Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4051

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
20/00512
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2020:1128, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Havengeld. Verbindendheid verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2021-1440
Viditax (FutD), 30-04-2021
V-N Vandaag 2021/1057
NTFR 2021/1648
NLF 2021/0969 met annotatie van
Belastingblad 2021/265 met annotatie van S. BOSMA
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 20/00512

uitspraakdatum: 20 april 2021

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de Directeur van het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (hierna: de heffingsambtenaar)

en het incidentele hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 maart 2020, nummer Awb 19/1138, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Op 30 april 2019 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende, op grond van de Verordening op de heffing en invordering van haven-, kade- en opslaggelden 2019 van de gemeente Hengelo (hierna: de Verordening), aangeslagen voor havengeld voor het jaar 2019.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 29 mei 2019 is het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen deze aanslag ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd, de aanslag verminderd tot € 6.396,10 en de heffingsambtenaar gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47 te vergoeden.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 23 februari 2021. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van het binnenvaartschip [A] (hierna: de [A] ). Voor het belastingjaar 2019 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een aanslag havengeld opgelegd van € 7.124,22 exclusief BTW.

2.2.

Volgens de meetbrief van de [A] bedraagt de diepgang minimaal 1,91 meter en maximaal 3,10 meter. In tabelvorm is per centimeter diepgang de corresponderende waterverplaatsing in m3 vermeld. Die tabel luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

Gemitt. Eintauchung in cm

(Hof: gemiddelde diepgang in cm)

Entspr. Verdrängung in m3

(Hof: corresponderende waterverplaatsing in m3)

230

1591,787

(…)

260

1915,967

(…)

280

2133,707

2.3.

De aan belanghebbende opgelegde aanslag havengeld is gebaseerd op een waterverplaatsing van 2.133 m3, zijnde de waterverplaatsing volgens de meetbrief bij een diepgang van 2,80 meter (zie bovenstaande tabel).

2.4.

De enig mogelijke aanvoerroute naar de haven van Hengelo, het Twentekanaal, heeft volgens Bijlage 3 bij de Regeling communicatie en afmetingen Rijksbinnenwateren (hierna: Bijlage 3) tussen Delden en Enschede een maximale diepgang van 2,6 meter voor schepen en samenstellen met een (maximale) lengte van 110 meter en een (maximale) breedte van 9,75 meter. Voor schepen en samenstellen met een (maximale) lengte van 110 meter en een maximale breedte van 11,50 meter geldt een maximale diepgang van 2,20 meter. Qua afmetingen (lengte 105 meter, breedte 11 meter) valt de [A] in deze laatste categorie.

2.5.

Aan belanghebbende is met dagtekening 20 februari 2020 door Rijkswaterstaat op grond van artikel 9.02, derde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement ontheffing verleend voor het varen met de [A] op het kanaal Zutphen-Enschede van de Twentekanalen met een maximale diepgang van 2,3 meter (hierna: de ontheffing). De ontheffing is via het digitaal loket aangevraagd op 18 februari 2020 en is geldig tot 1 maart 2022.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag conform de Verordening is opgelegd. In geschil is de vraag of de Verordening verbindend is, gelet op de uitwerking ervan.

3.2.

De heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

3.3.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt in incidenteel hoger beroep dat de aanslag conform de ontheffing moet worden gebaseerd op een diepgang van het schip van 2,3 meter.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

De aanslag is opgelegd aan [X] BV, als eigenaar van de [A] . Namens [X] BV heeft [B] (hierna: [B] ) daartegen bezwaar gemaakt, kennelijk in de hoedanigheid van bestuurder (directie). De uitspraak op bezwaar is ook gedaan op naam van [X] BV. Tegen die uitspraak op bezwaar heeft [B] beroep ingesteld (abusievelijk) bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, welk college het beroepschrift op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht heeft doorgestuurd naar de Rechtbank. De Rechtbank heeft vervolgens het beroep geregistreerd op naam van [B] en ook op diens naam uitspraak gedaan. Gezien de uitspraak op zijn naam, heeft het Hof [B] aanvankelijk aangemerkt als procespartij in hoger beroep. Het Hof twijfelt er echter niet over dat [B] - evenals in bezwaar - namens [X] BV beroep en hoger beroep heeft willen instellen. De Rechtbank heeft derhalve in haar uitspraak ten onrechte [X] BV niet vermeld als de partij op wier beroep zij uitspraak deed. De uitspraak van de Rechtbank moet daarom worden vernietigd. Om redenen van proceseconomie zal het Hof de zaak aan zich houden en het hoger beroep van belanghebbende inhoudelijk behandelen.

Inhoudelijk

4.2.

Ingevolge artikel 216 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening.

4.3.

Artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet, en de daarop door de wetgever gegeven toelichting, bepaalt dat gemeenten behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling kunnen geven aan de in de verordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 65-67). Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel, of waarvan het duidelijk is (in die zin dat het op voorhand duidelijk moet zijn geweest) dat zij moet leiden tot een heffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad (vgl. HR 14 augustus 2009, nr. 43120, ECLI:NL:HR:2009:BI1943 en HR 8 oktober 2004, nr. 37631, ECLI:NL:HR:2004:AR3495).

4.4.

Ingevolge artikel 229, aanhef en lid 1, van de Gemeentewet, kan – voor zover van belang – een gemeente rechten heffen ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

4.5.

De gemeente Hengelo heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door het vaststellen van de Verordening. Deze luidt, voor zover van belang, als volgt;

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

h. waterverplaatsing: de in m3 uitgedrukte waterverplaatsing bij de grootste toegelaten diepgang van het vaartuig volgens een bij het vaartuig behorende geldige meetbrief met een maximum van 2,80 meter, waarbij 1.000 kg laadvermogen gelijkgesteld wordt met l m3 waterverplaatsing.

(…)

Artikel 3. Belastbaar feit

Onder de naam van ‘havengeld’ wordt een recht geheven ter zake:

a. van het gebruik van het voor de openbare dienst bestemde gemeentelijk vaarwater door

vrachtschepen, die in beheer of onderhoud zijn bij de gemeente en/of

b. van het gebruik van andere voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen door deze vrachtschepen, die in beheer of onderhoud zijn bij de gemeente en/of

c. voor het genot van de diensten die in verband daarmee worden verleend.

Artikel 4. Belastingplicht

Belastingplichtig is de schipper, de gezagvoerder, de reder of de eigenaar van het vaartuig dat gebruik maakt van gemeentelijke vaarwater, dan wel degene die het vaartuig heeft gecharterd of degene die als vertegenwoordiger van één van dezen optreedt.

(…)

Artikel 6. Maatstaf van heffing en tarief

De rechten worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van de in de verordening en tarieventabel gegeven aanwijzingen en bijzondere bepalingen.

Artikel 7. Tarieftoepassing

l. Voor de toepassing van de tarieven wordt:

а. bij het aantal m3 waterverplaatsing uitgegaan van de meetbrief.

(…)”

4.6.

In de bij de Verordening behorende Tarieventabel is - voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

Hoofstuk 2. Havengelden

2.1

Het havengeld bedraagt per reis voor vaartuigen:

(…)

2.2.2

met een zilveren Green Award-certificaat

(…)

c Het havengeld kan ook per jaar bij abonnement worden voldaan, in welk geval per kubieke meter waterverplaatsing het recht bedraagt:

c 1 voor onbeperkt gebruik per jaar € 3,34

(…)

De in deze tabel opgenomen tarieven zijn alle exclusief omzetbelasting.”

4.7.

Het belastbare feit in de zin van de Verordening is het gebruik maken van gemeentelijk vaarwater en van werken die in beheer of onderhoud zijn bij de gemeente ten behoeve van de scheepvaart (artikel 3). Ingevolge artikel 6 van de Verordening in combinatie met hoofdstuk 2 van de bij de Verordening behorende tarieventabel vormt de grondslag van de belasting het aantal kubieke meters waterverplaatsing. Onder waterverplaatsing wordt verstaan de in m3 uitgedrukte waterverplaatsing bij de grootste toegelaten diepgang van het vaartuig, volgens een geldige meetbrief waarbij de in aanmerking te nemen diepgang wordt afgetopt op 2,8 meter (artikel 2, aanhef en onder h, van de Verordening). Ook in artikel 7 van de Verordening wordt voor de toepassing van de tarieven aangesloten bij het aantal m3 waterverplaatsing volgens de meetbrief.

4.8.

Belanghebbende stelt dat de onderhavige heffing in haar geval onredelijk uitwerkt. Ter onderbouwing van haar standpunt voert belanghebbende aan dat de [A] in het Twentekanaal – de enig mogelijke aanvoerroute naar de haven van Hengelo – vanwege de maximale diepgang van het Twentekanaal van 2,6 meter nooit kan varen met een grotere diepgang dan 2,6 meter. Nu de maximale diepgang van de [A] volgens de in artikel 2 van de Verordening genoemde meetbrief 3,1 meter bedraagt en de waterverplaatsing in m3 is afgetopt op een waterverplaatsing die volgens de meetbrief hoort bij een diepgang van 2,8 meter, is volgens hem sprake van een onredelijke heffing. Die onredelijkheid wordt veroorzaakt doordat bij schepen met een maximale diepgang tot 2,6 meter de te belasten waterverplaatsing corresponderend met de diepgang volgens de meetbrief gelijk zal zijn aan de feitelijke waterverplaatsing, terwijl bij schepen met een grotere diepgang volgens de meetbrief, zoals het schip van belanghebbende, daarenboven (tot een diepgang van 2,80 meter) een waterverplaatsing wordt belast die in werkelijkheid niet veroorzaakt wordt of kan worden.

4.9.

Met betrekking tot de keuze van het forfait in artikel 2 van de Verordening, waarmee in de kern aansluiting is gezocht bij gegevens betreffende de (maximale) diepgang en corresponderende waterverplaatsing volgens de meetbrief van een schip, heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat uitvoeringstechnische overwegingen de keuze daarvoor mede hebben bepaald. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd, mede gelet op de op dit punt aan de gemeentelijke wetgever toekomende ruime beoordelingsvrijheid, dat deze overwegingen iedere redelijkheid ontberen. Nu de uitvoerbaarheid van de regeling de keuze voor het forfait heeft bepaald, vormt de enkele omstandigheid dat het forfait – naar zijn aard – een zekere ruwheid in zich heeft, geen reden voor ingrijpen door de belastingrechter. Reden om in te grijpen is er dan slechts indien de toepassing van de in de Verordening vervatte heffingsmaatstaf leidt tot een onredelijke en/of willekeurige heffing van havengelden.

4.10.

De door de raad van de gemeente Hengelo gekozen aftopping op een waterverplaatsing die volgens de meetbrief correspondeert met een diepgang van maximaal 2,8 meter, leidt ertoe dat in wezen twee verschillende maatstaven worden gehanteerd. Voor vaartuigen met een diepgang volgens de meetbrief die kleiner of gelijk is aan de maximale diepgang van het Twentekanaal (te weten 2,6 meter) sluit het forfait aan bij de werkelijke waterverplaatsing die immers voor zover hier van belang wordt bepaald door werkelijke diepgang van het vaartuig. Voor vaartuigen met een diepgang volgens de meetbrief die groter is dan de maximale diepgang van het kanaal wordt daarbovenop een fictieve waterverplaatsing in aanmerking genomen voor zover de diepgang volgens de meetbrief groter is dan de diepgang van het kanaal maar kleiner is dan of gelijk is aan 2,8 meter.

4.11.

Ter rechtvaardiging van het in 4.10 vastgestelde verschil stelt de heffingsambtenaar dat een vaartuig met volgens de meetbrief een grotere diepgang in de regel beschikt over een groter motorvermogen en daardoor een hogere waterverplaatsing zal veroorzaken, ook als het niet maximaal beladen is, vooral bij het afremmen voor het afmeren en bij de start van de vaart tot vertrek, waarbij het volledige motorvermogen wordt aangewend om tot de gewenste vaarsnelheid te komen. Belanghebbende voert daar tegen aan dat het Twentekanaal technisch niet geschikt is om te bevaren met meer dan 25% van het motorvermogen van zijn vaartuig. Bovendien, zo verklaart belanghebbende, zou dat leiden tot technische schade aan het vaartuig.

4.12.

Als verklaring voor de aftopping van de diepgang op maximaal 2,8 meter voert de heffingsambtenaar verder aan dat de verordening is opgesteld door vijf in het havenbedrijf Twente samenwerkende gemeenten (de gemeenten Lochem, Hof van Twente, Hengelo, Almelo en Enschede), die vanuit het oogpunt van efficiënte heffing ieder inhoudelijk dezelfde verordening hebben vastgesteld. De vaarwegen in de gemeente Hengelo hebben geen grotere diepgang dan 2,6 meter, maar sommige vaarwegen in de andere in het havenbedrijf Twente samenwerkende gemeenten wel, aldus de heffingsambtenaar. De aftopping van de diepgang op 2,8 meter stemt overeen met de maximaal toegestane diepgang op het Twentekanaal tussen de Geldersche IJssel en Delden volgens Bijlage 3.

4.13.

Naar het oordeel van het Hof volgt uit hetgeen partijen als onder 4.10 en 4.11 weergegeven hebben aangevoerd dat de verordening ertoe leidt dat vaartuigen, zoals die van belanghebbende, met een maximale diepgang volgens de meetbrief van meer dan 2,6 meter belast worden voor een waterverplaatsing die voor het meerdere gezien de grootste diepgang van het Twentekanaal binnen de gemeentegrenzen van Hengelo van 2,6 meter, niet werkelijk kan worden veroorzaakt. De belading van het schip zal daarop immers moeten worden afgestemd en wel zodanig dat de diepgang (en de daarmee corresponderende waterverplaatsing) tot die grens beperkt blijft. Een schip met volgens de meetbrief een diepgang van meer dan 2,6 meter en een ander schip met volgens de meetbrief een maximale diepgang van precies 2,6 meter en met overigens gelijke afmetingen, zal dan ook feitelijk eenzelfde waterverplaatsing veroorzaken, terwijl het eerste schip meer havengeld verschuldigd is. Die uitkomst acht het Hof onredelijk en willekeurig. Het Hof volgt de heffingsambtenaar ook niet in zijn aanname ter rechtvaardiging dat schepen met een grotere diepgang doorgaans beschikken over een groter motorvermogen, waardoor - ongeacht de belading - een grotere waterverplaatsing zou worden veroorzaakt bij aan- en afmeren van een schip wanneer vol motorvermogen wordt gebruikt. In de Verordening wordt immers aangesloten bij de gegevens over (maximale) diepgang en de corresponderende waterplaatsing (ofwel tonnage) volgens de geldende meetbrief van een vaartuig. Hierin speelt motorvermogen als zodanig geen (kenbare) rol. Indien het de bedoeling van de gemeenteraad van de gemeente Hengelo was geweest om wat de waterverplaatsing betreft aan te sluiten bij het motorvermogen van een vaartuig (in plaats van maximale diepgang volgens de meetbrief), dan had hij dit in de Verordening duidelijk moeten regelen en de maatstaf van heffing daarop moeten afstemmen. Daarbij komt dat belanghebbende die aanname over het gebruik van een groter motorvermogen op het Twentekanaal in Hengelo en de gevolgen hiervan voor de waterverplaatsing gemotiveerd heeft weersproken en de heffingsambtenaar voor zijn aanname verder geen bewijs heeft bijgebracht.

4.14.

In incidenteel hoger beroep stelt belanghebbende dat voor de heffing van het havengeld moet worden uitgegaan van de maximaal toegestane diepgang van het vaartuig volgens de onder 2.5 genoemde ontheffing van 2,3 meter. Het Hof volgt belanghebbende niet in deze stelling. Zoals hiervoor in 4.9 is overwogen, stond het de raad van de gemeente Hengelo in beginsel vrij om, (mede) vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid, aansluiting te zoeken bij gegevens omtrent (maximale) diepgang en corresponderende waterverplaatsing volgens de geldende meetbrief van een schip, althans voor zover de maximale diepgang van het Twentekanaal aldaar niet wordt overschreden. De raad hoefde zich niet te richten naar de verschillende afmetingen van een schip en bijbehorende maximale diepgangen als bedoeld in Bijlage 3 (zie 2.4) of een daarvan afwijkende maximale diepgang op grond van de ontheffing (zie 2.5).

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat het Hof van oordeel is dat voor de heffing van Havengeld moet worden uitgegaan van de maximale diepgang die kan worden gevaren volgens de meetbrief met een maximum van 2,6 meter. Uitgaande van een diepgang van 2,6 meter en een volgens de meetbrief voor deze diepgang toegestane waterverplaatsing van 1.915 m3, dient het verschuldigde havengeld te worden verminderd tot € 6.396,10.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep ongegrond. Wel zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank ambtshalve vernietigen.

5 Griffierecht en proceskosten

Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,

– vermindert de aanslag tot een bedrag van € 6.396,10,

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in verband met het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 47 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. V.F.R. Woeltjes en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is uitgesproken op 20 april 2021.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen.

(J.W.J. de Kort) (J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 april 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.