelt het hof dat de inboedel gemeenschappelijk is. Uit de stellingen van de man kan het hof niet afleiden of een der partijen bij de feitelijke verdeling van die gemeenschappelijke inboedel is overbedeeld of onderbedeeld, zodat ook op die grond (een deel van) het bedrag dat de man van de vrouw vordert niet toewijsbaar is.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief van de vrouw en faalt die van de man. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en aanvullen met de beslissing dat de man aan de vrouw nog € 3.411,- verschuldigd is.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft. Voor het veroordelen van een van beide partijen in de kosten van de procedure (in hoger beroep en in eerste aanleg) ziet het hof geen aanleiding. De verzoeken van beide partijen om de ander in de proceskosten te veroordelen zal het hof daarom afwijzen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:

7.1

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

5 augustus 2020, en:

7.2

bepaalt aanvullend dat de man aan vrouw € 3.411,- verschuldigd is;

7.3

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.4

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

7.5

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 29 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.