Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4040

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
21-004232-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte voor verkrachting van zijn minderjarige, verstandelijk beperkte dochter tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden. Verkrachting bewezen; dwang door andere feitelijkheden bewezen, onder meer bestaande uit misbruik maken vertrouwensrelatie, misbruik maken van het door een aanzienlijk leeftijdsverschil en feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht van verdachte, terwijl het slachtoffer zich gelet op haar geestelijke en sociale ontwikkeling in een kwetsbare situatie bevond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004232-19

Uitspraak d.d.: 26 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 24 juli 2019 met parketnummer 16-706064-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1954,

wonende te [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 oktober 2020 en 13 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, bestaande uit € 2.500,- aan immateriële schade, heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. H.J. Voors, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 24 juli 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts is de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding, bestaande uit € 2.500,- aan immateriële schade, toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

hij op 22 april 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , immers heeft hij, verdachte,

- de borsten van die [benadeelde partij] betast, aangeraakt en/of gemasseerd en/of

- ( plotseling en/of onverhoeds) een trillend voorwerp in de vagina van die [benadeelde partij] gebracht en/of gehouden, althans tussen en/of tegen de schaamlippen van die [benadeelde partij] gehouden en/of

- ( plotseling en/of onverhoeds) zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij] gebracht en/of gehouden en/of (daarbij) op en neer gaande bewegingen gemaakt en/of

- ( plotseling en/of onverhoeds) zijn, verdachtes, tong in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij] gebracht en/of

- ( plotseling en/of onverhoeds) zijn, verdachtes, penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of (daarbij) op en neer gaande bewegingen gemaakt,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [benadeelde partij] bij zich op de slaapkamer heeft ontboden en/of

- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat ze haar kleding uit moest trekken en/of

- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat ze op haar rug moest gaan liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat ze haar benen wijd moest doen en/of

- misbruik/gebruik heeft gemaakt van het fysieke en/of geestelijke overwicht dat hij, verdachte (als vader en/of als volwassene), had over die [benadeelde partij] en/of

- misbruik/gebruik heeft gemaakt van het geestelijke overwicht dat hij, verdachte had over die [benadeelde partij] wetende dat die [benadeelde partij] verstandelijk beperkt is,

en/of aldus voor die [benadeelde partij] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair:
hij op 22 april 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum 2] 1999, door

- de borsten van die [benadeelde partij] te betasten, aan te raken en/of te masseren en/of

- ( plotseling en/of onverhoeds) een trillend voorwerp in de vagina van die [benadeelde partij] te brengen en/of te houden, althans tussen en/of tegen de schaamlippen van die [benadeelde partij] te houden en/of

- ( plotseling en/of onverhoeds) zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij] te brengen en/of te houden en/of (daarbij) op en neer gaande bewegingen te maken en/of

- ( plotseling en/of onverhoeds) zijn, verdachtes, tong in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij] te brengen en/of

- ( plotseling en/of onverhoeds) zijn, verdachtes, penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij] te duwen en/of te brengen en/of te houden en/of (daarbij) op en neer gaande bewegingen te maken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijs

Het hof neemt de in het vonnis van de rechtbank van 24 juli 2019 opgenomen bewijsmiddelen over1 en verenigt zich met de daarop gebaseerde feitenvaststelling van de rechtbank:

Op 26 april 2016 is [benadeelde partij] verhoord in een kindvriendelijke studio. Verbalisant [verbalisant 1] heeft het verhoor vanuit de regiekamer kunnen horen en zien. Hij heeft hierover, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard:

[benadeelde partij] verklaarde dat haar vader, [verdachte] , op vrijdagavond ( [benadeelde partij] noemt geen datum, maar omschrijft 22 april 2016), in zijn woning in [plaats] seksuele handelingen bij haar heeft gepleegd. 2

De audiovisuele opname van het studioverhoor is schriftelijk uitgewerkt. In de schriftelijke uitwerking is te lezen dat [benadeelde partij] , zakelijk weergegeven, als volgt heeft verklaard:

Het is op vrijdag gebeurd. 3 Toen ik helemaal aangekleed was zei papa: ‘ [benadeelde partij] kom je?’ Ik ging bij papa op het bed zitten en zag uit mijn ooghoek dat hij porno op zijn laptop zat te kijken. Hij zei op een gegeven moment: ‘Nou moet ik je een massage geven. Kleed je maar uit. Je onderbroek ook.’ Toen zei hij: ‘Ga maar liggen op je buik.’ Ik was helemaal naakt. Papa ging mij masseren met olie. 4 Opeens pakte hij iets uit zijn nachtkastje, zo’n ding wat je in je vagina doet. Ik moest mij omdraaien. Hij masseerde mij met olie en raakte mijn borsten en vagina aan. Ook begon hij dat trillende voorwerp in mijn vagina te stoppen. Daarna begon hij met zijn handen aan mijn geslachtsdeel te voelen en met zijn vingers in mijn geslachtsdeel. Ik moest op een gegeven moment mijn benen wijd doen en toen begon hij weer dat ding in mijn vagina te stoppen. Daarna begon hij zijn penis in mijn vagina te stoppen. Dat deed hij een paar keer. 5 Hij ging ook aan mijn vagina likken. 6 Ik denk dat hij eerst aan het masseren was en met dat ding. En daarna ging hij likken en later met zijn penis in mijn vagina. 7 Ik zei au en toen stopte hij denk ik. Daarna moest ik douchen van papa. Ik heb een schone onderbroek met oranje en figuurtjes erop aangedaan. 8

Verdachte heeft bij de politie verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik woon in [plaats] . 9 Ik heb kinderen met mijn ex, [naam kind 1] , [naam kind 2] en [benadeelde partij] . 10 De meisjes zijn beperkt. 11

Op 21 juli 2016 is de Hewlett Packard laptop van verdachte onderzocht op internetgebruik. Uit de op de genoemde computer opgeslagen data blijkt dat op 22 april 2016 om 20:20 uur is gezocht op het woord ‘porno’. 12

Op 23 april 2016 is door dr. I. Hoornstra een forensisch medisch onderzoek uitgevoerd bij [benadeelde partij] . 13 Tijdens dit onderzoek zijn o.a. de binnenste schaamlippen bemonsterd met een onderzoeksset zedendelicten. Deze onderzoeksset zedendelicten is voorzien van de identiteitszegel ZAAC6252NL. 14 De politie heeft de kleding van [benadeelde partij] in beslag genomen. 15 Uit het onderzoek volgt dat [benadeelde partij] in de laatste 7 dagen voor 22 april 2016 en na 22 april 2016 geen geslachtsverkeer heeft gehad. 16

De bemonsteringen uit de onderzoeksset zedendelicten ZAAC6252NL en de onderbroek (oranje met daarop figuurtjes) 17 (AAJJ6849NL) zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht. In de bemonstering van de binnenste schaamlippen (ZAAC6252NL#01) is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van spermavloeistof. De onderbroek is op 3 plekken op de binnenzijde van het kruis bemonsterd. In elk van deze bemonsteringen is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van spermavloeistof; bij dit onderzoek zijn geen spermacellen aangetroffen. Uit een van de bemonsteringen (AAJJ6849NL#01) is een DNA-mengprofiel verkregen met daarin DNA-nevenkenmerken die afkomstig kunnen zijn van verdachte en minimaal één andere persoon. 18

Op 23 februari 2017 heeft aanvullend DNA-onderzoek aan de bemonsteringen van de onderbroek door het NFI plaatsgevonden. Uit de bemonsteringen (AAJJ6849NL#01 en AAJJ6849#03) is een autosomaal DNA-mengprofiel verkregen. Hieruit kan een DNA-hoofdprofiel worden afgeleid dat afkomstig kan zijn van [benadeelde partij] (matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard). De DNA-nevenkenmerken kunnen afkomstig zijn van verdachte en minimaal één andere persoon. De bevindingen van dit vergelijkend DNA-onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker als deze bemonsteringen celmateriaal van [benadeelde partij] , verdachte en één onbekende persoon bevat dan als de bemonsteringen celmateriaal bevatten van [benadeelde partij] en twee onbekend gebleven personen. Ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht van de match tussen het DNA-profiel van verdachte en het autosomale DNA-mengprofiel en het Y-chromosomaal DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonsteringen is de aanname gedaan dat de onbekende personen in deze bemonstering niet onderling verwant of aan [benadeelde partij] of verdachte verwant zijn. 19

Het NFI heeft het autosomale DNA-profiel van getuige [naam kind 1] (de broer van [benadeelde partij] en zoon van verdachte) betrokken bij het vergelijkend autosomaal DNA-onderzoek. Op basis van de resultaten van het vergelijkend autosomaal DNA-onderzoek van het NFI wordt geconcludeerd dat de autosomale DNA-profielen van [naam kind 1] en verdachte niet identiek zijn en dus van elkaar kunnen worden onderscheiden. Verder heeft het NFI op basis van het vergelijkend autosomaal DNA-onderzoek geconcludeerd dat de bemonsteringen van de onderbroek (AAJJ6849#01 en AAJJ6849NL#03) DNA bevatten dat afkomstig kan zijn van verdachte, [benadeelde partij] en/of haar identieke tweelingzusje [naam kind 2] en minimaal één andere persoon, niet zijnde [naam kind 1] , [naam moeder] en [naam] . 20

Het NFI heeft de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en het DNA-onderzoek dat is uitgevoerd geëvalueerd onder hypothesen op activiteitniveau. Het NFI overweegt dat de kans om een positief testresultaat voor spermavloeistof te vinden op gewassen kleding zeer klein is. De kans op een vals-positieve uitkomst van de test acht dr. B. Kokshoorn van het NFI, voor zowel de bemonsteringen van de binnenste schaamlippen als de bemonsteringen van de onderbroek, zeer klein. De positieve testresultaten van de test voor spermavloeistof in de bemonsteringen van de binnenste schaamlippen en de onderbroek van [benadeelde partij] zijn iets waarschijnlijker wanneer er wel penetratie met de penis heeft plaatsgevonden, dan wanneer dit niet het geval is. 21

Aan het voorgaande voegt het hof nog toe:

In de schriftelijke uitwerking van de audiovisuele opname van het studioverhoor van 26 april is te lezen dat [benadeelde partij] , zakelijk weergegeven, als volgt heeft verklaard:

Hij ging eerst op m’n rug masseren en hij zei vind je het lekker en zo. Ik kan daar niet echt antwoord op geven omdat ik diep van binnen gewoon echt tranen had, want je kan daar niet meer iets doen, dus ik vind het heel moeilijk om nee te zeggen. Ik vind het heel moeilijk, als ik in zo’n situatie zit vind ik het heel moeilijk om stop te zeggen. En ik doe elke maandag een cursus om beter uit zulke situaties te komen. Ik vind het heel moeilijk om stop te zeggen. En ik leer meer steeds wel maar op dat moment weet je niet wat je moet zeggen. 22

Later zei ik tegen papa, ik vind het gewoon niet normaal wat je hebt gedaan. Hij zei, maar dat is gewoon normaal, [benadeelde partij] , wil je dit geheim blijven, ik wil dat er niemand het weet, want anders kom ik in de gevangenis en dat wil ik niet, en als je het vertelt dan ga ik weg uit [plaats] , dan zie je me nooit meer. 23

Toen hij met de penis in me ging moest ik m’n benen naar hoog. Hij zei wil je effe je benen wijd doen. Toen heb ik benen wijd gedaan. Ik was op dat moment, toen het op dat moment gebeurde, wist ik niet wat ik moest doen. Ik was, ik had een zwart voor m’n ogen.24

[naam moeder] , moeder van [benadeelde partij] , heeft verklaard dat zij op vrijdag 22 april 2016 rond 23.30 gebeld werd door [benadeelde partij] . [benadeelde partij] huilde en vroeg of ze haar kon komen ophalen. [benadeelde partij] zei ‘Hij heeft me aangeraakt’. [benadeelde partij] stond buiten toen ze bij het huis van verdachte aankwam. [benadeelde partij] zei ‘Hij heeft me aangeraakt, hij heeft me aangeraakt’. In de auto is [benadeelde partij] op de achterbank gaan liggen. Zij lag in elkaar gedoken en was compleet overstuur. Thuis aangekomen kwam [benadeelde partij] uit de auto en liep ze apathisch mee naar de woning.25

[naam moeder] heeft voorts verklaard dat verdachte, met het oog op de hechtingsproblematiek die bij [benadeelde partij] speelt, één keer is mee geweest naar therapie.26

[naam kind 1] , de broer van [benadeelde partij] , heeft verklaard dat zijn moeder vrijdagavond door [benadeelde partij] werd gebeld en dat [benadeelde partij] overstuur was. Hij is met zijn moeder naar de woning van verdachte gegaan. [benadeelde partij] stond al buiten. Toen ze net bij [benadeelde partij] aangekomen waren vertelde ze dat ze aangeraakt was, maar omdat ze zo overstuur was kwam er verder eerst geen woord uit haar.27

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [benadeelde partij] in de avond van 22 april 2016 bij hem was en dat verdachte die avond heeft gedoucht waarbij [benadeelde partij] zijn rug heeft gewassen. Ook heeft verdachte verklaard dat in zijn slaapkamer een fles massageolie stond en dat [benadeelde partij] die avond zelf ook heeft gedoucht.28

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde feit met betrekking tot zowel de primaire als de subsidiaire variant. Hij heeft daartoe allereerst - kort samengevat - aangevoerd dat de verklaring van [benadeelde partij] onvoldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te gebruiken. Er is - ook gezien de gecompliceerde familieverhoudingen - teveel ruis in haar verklaringen om te kunnen concluderen tot wettig en overtuigend bewijs dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden zoals tenlastegelegd. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het onderzoek door het NFI geen ondersteuning biedt voor de beschuldiging van [benadeelde partij] . De kans op overdracht van DNA van verdachte op de door de verdediging in de NFI-rapportage d.d. 25 juni 2019 geschetste wijze is, blijkens voorgenoemde rapportage, niet uitgesloten nu de deskundige tot de conclusie komt dat de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en het DNA-onderzoek als ongeveer even waarschijnlijk moeten worden beoordeeld wanneer de in het rapport genoemde elementen bij hypothese 1 waar zijn, als wanneer de drie elementen in hypothese 2 waar zijn.

De raadsman heeft specifiek ter zake van het primair tenlastegelegde voorts aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen ‘het door andere feitelijkheden dwingen’, zoals neergelegd in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, niet bewezen kan worden verklaard. Het enkele feit dat verdachte de vader van [benadeelde partij] is en dat zij een beperking heeft, is onvoldoende om dwang te kunnen aannemen.

Oordeel van het hof

Betrouwbaarheid verklaringen van [benadeelde partij]

Het hof acht de verklaringen van [benadeelde partij] betrouwbaar. Zij heeft bij de politie op 26 april 2016 uitgebreid, consistent en gedetailleerd verklaard omtrent hetgeen zich heeft afgespeeld op de avond van 22 april 2016. Bijna drie jaar later, op 4 februari 2019, heeft [benadeelde partij] nogmaals een verklaring afgelegd, die inhoudelijk overeenkomt met eerdergenoemde verklaring. Deskundige Van der Sleen heeft een rapport uitgebracht op 14 november 2018 alsmede aanvullende vragen beantwoord in haar rapport van 18 januari 2021. Zij ziet op grond van voorgenoemde verklaringen van [benadeelde partij] en de overige zich in het dossier bevindende stukken geen problemen met de inhoud van de verklaring van [benadeelde partij] . Zij concludeert dat deze niet onvolledig is, dat er geen problemen zijn met de accuraatheid van haar verklaring en dat er evenmin serieuze problemen zijn met de consistentie van haar verklaring. Op nadere vragen van de verdediging is de deskundige bij haar eindconclusies gebleven.

De verklaringen van [benadeelde partij] vinden bovendien steun in andere bewijsmiddelen. Zo is uit het onderzoek dat door de politie aan de laptop van verdachte is verricht, naar voren gekomen dat er op 22 april 2016 om 20:20 uur naar porno gezocht is, hetgeen de verklaringen van [benadeelde partij] ondersteunt dat verdachte vóór het verrichten van de tenlastegelegde handelingen naar porno heeft gekeken. Daarnaast is er, blijkens de onderzoeksrapportages van het NFI, op twee plekken in de onderbroek van [benadeelde partij] DNA van verdachte aangetroffen. Daarbij spreekt het NFI over aanwijzingen voor de aanwezigheid van spermavloeistof op de binnenste schaamlippen en in de onderbroek.

Het hof betrekt bij zijn oordeel eveneens de verklaringen van getuigen [naam moeder] en [naam kind 1] , waaruit blijkt dat [benadeelde partij] kort na het incident, toen zij contact opnam met haar moeder, toen haar moeder en broer haar kort daarop aantroffen bij de woning van verdachte en tijdens de autorit naar huis, emotioneel en overstuur was.

Tenslotte vindt de verklaring van [benadeelde partij] op verschillende punten ook steun in de verklaring van verdachte. Zo heeft verdachte, overeenkomstig de verklaringen van [benadeelde partij] betreffende het verloop van de avond, verklaard dat [benadeelde partij] die avond bij hem verbleef – zij zou er logeren - en dat verdachte heeft gedoucht, waarbij [benadeelde partij] zijn rug heeft gewassen. Ook heeft verdachte bevestigd dat in zijn slaapkamer een fles massageolie stond en dat [benadeelde partij] die avond zelf ook heeft gedoucht.

Door verdediging geschetste scenario’s

Door de verdediging is een aantal scenario’s geschetst, waarbij in de visie van de verdediging overdracht van het DNA van verdachte op de onderbroek van [benadeelde partij] heeft kunnen plaatsvinden. Naar aanleiding van de door de verdediging geschetste scenario’s heeft het NFI, blijkens de rapportages d.d. 25 juni 2019 en 1 februari 2021, de volgende twee hypotheses met elk drie elementen geformuleerd en onderzocht:

Hypothese 1: Verdachte [verdachte] heeft seksuele handelingen uitgevoerd met slachtoffer [benadeelde partij] . Hierna heeft het slachtoffer gedoucht zonder daarbij de spons te gebruiken. Zij heeft een schone, uit de woning van haar moeder meegebrachte onderbroek aangetrokken.

Hypothese 2: Verdachte [verdachte] heeft geen seksuele handelingen uitgevoerd met slachtoffer [benadeelde partij] . Het slachtoffer heeft gedoucht en daarbij de spons gebruikt. Zij heeft een schone, uit de woning van verdachte afkomstige onderbroek aangetrokken.

De deskundige concludeert dat, op grond van de in het rapport genoemde overwegingen, en gegeven de verkregen informatie en gedane aannamen, de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en het DNA-onderzoek beoordeeld worden als ongeveer even waarschijnlijk wanneer de drie elementen in hypothese 1 waar zijn, als wanneer de drie elementen in hypothese 2 waar zijn. Anders dan hetgeen door de raadsman is betoogd, wordt daarmee door de NFI-deskundige geen oordeel gegeven over de waarschijnlijkheid van de hypothesen zelf; er wordt enkel uitspraak gedaan over de waarschijnlijkheid van de verkregen onderzoeksresultaten indien de voorgelegde hypothesen waar zijn. Een oordeel omtrent de waarschijnlijkheid van de hypothesen blijft aan het hof voorbehouden.

Het hof is, gelet op bovengenoemde overwegingen ziende op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde partij] en het overige steunbewijs, van oordeel dat van de waarschijnlijkheid van hypothese 1 dient te worden uitgegaan. Ter zake van hypothese 1 is vervolgens door het NFI geconcludeerd dat:

  1. De kans zeer klein is dat celmateriaal van verdachte tijdens het douchen met een spons wordt overgebracht en tijdens het afspoelen en afdrogen blijft zitten;

  2. De kans klein is om op het kruis van de onderbroek DNA aan te treffen van de persoon die de onderbroek heeft gewassen, opgevouwen en/of opgebrorgen;

  3. De kans klein is dat bij alleen verblijven in elkaars nabijheid DNA wordt aangetroffen, en

    iv. De kans zeer klein is dat na het douchen nog een DNA-profiel van verdachte wordt aangetroffen op het lichaam van het slachtoffer of aan de binnenzijde van de onderbroek.

Gelet op het voorgaande acht het hof de door de verdediging geschetste scenario’s niet aannemelijk geworden. Het voorgaande betekent dat het hof uitgaat van de verklaringen van [benadeelde partij] en dat het hof van oordeel is dat de seksuele handelingen zoals tenlastegelegd daadwerkelijk door de verdachte zijn begaan.

Door andere feitelijkheden dwingen

Om tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, verkrachting, te komen, moet worden vastgesteld dat de verdachte door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Het hof is op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat geen sprake is geweest van geweld of bedreiging met geweld. De vraag resteert dan of sprake is geweest van ‘andere feitelijkheden’ waardoor de verdachte het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van de tenlastegelegde seksuele handelingen.

Anders dan het standpunt van de raadsman, acht het hof de tenlastegelegde dwang wel bewezen. Er is weliswaar geen sprake van geweld, maar uit het dossier blijkt wel van andere feitelijkheden die ertoe hebben geleid dat [benadeelde partij] niet in staat was zich te weren tegen het handelen van de verdachte. [benadeelde partij] was de dochter van verdachte en bevond zich in die hoedanigheid al in een zekere afhankelijkheidsverhouding ten opzichte van hem, als kind ten opzichte van haar vader en (mede-)opvoeder waarbij ook loyaliteitskwesties een grote rol spelen. Zij was ten tijde van het delict minderjarig (16 jaar) en daarnaast verstandelijk beperkt. Verdachte (destijds 61 jaar) wist, zoals hij bij de politie heeft verklaard, dat [benadeelde partij] ‘beperkt’ was. Ook was hij ervan op de hoogte dat [benadeelde partij] therapie volgde vanwege hechtingsproblematiek. De kwetsbaarheid van [benadeelde partij] kwam, blijkens de verklaring van [benadeelde partij] , duidelijk naar voren ten tijde van de tenlastegelegde handelingen. [benadeelde partij] heeft immers verklaard dat het haar zwart voor de ogen werd, dat zij niet goed wist wat zij moest doen en dat zij het heel moeilijk vond om ‘stop’ tegen haar vader te zeggen. De door verdachte gebruikte woorden, vlak na de tenlastegelegde handelingen, te weten dat ‘als je het vertelt dan ga ik weg uit [plaats] , dan zie je me nooit meer’, duiden er naar het oordeel van het hof op dat door verdachte op de kwetsbaarheid van [benadeelde partij] werd ingespeeld. Verder neemt het hof in ogenschouw dat [benadeelde partij] zich de desbetreffende avond bij verdachte thuis bevond en bij hem zou logeren. Zij stond derhalve onder zijn toezicht en verantwoordelijkheid. Ook omdat [benadeelde partij] van verdachte, dan wel van anderen, afhankelijk was voor vervoer, kon zij zich niet makkelijk aan de situatie onttrekken. Uit dit alles blijkt naar het oordeel van het hof dat sprake was van een uit omstandigheden voortvloeiend overwicht, dat dwang impliceert.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op 22 april 2016 te [plaats] , door andere feitelijkheden [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , immers heeft hij, verdachte,

- de borsten van die [benadeelde partij] aangeraakt en gemasseerd en

- ( plotseling) een trillend voorwerp in de vagina van die [benadeelde partij] gebracht, en

- ( plotseling) zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij] gebracht en

- ( plotseling) zijn, verdachtes, tong in de vagina van die [benadeelde partij] gebracht en

- ( plotseling) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde partij] gebracht en (daarbij) op en neer gaande bewegingen gemaakt,

en bestaande die andere feitelijkheden hierin dat verdachte

- die [benadeelde partij] bij zich op de slaapkamer heeft ontboden en

- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat ze haar kleding uit moest trekken en

- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat ze op haar rug moest gaan liggen en

- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat ze haar benen wijd moest doen en

- misbruik/gebruik heeft gemaakt van het fysieke en geestelijke overwicht dat hij, verdachte (als vader en als volwassene), had over die [benadeelde partij] wetende dat die [benadeelde partij] verstandelijk beperkt is,

en aldus voor die [benadeelde partij] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

verkrachting, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van zijn minderjarige, verstandelijk beperkte dochter. Het misbruik vond plaats in de woning van verdachte. Verdachte zat met zijn handen aan de borsten van zijn dochter, heeft haar gevingerd en heeft haar zowel met een trillend voorwerp als met zijn penis gepenetreerd.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij aldus in ernstige mate inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van een minderjarig kind, met een verstandelijke beperking, dat werd toevertrouwd aan zijn zorg. Verdachte heeft zich niet gedragen als van een vader jegens zijn dochter mag worden verwacht. Hij heeft daarentegen op vergaande wijze misbruik gemaakt van zijn rol als vader en van het vertrouwen dat zijn dochter in hem mocht stellen en van het overwicht dat hij in die rol op haar had. Verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de kwetsbaarheid van zijn dochter noch heeft hij zich er rekenschap van gegeven dat grensoverschrijdend seksueel gedrag jarenlang psychische sporen kan achterlaten; iets wat, blijkens de zich in het strafdossier bevindende stukken, bij zijn dochter het geval is en waarvoor zij tot op de dag van vandaag nog therapie volgt.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 maart 2021. Daaruit blijkt dat er weliswaar sprake is van eerdere onherroepelijke veroordelingen voor strafbare feiten van diverse aard, maar niet voor zedendelicten.

Het hof heeft met betrekking tot de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk overleg van Voorzitters van Strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (hierna: LOVS). Dat zou in het onderhavige geval leiden tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. In strafverzwarende zin houdt het hof rekening met de leeftijd van het slachtoffer, de bijzondere kwetsbaarheid, de relatiesfeer (vader-dochter verhouding) en de bijzondere schadelijke gevolgen voor het slachtoffer. Dit maakt dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden in beeld komt.

Het hof stelt vast dat bij de strafvervolging van verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en bescherming van de fundamentele vrijheden, in eerste aanleg is geschonden. Verdachte is op 21 juni 2016 in verzekering gesteld en verhoord. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 24 juli 2019. In eerste aanleg is de redelijke termijn overschreden met ongeveer 13 maanden. In hoger beroep is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De procedure in eerste aanleg en hoger beroep heeft in totaal ongeveer 57 maanden geduurd. Het hof zal vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en de totale duur van de procedure de op te leggen straf verminderen met vier maanden.

Het hof is, alles afwegend, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 242 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 april 2016.

Aldus gewezen door

mr. M.B. de Wit, voorzitter,

mr. M. Aksu en mr. F. van der Maden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,

en op 26 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 4 april 2017, genummerd 2016123690, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 401. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 198.

3 Pagina 201.

4 Pagina 203.

5 Pagina 204.

6 Pagina 220.

7 Pagina 222.

8 Pagina 224.

9 Pagina 51.

10 Pagina 54.

11 Pagina 56.

12 Pagina 357 en 358.

13 Pagina 186.

14 Zie ‘Onderzoeksrapportage behorende bij de onderzoeksset zedendelicen’, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] en dr. I. Hoornstra.

15 Zie ‘Model deskundigenbericht1’ van dr. I. Hoornstra, met als bijlage antwoorden op de vragen van de rechter-commissaris 23 augustus 2018.

16 Zie ‘Onderzoeksrapportage behorende bij de onderzoeksset zedendelicten’, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] en dr. I. Hoornstra.

17 Pagina 347.

18 Pagina 344 en 345.

19 Pagina 348, 349 en 350.

20 Zie ‘Rapport vergelijkend DNA-onderzoek naar aanleiding van een aangifte van een zedenmisdrijf gepleegd in [plaats] op 22 april 2016’ van het NFI gedateerd 17 juni 2019, pagina 1 tot en met 3.

21 Zie ‘Rapport criminalistische evaluatie van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van de aangifte van een zedenmisdrijf gepleegd in [plaats] op 22 april 2016’, pagina 6 en 7.

22 Pagina 204.

23 Pagina 204.

24 Pagina 223

25 Pagina 178 en 179.

26 Pagina 231.

27 Pagina 189

28 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2021