Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:409

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-01-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
Wahv 200.249.169/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeren voor een in- en uitrit is niet toegestaan, ook niet wanneer de gebruiker van de uitrit toestemming heeft gegeven. Een parkeervergunning houdt ook geen vrijstelling van dit verbod in.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2022/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.249.169/01

CJIB-nummer

: 211334139

Uitspraak d.d.

: 18 januari 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 25 september 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat de kantonrechter heeft miskend dat de officier van justitie hem, de gemachtigde, geen mogelijkheid tot herstel van verzuim bij het indienen van gronden heeft geboden en dat de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking dus ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De gemachtigde merkt daarbij op dat enkel aangeven dat tijdens de hoorzitting de gronden aangevuld kunnen worden niet voldoet.

2. Het hof stelt vast de het administratief beroepschrift geen gronden bevat. Dit betreft een verzuim in de zin van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit het dossier blijkt niet dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om de gronden van het beroep in te dienen door middel van een brief waarin wordt gewezen op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet herstellen van het verzuim. De enkele mededeling van de officier van justitie dat de gronden tijdens de hoorzitting kunnen worden aangevoerd, is niet voldoende (vgl. het arrest van het hof van 25 september 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2020:7707). Daarom is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb en mocht de officier van justitie het beroep niet niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van gronden. De kantonrechter heeft dit miskend.

3. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter en -met gegrondverklaring van het beroep daartegen- de beslissing van de officier van justitie vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige bezwaren gericht tegen de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie behoeven nu geen bespreking meer.

4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “Parkeren voor een in- en/of uitrit”. Deze gedraging zou zijn verricht op

26 september 2017 om 20:04 uur op de Gerestraat in Leiden met het voertuig met het kenteken

[00-YY-YY] .

5. De gemachtigde voert aan dat het gaat om een eigen parkeerplaats van “ [B] ”. Die garage heeft op haar deur een bord ‘verboden te parkeren’ gehangen om te voorkomen dat onbekenden daar hun auto neerzetten en zij haar werk niet kan doen. De betrokkene had met die garage een apk-keuring afgesproken en ook dat hij, als er geen parkeerplaatsen in de buurt meer beschikbaar zouden zijn, zijn auto (de avond er voor) direct voor de deur van [B] kon zetten en de sleutel door de daarvoor bestemde brievenbus kon gooien. De gemachtigde wijst hierbij op de e-mails achter de brief van 4 september 2018 aan de kantonrechter. De betrokkene heeft zijn auto op voormeld tijdstip overeenkomstig deze afspraak en dus met toestemming van de eigenaar ter plekke geparkeerd. Bovendien heeft de betrokkene een parkeervergunning voor het centrum van Leiden (zone A), en bevindt [B] zich ook in het centrum, zodat hij, gelet op het bord op de deur van [B] , daar mag parkeren. Ook wordt die plek op de site van de gemeente met betrekking tot parkeervergunningen niet genoemd als een plek waar men niet mag parkeren.

6. De gedraging betreft de overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Dit verbiedt het parkeren voor een in- of uitrit.

7. Voor zover de gemachtigde stelt dat geparkeerd is op eigen grond van het garagebedrijf en de betrokkene daarom niet kan worden bekeurd, wordt overwogen dat de gemachtigde niet heeft onderbouwd dat het eigen terrein betreft dat niet voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaat. Uit het dossier blijkt evenmin dat de rechthebbende van de plek waar de betrokkene zijn voertuig heeft geparkeerd, zich op kenbare wijze, bijvoorbeeld door het plaatsen van de borden "verboden toegang" en "eigen weg", het recht heeft voorbehouden en de feitelijke mogelijkheid heeft geschapen om eventueel weggebruikers de toegang te ontzeggen (bijvoorbeeld Hoge Raad 16 januari 2001, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:HR:2001:AA9494). Dat de garagehouder door middel van een bord heeft aangegeven dat men daar niet mag parkeren is daartoe onvoldoende. De plek waar de auto van de betrokkene stond geparkeerd, was dan ook voor een ieder toegankelijk.

8. Dit brengt mee dat de plaats waar de gedraging is geconstateerd moet worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg, zodat de bij en krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) geldende geboden en verboden daar gelden en gehandhaafd kunnen worden.

9. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat niet wordt ontkend dat het voertuig van de betrokkene op voormelde datum voor een in- of uitrit stond geparkeerd, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof dient, gelet op het gevoerde verweer, te beoordelen of in het onderhavige geval omstandigheden zijn die meebrengen dat het opleggen van een sanctie achterwege moet blijven of dat het bedrag van de sanctie te gematigd moet worden (vgl. artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv).

10. Het hof is van oordeel dat dergelijke omstandigheden zich hier niet voordoen. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 betreft een absoluut verbod en is dus niet afhankelijk van toestemming van de eigenaar of gebruiker van de in- of uitrit. Aan de omstandigheid dat de houder van de garage waarvoor de in- of uitrit is gelegen toestemming had gegeven om het voertuig daar te parkeren, mocht de betrokkene niet de gerechtvaardigde verwachting koesteren dat zijn wijze van parkeren was toegestaan.

11. Dat geldt voor de omstandigheid dat de betrokkene beschikt over een parkeervergunning (zone A) van de gemeente Leiden. Een redelijke uitleg van de tekst op de site van de gemeente Leiden brengt mee dat de betreffende parkeervergunning ziet op parkeerplaatsen waar men (anders) alleen tegen betaling mag parkeren en niet op het algemene verbod om voor een in-of uitrit te parkeren. Als deze tekst voor de betrokkene niet duidelijk was had het op zijn weg gelegen om bij de gemeente Leiden navraag te doen.

12. De bezwaren treffen geen doel. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond.

13. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.