Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:405

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-01-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
Wahv 200.248.468/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlopen gehandicaptenparkeerkaart. Het hof ziet geen aanleiding voor matiging van de sanctie, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de betrokkene nog steeds voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.248.468/01

CJIB-nummer

: 210798111

Uitspraak d.d.

: 18 januari 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 26 april 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter de motiveringsklacht ten onrechte heeft afgewezen. De gemachtigde heeft bij de officier van justitie verzocht om matiging van het sanctiebedrag, maar de officier van justitie stelt in zijn beslissing louter dat de beschikking terecht is opgelegd.

2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep heeft verzocht om matiging van het sanctiebedrag omdat de gehandicaptenparkeerkaart wel geldig was, maar niet op de pleegdatum meer, en dat de officier van justitie in zijn beslissing niet is ingegaan op deze grond. Hoewel de officier van justitie niet gehouden is om expliciet op ieder argument van een betrokkene in te gaan, moet de betrokkene wel in grote lijnen uit de beslissing kunnen opmaken waarom de aangevoerde bezwaren geen doel treffen. Dat is hier niet het geval. De beslissing van de officier van justitie is niet deugdelijk gemotiveerd. De kantonrechter heeft dit miskend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 augustus 2017 om 16:26 uur op de Sint Christoffelstraat in Roermond met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

4. De gemachtigde voert aan dat het bedrag van de sanctie gematigd dient te worden. Met het eindigen van de geldigheid van de gehandicaptenparkeerkaart verdwijnt de handicap niet. Formeel zat de betrokkene dus wel fout, maar de ernst van het verwijt dat de betrokkene kan worden gemaakt is minder zwaar dan in gevallen waarin mensen zonder gehandicaptenparkeerkaart op een gehandicaptenparkeerplaats parkeren.

5. Vaststaat dat de gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er redenen zijn het bedrag van de sanctie te matigen.

6. In de zaken waar de gemachtigde naar heeft verwezen in administratief beroep (Wahv-nummer 200.168.089 en 200.133.102) heeft het hof het bedrag van de sanctie gematigd omdat achteraf bleek dat een betrokkene wel over een geldige gehandicaptenparkeerkaart beschikte, maar dat deze kaart zich ten tijde van de gedraging niet duidelijk zichtbaar achter de voorruit bevond. In dit geval is daarvan geen sprake. Uit het dossier blijkt dat de vervaldatum van de gehandicaptenparkeerkaart 19 juli 2017 was. De gehandicaptenparkeerkaart was dus niet meer geldig. De gemachtigde stelt dat de handicap van de betrokkene niet is verdwenen, maar onderbouwt deze stelling niet. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat de betrokkene ten tijde van het constateren van de gedraging nog steeds voldeed aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van redenen om het bedrag van de sanctie te matigen. Gelet hierop zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

7. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.