Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4046

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
200.224.558/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is met veel moeite een beperkte zorgregeling tot stand gekomen. Het hof geeft zelf de kaders aan voor een verdere uitbouw van de omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.224.558/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/117174 / FA RK 16-2642)

beschikking van 22 april 2021

inzake

[verzoeker] ,

volgens de Basisregistratie Personen ingeschreven te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: voorheen mr. F. Hofstra te Leeuwarden, daarna mr. F.B. Flooren te Groningen, vervolgens mr. A.C.W. Duiveman te Zwolle, daarna mr. J.M. Wigman te Den Haag, thans mr. J.B. Peters te Zoetermeer,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

(proces)advocaat: voorheen mr. J.V. van Ophem te Leeuwarden, daarna mr. J.J. Veldhuis te Leeuwarden, thans mr. L. Ahlers te Leeuwarden.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

per 6 november 2019:

de gecertificeerde instelling

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

kantoorhoudende te Groningen,

verder te noemen: de GI.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 21 juli 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Peters van 29 juli 2020 met productie(s);

- een brief van de GI van 19 november 2020;

- een journaalbericht van mr. Peters van 10 december 2020 met productie(s);

- twee journaalberichten van mr. Ahlers van 10 december 2020, beide met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Peters van 11 december 2020 met productie(s);

- een brief van de GI van 26 februari 2021 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Peters van 5 maart 2021 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Ahlers van 5 maart 2021 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Peters van 8 maart 2021 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Ahlers van 11 maart 2021 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Peters van 11 maart 2021 met productie(s).

1.3

Bij journaalbericht van 11 maart 2021 heeft mr. Peters bezwaar gemaakt tegen de indiening van een productie bij het journaalbericht van mr. Ahlers van 11 maart 2021. Zoals reeds ter zitting medegedeeld heeft het hof besloten het journaalbericht van mr. Ahlers van 11 maart 2021 met de daarbij gevoegde productie niet mee te nemen bij de beoordeling.

1.4

Op 12 maart 2021 is de mondelinge behandeling voortgezet. De vader is verschenen, bijgestaan door mr. D.Z. Peters (een kantoorgenoot van mr. J.B. Peters). De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [C] en mevrouw [D] . Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad), in het kader van zijn adviserende taak, is - via een beeldbelverbinding - mevrouw [E] verschenen. Ter zitting hebben mr. Peters en mr. Ahlers mede het woord gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 21 juli 2020, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof de volgende voorlopige zorgregeling vastgesteld:

- in de maand augustus 2020 stuurt de vader twee keer een kaartje met daarop een liefdevolle

maar neutrale tekst en met daarbij een recente foto van de vader - via de gezinsvoogd - naar

[de minderjarige] ;

- vanaf de maand september 2020 vindt er één keer per veertien dagen een door de GI

begeleid omgangsmoment op een neutrale locatie plaats tussen de vader en [de minderjarige] .

Verder heeft het hof bepaald dat de GI na vijf begeleide omgangsmomenten, derhalve rond medio november 2020, het hof schriftelijk zal informeren over het verloop van deze omgangsmomenten en over hoe het in die betreffende periode (met [de minderjarige] ) is gegaan. Het hof heeft de vader, de moeder en de raad in de gelegenheid gesteld om te reageren op deze informatie.

2.3

De ouders oefenen samen het ouderlijk gezag uit. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met

overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder

om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de

persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn

hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid,

wordt verschaft.

2.4

De vader heeft betoogd, daarbij verwijzende naar artikel 1:247, vierde lid, BW, dat hij er recht op heeft om evenveel tijd door te brengen met [de minderjarige] als de moeder. Hij wil daarom dat er toegewerkt wordt naar een zorgregeling waarbij [de minderjarige] 50% van de tijd bij de vader is en 50% van de tijd bij de moeder. Vanwege de verstoorde verstandhouding tussen de ouders is een co-ouderschap wellicht niet mogelijk, maar parallel ouderschap is volgens de vader een reële optie.

2.5

Artikel 1:247, vierde lid, BW, bepaalt - voor zover hier van belang - dat een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, na ontbinding van het huwelijk recht behoudt op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Het hof stelt voorop dat de zinsnede ‘behoudt recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding’ niet verplicht tot een gelijke verdeling van de zorg in tijd, zoals de vader lijkt aan te nemen. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat deze zinsnede tot uitdrukking probeert te brengen dat de ene ouder niet meer bevoegdheden aan het gezag kan ontlenen dan de andere ouder. Niet bedoeld is dat deze bepaling tot een verplicht co-ouderschap, als zijnde een 50/50-verdeling, leidt. Voorts is bij de totstandkoming van die bepaling genoemd dat bij het maken van een zorgregeling de zorgverdeling ten tijde van de samenwoning een belangrijke factor is. Het is echter niet de enige factor (zie ook de beschikking van de Hoge Raad van 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7407, waarin wordt verwezen naar de beschrijving van de parlementaire geschiedenis in de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad van 5 maart 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL7407). Bij de vraag hoe de zorgregeling door een rechter moet worden vormgegeven, vormt bovendien het belang van het kind, zoals zich dat in de gegeven omstandigheden aandient, een eerste overweging (artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind).

Voor zover de vader dus betoogt dat hij zonder meer recht heeft op een - in tijd - gelijke verdeling van de zorg voor [de minderjarige] , is dit niet juist.

2.6

Voor zover de vader betoogt dat een 50/50-verdeling van de zorg in het belang van [de minderjarige] is, overweegt het hof als volgt.

2.7

Sinds oktober 2020 vindt er begeleide omgang plaats tussen [de minderjarige] en de vader. Op dit moment is er eens per twee weken gedurende twee uur door de GI begeleide omgang bij de vader thuis. Het hof stelt vast dat deze feitelijke zorgregeling, nadat er ruim vier jaar geen omgang heeft plaatsgevonden, met veel moeite, inspanning, kosten en energie is bereikt. De vader en de moeder, en ook de professionele betrokkenen, zijn het erover eens dat de huidige feitelijke zorgregeling goed verloopt. [de minderjarige] is tijdens de omgangsmomenten blij en vertelt daarna aan de moeder (overwegend) positief over deze omgangsmomenten. Voor alle betrokkenen, ook voor de moeder, die gedurende lange tijd grote angst heeft gehad voor contact tussen [de minderjarige] en de vader, staat vast dat de huidige feitelijke zorgregeling verder uitgebreid kan en moet worden. De vader en de moeder verschillen echter van mening in welk tempo deze uitbreiding dient plaats te vinden.

De GI heeft aan de ouders een voorstel gedaan voor de opbouw van de omgang. Dit voorstel houdt - kort gezegd - in dat op korte termijn wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang en dat op lange termijn wordt toegewerkt naar weekendomgang. Dit dient volgens de GI in stapjes te worden vormgegeven en er dient iedere keer met alle betrokkenen (waarbij de GI ook [F] en school zal benaderen) geëvalueerd te worden hoe het verlopen is. De vader wil een snellere opbouw en meer omgang: hij is van mening dat er - na een korte opbouw - een 50/50-verdeling met parallel ouderschap kan worden vastgesteld. De moeder wil een langzamere opbouw en minder omgang: zij wil in stapjes toewerken naar een regeling waarbij [de minderjarige] en de vader een weekend in de drie weken omgang hebben met elkaar.

2.8

De stelling van de vader dat er een 50/50-verdeling moet worden vastgesteld om op die manier oudervervreemding dan wel ouderverstoting tegen te gaan, volgt het hof niet. Nog daargelaten dat dit niet de enige oplossing is om oudervervreemding / ouderverstoting tegen te gaan, is in de NIFP-rapportage ten aanzien van de ouders van 18 mei 2019 (blz. 47 van het rapport ten aanzien van de vader en blz. 54 van het rapport ten aanzien van de moeder) geconcludeerd dat er in dit geval geen sprake is van ouderverstoting. Het hof ziet evenmin aanwijzingen voor ouderverstoting dan wel oudervervreemding. Naast hetgeen in de

NIFP-rapportage is geconstateerd, overweegt het hof dat er op dit moment omgang is tussen [de minderjarige] en de vader, die positief verloopt en waaraan de moeder nu volledig meewerkt. [de minderjarige] wil zijn vader ook zien en is enthousiast over de omgangsmomenten.

2.9

Gebleken is dat de ouders elkaar in grote mate wantrouwen en niet, althans onvoldoende uitgaan van het goede van de andere ouder. In de NIFP-rapportage van 18 maart 2019 is hierover onder meer geconcludeerd dat beide ouders vastzitten in de ervaringen en problematiek die zij in relatie tot elkaar ervaren hebben. Zij reageren daarbij sterk vanuit de (ex)partnerproblematiek en focussen zich op de tekortkomingen in het persoonlijk functioneren van de andere ouder. Ook is geconcludeerd dat de ouders niet in staat zijn tot overleg en communicatie over [de minderjarige] .

In de NIFP-rapportage is ten aanzien van de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] geconcludeerd dat [de minderjarige] naar voren komt als een gevoelige jongen die emotioneel belast is. Hij ervaart dat er sprake is van dreiging wat angstgevoelens teweeg heeft gebracht. Er is sprake van zorgen. Angstgevoelens worden afgeweerd, afgesplitst en ontkend, maar [de minderjarige] heeft hier duidelijk last van. Verder wordt in de rapportage geconcludeerd dat een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader alleen kans van slagen heeft als voor [de minderjarige] het gevoel van dreiging weggenomen wordt. Dit betekent dat de opvoedingssituatie van [de minderjarige] met zijn moeder als centrale opvoeder veilig moet zijn en moet blijven, dat de dreiging dat [de minderjarige] opnieuw uithuisgeplaatst kan worden weggenomen moet worden en dat het functioneren van de moeder als centrale opvoeder niet ter discussie kan staan.

De raad heeft in zijn rapport van 22 oktober 2019 onder meer geconcludeerd dat de heftigheid van de strijd tussen de ouders niet stopt, al jarenlang duurt en dat [de minderjarige] al jaren tussen de ouders in zit, klem zit en onaanvaardbaar lijdt in deze positie.

2.10

Het hof overweegt dat wat er ook zij van de vraag aan wie de ontstane situatie tussen de ouders te wijten is, vaststaat dat [de minderjarige] al jaren in deze situatie zit. Hierdoor is hij een kwetsbare jongen, voor wie het van extra groot belang is dat zijn welzijn en draagkracht gevolgd worden bij de vraag in welk tempo de omgang verder uitgebreid wordt.

Daarom zal het hof een zorgregeling vaststellen waarbij wordt uitgegaan van de situatie dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft, dat de moeder dus de centrale opvoeder is, en waarbij [de minderjarige] regelmatig contact heeft met de vader. De door de moeder voorgestane regeling van eens in de drie weken gedurende een weekend omgang acht het hof te beperkt en de opbouw daarnaartoe te langzaam en daarmee, net als de door de vader voorgestane 50/50-verdeling, niet in het belang van [de minderjarige] . Het hof is, evenals de GI en de raad, van oordeel dat een reguliere zorgregeling, waarbij [de minderjarige] eens in de twee weken van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft, op dit moment het maximaal haalbare is.

2.11

Met betrekking tot de vraag in welk tempo naar deze regeling toegewerkt moet worden, overweegt het hof dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling is aangesteld om de belangen van [de minderjarige] te beschermen. Het hof is dan ook van oordeel dat de GI de regie dient te hebben bij het bepalen van het tempo van de opbouw van de omgang en de wijze waarop deze - ook bijvoorbeeld wat betreft de overdrachtsmomenten - wordt uitgevoerd, waarbij het hof de navolgende richtlijnen zal meegeven, binnen welke richtlijnen toegewerkt dient te worden naar een reguliere zorgregeling.

Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat er vanaf juli 2021 gedurende een dag onbegeleide omgang plaatsvindt met de vader en dat er vanaf oktober 2021 omgang plaatsvindt met één overnachting. Vanaf begin 2022 geldt vervolgens de reguliere zorgregeling waarbij [de minderjarige] om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft. De verdere opbouw en invulling laat het hof over aan de GI.

2.12

Met betrekking tot de vakantieregeling acht het hof de volgende regeling het meest in het belang van [de minderjarige] . Tot 2022 loopt de op dat moment geldende feitelijke zorgregeling door in de schoolvakanties. In het jaar 2022 verblijft [de minderjarige] in de zomervakantie twee keer één losse week bij de vader en gedurende de overige schoolvakanties loopt de op dat moment geldende feitelijke zorgregeling door. Vanaf 2023 dienen de ouders alle schoolvakanties bij helfte te verdelen, waarbij voor de zomervakantie geldt dat [de minderjarige] maximaal twee weken achtereen bij de vader verblijft (in die zin dat elk van de ouders dus één losse week en twee aaneengesloten weken heeft met [de minderjarige] ). Ook de feestdagen dienen vanaf 2023 bij helfte gedeeld te worden. Wat betreft de verjaardag van [de minderjarige] zal het hof bepalen dat [de minderjarige] deze in de even jaren bij de vader doorbrengt en in de oneven jaren bij de moeder. Het vastleggen van een nog verder gedetailleerde regeling zoals de vader voorstaat, acht het hof gezien eerder genoemd broos evenwicht en de mogelijke onrust die meer wisselmomenten meebrengen, niet in het belang van [de minderjarige] .

2.13

Het hof wenst voor de uitvoering van voornoemde regeling het volgende aan de ouders mee te geven. De ouders moeten accepteren dat het welzijn van [de minderjarige] bepalend is voor de vraag in welk tempo de zorgregeling kan worden uitgebreid. Beide ouders dienen zich bovendien in te spannen om ervoor te zorgen dat de zorgregeling feitelijk verloopt en uitgevoerd wordt op een manier die voor [de minderjarige] prettig en te overzien is. Dit betekent dat de ouders dienen mee te werken aan de aanwijzingen en de beslissingen van de GI met betrekking tot de zorgregeling. Ook dienen zij respectvol om te gaan met de betrokken professionele hulpverleners en ook met elkaar als ouder van [de minderjarige] .

De ouders dienen zich verder te realiseren dat de door hen onderling gevoerde strijd wel degelijk zijn weerslag heeft op [de minderjarige] , ook al stellen de ouders dat zij dit niet met [de minderjarige] bespreken. [de minderjarige] voelt aan dat de ouders elkaar niet vertrouwen en dat zij het onderling niet eens zijn over de zorgregeling en andere kwesties over [de minderjarige] . Er is op dit moment sprake van een broos evenwicht, waarbij er na veel moeite omgang tussen [de minderjarige] en de vader tot stand is gekomen. Wanneer de ouders onderling blijven strijden, al dan niet via juridische procedures en ook al is het buiten [de minderjarige] om, is de kans groot, zoals ook ter zitting met de ouders besproken, dat het evenwicht verloren gaat met alle negatieve gevolgen van dien, vooral voor [de minderjarige] maar ook voor de ouders zelf.

Het hof doet verder een dringende oproep aan beide ouders om in het belang van [de minderjarige] ervoor te zorgen dat er sprake is van continuïteit in de hulpverlening voor [de minderjarige] . Het hof hoopt ten zeerste dat wanneer professioneel betrokkenen bepaalde hulp voor [de minderjarige] adviseren omdat [de minderjarige] hier baat bij kan hebben (bijvoorbeeld het door de school van [de minderjarige] voorgestelde dyslexieonderzoek omdat [de minderjarige] problemen ervaart op dit gebied), de ouders dit willen aannemen, dit advies opvolgen en eraan meewerken dat die hulpverlening in het belang van [de minderjarige] zo snel mogelijk kan worden ingezet.

2.14

De vader heeft betoogd dat er op het hof een resultaatsverplichting rust en geen inspanningsverplichting. Het hof volgt de vader hierin niet. In zijn uitspraak van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91) heeft de Hoge Raad bepaald dat indien de rechter de gronden die de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, de rechter op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen dient te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Tijdens de onderhavige procedure - die in maart 2017 is gestart met het zelfstandig verzoek van de vader in de eind 2016 door de moeder gestarte zaak over het gezag - heeft er een

NIFP-onderzoek plaatsgevonden, een onderzoek door de raad, is er een ondertoezichtstelling uitgesproken en is er uiteindelijk omgang tussen de vader en [de minderjarige] tot stand gekomen. Het hof is dan ook van oordeel dat er passende maatregelen zijn genomen, die thans ertoe hebben geleid dat er een zorgregeling wordt uitgevoerd, waaraan ook de moeder bereid is haar medewerking te verlenen.

2.15

Voor zover de vader ter discussie heeft gesteld of er nog sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] en/of hij al dan niet klem en verloren zit tussen de ouders, merkt het hof op dat deze kwesties aan de orde zijn bij de wettelijke toetsingskaders met betrekking tot een ondertoezichtstelling en gezag, maar niet met betrekking tot de vaststelling van een zorgregeling.

2.16

De vader heeft verder het hof verzocht te bepalen dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag of per dagdeel dat de moeder weigert om haar medewerking te verlenen aan alle in redelijkheid te bepalen omgangscontacten, begeleidingstrajecten of anderszins op te leggen maatregelen. Het hof acht het opleggen van een dwangsom niet nodig en niet passend. De moeder heeft de afgelopen maanden meegewerkt aan de zorgregeling. Het hof rekent erop dat de moeder dat zal blijven doen, alleen al omdat de moeder evenals de overige betrokkenen vindt dat de huidige feitelijke zorgregeling kan worden uitgebreid. Weliswaar zal het hof een snellere opbouw en meer omgang bepalen dan de moeder wenst, maar het hof gaat ervan uit dat de moeder erop zal vertrouwen dat de GI toezicht zal houden op het welzijn van [de minderjarige] .

Daarbij komt dat het een complexe situatie betreft waarbij de GI voor de uitvoering van haar taak binnen de door het hof gegeven richtlijnen de vrijheid moet kunnen houden om maatwerk te leveren en de feitelijke zorgregeling aan te passen indien dit in het belang van [de minderjarige] nodig is. Bovendien heeft de GI de eigen middelen om indien nodig aan beide ouders aanwijzingen te geven, ook met betrekking tot de uitvoering van de zorgregeling door beide ouders. Deze middelen bieden naar het oordeel van het hof voldoende waarborg voor de uitvoering van de zorgregeling. Het hof zal dit verzoek van de vader daarom afwijzen. Om voornoemde redenen zal het hof ook het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij tot tweemaal toe verbeuren van een dwangsom, althans niet nakoming van de beschikking afwijzen, evenals het verzoek om de beschikking met behulp van de sterke arm ten uitvoer te laten leggen.

2.17

De overige door de vader gedane verzoeken tijdens deze procedure in hoger beroep zijn ofwel niet meer aan de orde (benoeming van een regievoerende raadsheer) of zijn verzoeken die niet op een wetsartikel zijn gebaseerd (het verzoek om de moeder op straffe van een dwangsom te laten meewerken aan een traject bij GGZ Drenthe). Het hof zal deze verzoeken dan ook afwijzen.

3 De slotsom

3.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna te melden.

3.2

Met betrekking tot de kosten van het deskundigenonderzoek (het NIFP-onderzoek) overweegt het hof als volgt. Het hof heeft in de tussenbeschikking van 19 juli 2018 onder rechtsoverweging 2.7 overwogen dat de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van 's Rijks kas zullen komen om de daar vermelde redenen, dat aan partijen geen voorschot als bedoeld in artikel 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden opgelegd en dat het aan de deskundige toekomende bedrag bij de te geven eindbeschikking overeenkomstig de daarvoor en krachtens de wet gestelde regelingen in dit geval ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige zal worden betaald.

Het hof heeft een nota van 16 april 2019 ontvangen van de deskundige ter hoogte van in totaal € 13.906,02 (inclusief reiskosten en btw). Het hof zal de kosten definitief op dit bedrag vaststellen en bepalen dat de kosten ten laste van 's Rijks kas zullen komen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 juni 2017, en opnieuw beschikkende:

stelt als zorgregeling vast dat onder de regie van de GI wordt toegewerkt naar een zorgregeling waarbij [de minderjarige] vanaf begin 2022 een keer per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft en waarbij de volgende opbouw geldt:

vanaf juli 2021 vindt er gedurende een dag onbegeleide omgang plaats tussen [de minderjarige] en de vader en vanaf oktober 2021 vindt er omgang plaats met één overnachting. De verdere invulling en opbouw wordt door de GI bepaald;

stelt de volgende vakantieregeling vast:

- tot 2022 loopt de op dat moment geldende feitelijke zorgregeling door in de schoolvakanties;

- in het jaar 2022 verblijft [de minderjarige] in de zomervakantie twee keer één week bij de vader en gedurende de overige schoolvakanties loopt de op dat moment geldende feitelijke zorgregeling door;

- vanaf 2023 dienen de ouders alle schoolvakanties en feestdagen bij helfte te verdelen, waarbij voor de zomervakantie geldt dat [de minderjarige] maximaal twee weken achtereen bij de vader verblijft;

- [de minderjarige] zal zijn verjaardag in de even jaren bij de vader doorbrengen en in de oneven jaren bij de moeder;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

stelt de kosten van het deskundigenonderzoek vast op € 13.906,02 (inclusief reiskosten en btw) en bepaalt dat deze kosten ten laste van 's Rijks kas komen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en C. Koopman, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 22 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.