Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4084

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.282.578/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Het hof acht aannemelijk dat de ambtenaar de bestuurder van het voertuig heeft gesproken. Een uitleg waarom de sanctie toch aan de kentekenhouder is opgelegd, ontbreekt. Volgt vernietiging van de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.282.578/01

CJIB-nummer

: 223445953

Uitspraak d.d.

: 28 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 1 juli 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, waarbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht, waarbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 14 april 2021, waar de gemachtigde van de betrokkene is verschenen en de advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “niet de rijbaan gebruiken door stil te staan op het trottoir, voetpad, (brom)fietspad of ruiterpad”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 februari 2019 om 16:02 uur op de Ridder van Catsweg in Gouda met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

2. De gedraging wordt op zichzelf niet betwist. Wel wordt aangevoerd dat de sanctie niet aan de betrokkene als kentekenhouder had mogen worden opgelegd, nu de bestuurder van het voertuig de ambtenaar ter plaatse heeft gesproken. Dit blijkt uit de in hoger beroep meegestuurde getuigenverklaring van de bestuurder. De bestuurder heeft de ambtenaar aangegeven dat hij de auto had geleend om spullen te vervoeren, waarop de ambtenaar mededeelde de eigenaar te willen spreken. Dit bleek niet mogelijk, waarna de ambtenaar de sanctie heeft opgelegd aan de kentekenhouder. Nu is vast komen te staan dat de bestuurder de ambtenaar heeft gesproken voordat de sanctie was opgelegd, kan de sanctiebeschikking volgens de gemachtigde niet in stand blijven.

3. De advocaat-generaal stelt zich ter zitting op het standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat de ambtenaar voor het opleggen van de sanctie met de bestuurder van het voertuig heeft gesproken. Het betreft een geparkeerd en gesloten voertuig waarbij de spiegels waren ingeklapt en de getuigenverklaring is pas in hoger beroep overgelegd.

4. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.

5. Bij het hoger beroepschrift is een ondertekende verklaring gevoegd van Mehmet Akif Ergun, tezamen met een kopie van een op die naam gesteld identiteitsbewijs. Deze verklaring is gedateerd op 8 september 2020 en luidt als volgt:

“Hierbij wil ik verklaren dat ik op 13 februari 2019 omstreeks 16:00 uur de agent heb gesproken. De agent wilde graag dat de eigenaar van het voertuig aanwezig zou komen, waarop ik heb aangegeven dat dit niet mogelijk is omdat ik de auto heb geleend om spullen op te halen bij de Ridder van Catsweg 361. Ik heb de agent daarbij aangegeven dat het toegestaan is om daar te parkeren zolang het is om te laden/lossen. De agent vond van niet en zei dat hij de bekeuring ging uitschrijven aan de eigenaar.”

6. In de verklaring van de ambtenaar zoals die is opgenomen in het zaakoverzicht valt dienaangaande het volgende te lezen: “Reden geen staandehouding: geen betrokkene.”

7. In de procedure bij de kantonrechter is de betreffende ambtenaar verzocht een aanvullende verklaring af te leggen. In die op 30 juni 2020 op ambtsbelofte afgelegde verklaring valt te lezen dat de ambtenaar zich de bekeuringssituatie niet meer kan herinneren. De ambtenaar verklaart verder nog: “Op het moment dat ik aangesproken word door een persoon kan het zijn dat de beschikking inmiddels al verzonden is. Ook kan ik niet constateren of de persoon die zich bij mij meldt ook degene is geweest die het feit begaan heeft. Als ik kan vaststellen dat de betrokkene tevens de bestuurder is, zal door mij, indien nog mogelijk, de beschikking op naam worden gezet.”

8. Uit de bij het hoger beroepschrift gevoegde verklaring volgt dat de bestuurder van het voertuig, niet zijnde de betrokkene, met de ambtenaar heeft gesproken voordat de ambtenaar de sanctie oplegde. Tegenover die verklaring staan de verklaringen van de ambtenaar. Uit de verklaring van de ambtenaar zoals die is opgenomen in het zaakoverzicht, en aldus afgelegd net na het constateren van de gedraging en het opleggen van de sanctie, volgt slechts dat hij geen betrokkene bij het voertuig heeft aangetroffen. Dat dit ook inhoudt dat geen bestuurder bij het voertuig is aangetroffen, is een conclusie die, gelet op het namens de betrokkene van meet af aan gevoerde verweer, zonder nadere informatie niet zondermeer kan worden getrokken. Die nadere informatie is niet voorhanden. De ambtenaar verklaart in het aanvullende proces-verbaal namelijk zich de situatie niet meer te kunnen herinneren en verhandelt daarin verder slechts omtrent de door hem normaliter uitgevoerde werkwijze bij het opleggen van sancties voor parkeerovertredingen.

9. Het hof houdt er derhalve gelet op het voorgaande voor dat de ambtenaar met de bestuurder heeft gesproken voordat de sanctie was opgelegd, hetgeen inhoudt dat zich een reële mogelijk tot staandehouding heeft voorgedaan. Dit betekent dat de sanctie ten onrechte met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder van het voertuig is opgelegd en dat de inleidende beschikking geen stand kan houden. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het deelnemen aan de telefonische hoorzitting bij de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift en de nadere toelichting en het verschijnen ter zitting van het hof dient in totaal vijfenhalf procespunt te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen door de officier van justitie dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het horen door de officier van justitie toegekende punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.602,-.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.602,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.