Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4079

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
21-001991-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hiervoor overwogene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001991-19

Uitspraak d.d.: 28 april 2021

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2019 met parketnummer 16-700225-15 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 mei 2016 (parketnummer 16-700225-15) ter zake van – kort samengevat – :
feit 1: medeplegen van invoer van cocaïne in de periode van 20 september 2015 tot en met 28 september 2018 én
feit 3: opzettelijk aanwezig hebben van hennep op 3 november 2015, veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Tegen voornoemd vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 3 april 2019 bij het vonnis waarvan beroep het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat vastgesteld op een bedrag van € 59.555,02. Aan betrokkene is de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, een bedrag van € 53.600,00.

De vordering

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd het vonnis waarvan beroep te bevestigen.

Bevestiging van de beslissing

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal deze derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof hieronder nader zal ingaan op door de raadsman gevoerde verweren, het wettelijk voorschrift waarop de beslissing berust zal vermelden en de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd zal bepalen.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het bewezenverklaarde feiten.

Het hof grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die in het rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 19 september 2016 zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.1

Het hof zal, gelijk de rechtbank heeft gedaan, betrokkene de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, een bedrag van € 53.600,00.

Aanvulling van de gronden met betrekking tot de gevoerde verweren in hoger beroep

Het hof zal de beslissing echter bevestigen met aanvulling van de gronden. Het hof overweegt, in aanvulling op de beslissing van de rechtbank, als volgt.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan betrokkene toe te rekenen voordeel gematigd dient te worden nu de vader van betrokkene heeft verklaard meer dan

€ 300,00 per maand te hebben bijgedragen aan het inkomen van betrokkene, en dat de terugbetalingsverplichting lager dient te worden vastgesteld nu betrokkene in de toekomst een beperkte verdiencapaciteit heeft.

Het hof ziet geen aanleiding om te komen tot een matiging van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank in voldoende mate rekening gehouden met het feit dat de vader van betrokkene hem financieel heeft gesteund. Dat diens bijdrage meer zou bedragen dan € 300,00 per maand, welk bedrag de vader zelf als vast bedrag per maand noemt, is niet dan wel onvoldoende onderbouwd.

Daarnaast is het hof van oordeel dat betrokkene voldoende verdiencapaciteit heeft. Betrokkene beschikt over een rijbewijs C en verdient thans inkomen op basis van een vast contract. Er is derhalve thans geen reden om de terugbetalingsverplichting te matigen.

De verweren van de verdediging worden in al hun onderdelen verworpen.

Redelijke termijn

Het hof constateert ambtshalve dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Het hof zal hier geen gevolgen aan verbinden, gelet op de geringe overschrijding van 2,5 weken.

Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen

Artikel 36e, lid 11, van het Wetboek van Strafrecht is gewijzigd bij de op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82 (Wet USB)). Op grond hiervan dient het hof thans bij de oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de duur van de gijzeling te bepalen die, met toepassing van artikel 36e, lid 11 Sr, ten hoogste kan worden gevorderd. De duur beloopt ten hoogste drie jaren.

Het voorgaande brengt mee dat het hof, gelet op de hoogte van het bedrag dat betrokkene aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te betalen, de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 36e, lid 11 Sr ten hoogste kan worden gevorderd, bepaalt op 1072 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1072 dagen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M.C. van Linde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,

en op 28 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex art 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, rapportnummer PL0900-20155286326, opgemaakt door [verbalisant] , inspecteur bij Politie Eenheid Midden-Nederland, en gesloten op 19 september 2016.