Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4052

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
200.286.505/01 en 200.286.230/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek machtiging uithuisplaatsing bij de vader wordt afgewezen alhoewel de thuissituatie bij de vader beter is dan bij de moeder. Nu de GI inzet op een co-ouderschap is de uithuisplaatsing blijkbaar niet noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.286.505/01 en 200.286.230/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200335)

beschikking van 20 april 2021

in de zaak 200.286.505/01:

[de moeder] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Schlepers te Groningen,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis

Groningen,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. C. Heijs te Groningen.

in de zaak 200.286.230/01:

inzake

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis

Groningen,

gevestigd te Groningen,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,

en

[de moeder] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Schlepers te Groningen.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. C. Heijs te Groningen.

1
1. Het geding in eerste aanleg

In beide zaken

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 25 augustus 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak 200.286.505/01:

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 25 november 2020;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Schlepers van 25 februari 2021 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Heijs van 4 maart 2021 met productie(s);

- een zivver-bericht van mr. Schlepers van 12 maart 2021 met productie(s).

In de zaak 200.286.230/01:

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 25 november 2020;

- het verweerschrift van de moeder;

- een brief van de GI van 8 januari 2021;

- een journaalbericht van mr. Heijs van 28 januari 2021 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Schlepers van 25 februari 2021 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Heijs van 4 maart 2021 met productie(s);

- een zivver-bericht van mr. Schlepers van 12 maart 2021 met productie(s).

In beide zaken

2.3

Op 5 februari 2021 zijn [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2004, en [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2008, verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof zijn gehoord.

2.4

De mondelinge behandeling die op 8 februari 2021 stond gepland is vanwege de slechte weersomstandigheden die dag niet doorgegaan. De mondelinge behandeling heeft vervolgens op 15 maart 2021 plaatsgevonden. Twee raadsheren, niet zijnde de voorzitter, hebben via een Skype-verbinding deelgenomen aan de mondelinge behandeling. De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [C] en mevrouw [D] .

Mr. Heijs heeft het woord mede gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.

3 De feiten

In beide zaken:

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.

3.2

Bij beschikking van 26 september 2018 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar, welke termijn laatstelijk is verlengd bij de bestreden beschikking tot 26 september 2021. Het inleidend verzoek van de GI om [de minderjarige2] uit huis te plaatsen bij de vader is bij de bestreden beschikking afgewezen.

4 De omvang van het geschil

In de zaak 200.286.505/01:

4.1

De moeder is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

Deze grieven zien op de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De moeder verzoekt om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot (verlenging) van de ondertoezichtstelling af te wijzen, althans te bepalen als het hof in goede justitie zal vernemen te behoren.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt -naar het hof begrijpt- de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover het de (verlenging van de) ondertoezichtstelling betreft en het verzoek van de moeder af te wijzen.

In de zaak 200.286.230/01:

4.3

De GI is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de afwijzing van het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] bij de vader. De GI verzoekt om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de afwijzing van het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing betreft en opnieuw rechtdoende te beslissen dat het verzoek van de GI zoals omschreven in het verzoekschrift van 5 augustus 2020 alsnog wordt toegewezen.

4.4

De moeder voert verweer en verzoekt de GI niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans het door de GI ingediende verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking ten aanzien van de uithuisplaatsing te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

In de zaak 200.286.505/01:

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

De ontvankelijkheid van het verzoek tot verlenging

5.2

De moeder stelt dat de GI niet ontvankelijk is in haar verzoek ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling, nu er sprake is van termijnoverschrijding en de verzoeken niet met de moeder en de kinderen zijn besproken door de GI. Ten onrechte heeft de rechtbank bepaald dat de GI ontvankelijk is omdat de termijnoverschrijding slechts een werkdag betreft en het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is dat het verzoek inhoudelijk wordt behandeld. De rechter motiveert niet waarom de termijn verschoonbaar moet worden geacht en/of waarom het in het belang van de kinderen is dat het verzoek inhoudelijk wordt behandeld.

5.3

De GI stelt dat het verzoek niet op de vrijdag maar op de eerstvolgende maandag is ingediend, inderdaad een werkdag later dan volgens het procesreglement hoort te gebeuren. Bij de beoordeling of een termijnoverschrijding bij dergelijke verzoeken tot niet-ontvankelijkheid moet leiden, wordt in de rechtspraak de maatstaf gehanteerd of de termijnoverschrijding leidt tot strijd met de goede procesorde, in het bijzonder of de rechter het ingediende verzoek zorgvuldig kan behandelen, met inachtneming van de belangen van partijen en de minderjarige(n). De moeder is door deze geringe termijnoverschrijding niet geschaad in haar mogelijkheid om haar bezwaren tegen het verzoek naar voren te brengen door middel van een verweerschrift en/of tijdens de zitting bij de rechtbank waar zij met haar advocaat is verschenen. Terecht heeft de rechtbank daarom geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkheid, aldus de GI. Het procesreglement verbindt ook niet een dergelijke sanctie aan een termijnoverschrijding.

5.4

Het hof stelt voorop dat de moeder er terecht op heeft gewezen dat de indiening van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing door de GI niet is geschied binnen de in het Procesreglement Civiel jeugdrecht (hierna: het procesreglement) in artikel 2.4.10 onder a. genoemde termijn. Uit dit artikel volgt dat een dergelijk verzoek uiterlijk tijdens de achtste week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot uithuisplaatsing moet worden ingediend.

5.5

Voor zover de moeder stelt dat hier gevolgen aan moeten worden verbonden ziet het hof geen aanleiding om dat te doen. Het hof wijst in dat verband allereerst naar artikel 1.9 van het procesreglement, luidend dat bij iedere beslissing naar aanleiding van dit reglement het belang van het kind een eerste overweging vormt. Gelet op dit - in zaken als deze algemeen aanvaarde - toetsingskader was er voor de kinderrechter voldoende aanleiding om het (te late) verzoek van de GI in behandeling te nemen en aan die termijnoverschrijding geen verdere consequenties te verbinden. Bovendien is de moeder niet geschaad in haar procesmogelijkheden door de termijnoverschrijding van een dag. Zij heeft immers, zo blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de kinderrechter, uitvoerig haar standpunt naar voren kunnen brengen. Daarom zal ook het hof geen gevolgen aan deze termijnoverschrijding verbinden.

Aan de stelling van de moeder dat de verzoeken niet met haar en de kinderen zijn besproken gaat het hof ook voorbij. Uit de stukken blijkt dat de moeder door de GI op de hoogte is gebracht van het verzoek en haar mening daarover telefonisch heeft gegeven. [de minderjarige1] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid te reageren en [de minderjarige2] is vanwege het feit dat zij op dat moment nog geen twaalf jaar oud was niet om haar mening gevraagd omdat het bespreken van het verzoek mogelijk onwenselijke spanningen teweeg zou brengen. Anders dan de moeder mogelijk meent volgt uit bepaalde in artikel 799a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor de GI geen verplichting om een verzoek tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling met de minderjarige te bespreken.

De inhoudelijke beoordeling

5.6

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen oordeelt het hof, anders dan de moeder aanvoert, dat de gronden voor de ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook nu nog aanwezig zijn.

5.7

Het hof overweegt dat de door de GI omschreven ontwikkelingsbedreigingen met name zien op de al jaren voortdurende strijd tussen de ouders, het gebrek aan een gestructureerde, stabiele, veilige en duidelijke opvoedingssituatie bij de moeder thuis, de gedragsproblematiek van de kinderen, het gebrek aan (onbelast) contact met beide ouders en de persoonlijke problematiek van de moeder. Uit het dossier blijkt dat de langdurige strijd tussen de ouders een aanhoudend punt van zorg blijft waardoor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een loyaliteitsconflict zitten. Mede als gevolg daarvan laten [de minderjarige1] en [de minderjarige2] forse gedragsproblematiek zien. Bij [de minderjarige1] is sinds april 2018 sprake van automutilatie en gedachtes over suïcide. [de minderjarige2] heeft veel woedeaanvallen en laat agressief gedrag zien, waarbij ze andere kinderen en volwassenen slaat en schopt. Daarnaast is [de minderjarige1] gediagnosticeerd met PDD-NOS en [de minderjarige2] met ODD.

Bij de moeder is er sprake van persoonlijkheidsproblematiek. De problematiek van de moeder wordt door [E] omschreven als een angstige hechtingsstijl met vermijdende trekken.

5.8

Met [de minderjarige2] lijkt het inmiddels iets beter te gaan. Uit het verslag van 10 maart 2021 van de intern begeleider van school blijkt dat [de minderjarige2] op sociaal-emotioneel gebied recent een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt. Daarnaast lijkt het ook thuis beter te gaan. Het hof is echter van oordeel dat, mede in aanmerking genomen dat er nog steeds zorgen zijn over [de minderjarige2] , deze (positieve) ontwikkelingen niet maken dat de ondertoezichtstelling niet meer nodig is. Tijdens de meergezinsbehandeling van [F] is geconstateerd dat [de minderjarige2] gevoelig is voor prikkels en erg veel baat heeft bij structuur. Wanneer ze dit niet krijgt toont ze opstandig gedrag, heeft ze woede-uitbarstingen en kan ze agressief reageren door bijvoorbeeld te slaan en te schoppen. De moeder is tot dusverre, ondanks alle ingezette hulpverlening, onvoldoende in staat gebleken om [de minderjarige2] een gestructureerde, veilige en duidelijke opvoedingssituatie te bieden. [de minderjarige2] laat regelmatig bij de moeder thuis gedragsproblemen en agressie zien en de moeder voelt zich met regelmaat overbelast. De moeder heeft meerdere keren aangegeven dat zij de zorg voor [de minderjarige2] te zwaar vindt en daarbij een beroep gedaan op de GI, de hulpverlening en de vader die [de minderjarige2] dan opvangt en verzorgt. In dat kader was er eind 2020 in samenwerking met de GI een plan gemaakt waarbij [de minderjarige2] voor onbepaalde tijd bij de vader zou gaan wonen om de negatieve spiraal bij de moeder te doorbreken. Twee dagen later kwam de moeder hier toch op terug en gaf zij aan niet meer achter het plan te staan. Dit is een terugkerend patroon en de opstelling van de moeder hierin is zeer zorgelijk te noemen.

Het hof acht het daarom van belang dat de ondertoezichtstelling voortgezet wordt zodat er ingezet kan blijven worden op het creëren van een gestructureerde, stabiele, veilige en duidelijke opvoedingssituatie bij de moeder thuis. Het hof is van oordeel dat het van belang is dat de voorzichtig positieve lijn die er sinds kort lijkt te zijn rondom [de minderjarige2] nu doorgezet wordt. Het is aan de moeder om te laten zien dat deze positieve ontwikkeling wat [de minderjarige2] betreft bestendig is, dat de moeder de hulpverlening blijft aanvaarden en dat dit ook vruchten af gaat werpen. Eerder is haar houding ten opzichte van de hulpverlening wispelturig gebleken. Bovendien acht het hof het nodig dat in het kader van de ondertoezichtstelling alsnog wordt bereikt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de noodzakelijk geachte psychoeducatie gaan krijgen, zodat zij meer inzicht hebben in wat de persoonlijke problematiek van de moeder betekent voor haar functioneren en de kinderen in dat opzicht ontschuldigd worden.

Ter zitting is verder duidelijk geworden dat [de minderjarige1] heeft aangegeven uit huis te willen en begeleid te willen gaan wonen. Ze heeft last van de ondertoezichtstelling en de onrust thuis en wil graag rust voor zichzelf. Dit is opgepakt door de GI en zij gaan een afspraak inplannen bij een zelfstandig wonen plek waar [de minderjarige1] graag naartoe wil. Het hof acht het ook voor [de minderjarige1] van belang dat de ondertoezichtstelling gehandhaafd blijft. [de minderjarige1] heeft niet lang geleden (november 2020) een serieuze terugval gehad en is daardoor opgenomen geweest bij [F] voor traumabehandeling. In dat kader vindt het hof het belangrijk dat de hulp en regie vanuit de GI voor het begeleid wonen niet doorbroken wordt en dat [de minderjarige1] in tijden van nood bij de GI terecht kan. Het hof is daarbij van oordeel dat de hulpverlening in het vrijwillig kader - gezien ook de wisselende standpunten die de moeder over de hulpverlening inneemt - niet toereikend is.

In de zaak 200.286.230/01:

5.9

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.10

Het hof ziet zich voor een groot dilemma gesteld. Enerzijds ziet het hof in [de minderjarige2] een meisje dat veel behoefte heeft aan een gestructureerde, stabiele, veilige en duidelijke opvoedingssituatie, hetgeen ze krijgt bij de vader thuis. Anderzijds ziet het hof een meisje dat volledig klem zit in haar loyaliteit naar beide ouders. Gezien het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is het hof duidelijk geworden dat de thuissituatie van de vader goed aansluit bij hetgeen [de minderjarige2] nodig heeft: veel structuur en duidelijkheid. Wonen bij de vader lijkt in dit opzicht het meest in het belang van [de minderjarige2] . De GI heeft met deze onderbouwing gevraagd om een machtiging uithuisplaatsing bij de vader. Deze machtiging kan slechts worden verleend indien en voor zover is voldaan aan de wettelijke vereisten daarvoor. Dit betekent dat de uithuisplaatsing noodzakelijk moet zijn in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] of tot onderzoek van haar geestelijke of lichamelijk gesteldheid. En hoewel het hof vindt dat de onderhavige situatie dicht in de buurt komt is het hof van oordeel dat, alles overziend, op dit moment (net) niet gezegd kan worden dat de noodzaak aanwezig is om [de minderjarige2] uit huis en bij de vader te plaatsen. Het hof komt mede tot dit oordeel op basis van de voorstellen die de GI kort voor de zitting bij het hof aan de ouders heeft gedaan. Hierin heeft de GI aangegeven het hoger beroep te willen intrekken onder de voorwaarde dat de moeder haar hoger beroep ook zou intrekken, zodat de GI via de ondertoezichtstelling een sturende rol zou kunnen blijven houden om ouders tot een co-ouderschap te laten komen voor [de minderjarige2] . Daar past niet bij dat tegelijkertijd uithuisplaatsing van [de minderjarige2] noodzakelijk is. Het hof zal derhalve geen machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] verlenen. Het hof vindt het wel uitermate belangrijk en noodzakelijk dat de vader een grote rol heeft en houdt in het leven van [de minderjarige2] . De vader is immers, in tegenstelling tot de moeder, altijd de stabiele factor in het leven van [de minderjarige2] geweest en zij heeft dit ook meer dan gemiddeld nodig. Het hof vindt het daarom belangrijk dat er nog meer dan tot nu toe toegewerkt gaat worden naar een minimaal gelijkwaardige rol voor de vader in het leven van [de minderjarige2] . Het hof verwacht hierbij van de moeder dat zij hieraan haar volledige medewerking zal verlenen. Dat [de minderjarige2] op momenten weerstand in de richting van haar vader heeft laten zien duidt het hof als uiting van haar loyaliteit naar de moeder toe en het feit dat [de minderjarige2] zich klem voelt zitten tussen haar ouders. Het is daarom van groot belang dat de moeder [de minderjarige2] stimuleert en haar laat weten dat het goed en belangrijk is dat de ouders de zorg verdelen en dat zij in dat kader een deel van de tijd bij de vader verblijft.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

In beide zaken:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 25 augustus 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, R.A. Boon en J.L. Roubos, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, is op 20 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.