Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3979

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.276.275
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht. Telefonisch horen. De officier van justitie kan ondanks een verzoek om telefonisch te horen een fysieke hoorzitting houden. Horen in het openbaar is het wettelijk uitgangspunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.276.275/01

CJIB-nummer

: 225180355

Uitspraak d.d.

: 22 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 30 januari 2020, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 8 april 2021. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie de gemachtigde niet voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. De kantonrechter heeft niet onderkend dat er reeds in het beroepschrift was verzocht om een telefonisch hoorzitting en dat aan dat uitdrukkelijke verzoek geen gehoor is gegeven.

2. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft namens de betrokkene administratief beroep ingesteld en hierbij verzocht om de gelegenheid om het administratief beroep telefonisch toe te lichten. In de brief van de 26 juni 2019 nodigt de officier van justitie de gemachtigde uit voor een fysieke hoorzitting op 30 juli 2019. Verder is aangegeven dat mocht de gemachtigde er de voorkeur aan geven om telefonisch gehoord te worden in plaats van in persoon, dat hij dit via het antwoordformulier aan de officier van justitie kenbaar dient te maken. De gemachtigde dient dan een telefoonnummer waarop hij bereikbaar is op het antwoordformulier te vermelden. Op het bijgevoegde antwoordformulier kan worden gekozen voor een telefonische hoorzitting op

30 juli 2019 om 13.00 uur of het afzien van een hoorzitting. In de beslissing van de officier van justitie is overwogen dat de officier van justitie geen reactie op deze brief heeft ontvangen en dat de gemachtigde niet aanwezig was op de hoorzitting van 30 juli 2019. Omdat de gemachtigde geen gebruik heeft gemaakt van de aangeboden data, is er een beslissing genomen op basis van de stukken.

3. Op grond van het bepaalde in artikel 7:19, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het uitgangspunt dat het horen in het openbaar geschiedt. Gegeven dit uitgangspunt bestaat er geen recht om telefonisch te worden gehoord. Het bestuursorgaan kan – ondanks het verzoek om telefonisch te worden gehoord – bepalen dat het horen in het openbaar geschiedt. Indien de gemachtigde telefonisch wenste te worden gehoord diende hij het antwoordformulier retour te zenden en hierbij een telefoonnummer te vermelden waarop hij bereikbaar was. Dit heeft de gemachtigde niet gedaan. De officier van justitie was daarom niet gehouden de gemachtigde telefonisch te horen. De gemachtigde is uitgenodigd voor een fysieke hoorzitting op 30 juli 2019 en niet verschenen op deze hoorzitting. Daarmee is de gemachtigde naar het oordeel van het hof voldoende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 153,- voor: “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom, met 17 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 april 2019 om 19:49 uur op de N582, Kerkweg, ter hoogte van perceel 71 in Puth met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

5. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat bij de kantonrechter is benadrukt dat de gedraging plaatsvond op de N582 te Puth. Deze weg ligt zowel binnen alsook voor een belangrijk deel buiten de bebouwde kom. De betrokkene stelt dat hij die avond geen behoorlijke H1 bebording heeft waargenomen waaruit hij kon opmaken dat hij de bebouwde kom was binnengereden. Gelet op de omstandigheid dat de weg zowel binnen alsook buiten de bebouwde kom is gelegen, is het doorslaggevend of deze bebording duidelijk zichtbaar aanwezig was. Een schouwrapport of nader proces-verbaal waaruit het een en ander zou kunnen blijken is niet toegezonden en aan het dossier toegevoegd. Bovendien wordt bij het binnenrijden van Puth nergens de maximumsnelheid (opnieuw) aangegeven. Niet onder de H1 borden en evenmin op de weg zelf. Ook op de Kerkweg en Holleweg richting Puth wordt de maximumsnelheid nergens behoorlijk aangegeven en/of afdoende herhaald. De gemachtigde verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 12 februari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:984). Naar aanleiding van het verweerschrift voert de gemachtigde aan dat het schouwrapport nietszeggend is omdat het van vier jaar voor de verweten gedraging is. Het overzicht ‘schouwing flitspalen’ ziet weliswaar op een schouw van de flitspaal, maar zegt helemaal niets over de toestand van de H1 handhavingsborden. Deze informatie ontbreekt in het overzicht. Daarom kan niet worden gezegd dat de bebording daadwerkelijk is geschouwd en in orde was. Bovendien ontbreekt de schouw voor april 2019, de maand waarin de gedraging is verricht. Uit het zeer summiere overzicht blijkt ook niet dat zich tussentijds geen bijzonderheden hebben voorgedaan, zodat niet zonder meer kan worden verondersteld dat de toestand van de handhavingsborden ongewijzigd was in april 2019.

6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 70 km/h.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 67 km/h.

Toegestane snelheid: 50 km/h.

Overschrijding met: 17 km/h.”

De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal.

Rijrichting van: zuid.

Rijrichting naar: noord.

De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom.”

8. De advocaat-generaal heeft een proces-verbaal van schouw digitale flitspaal van 9 februari 2015 en een overzicht ‘schouwing flitspalen’ overgelegd. Dit overzicht houdt een lijst in van een achttal data in 2019, tijdstippen en verbalisantnummers. In een kolom met de titel ‘schouw ok’, staat achter elke datum, waaronder 24 maart 2019 en 4 mei 2019, ‘ja’ vermeld.

9. De betrokkene wordt verweten te hebben gehandeld in strijd met artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 dat bepaalt dat binnen de bebouwde kom voor motorvoertuigen de maximumsnelheid 50 km/h bedraagt. Door middel van een bord H1 van bijlage I van het RVV 1990 wordt het begin van de bebouwde kom aangegeven.

10. Voor zover de gemachtigde aanvoert dat uit het dossier niet blijkt of de gedraging op de N582 in Puth binnen of buiten de bebouwde kom heeft plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat uit het zaakoverzicht volgt dat de gedraging heeft plaatsgevonden binnen de bebouwde kom en dat er geen aanleiding is hieraan te twijfelen.

11. Anders dan in de situatie in het arrest waar de gemachtigde naar verwijst, is gesteld noch gebleken dat in de onderhavige zaak voor het begin van de bebouwde kom sprake was van een zone met een bepaalde maximumsnelheid, zodat de maximumsnelheid niet met borden A1 behoefde te worden aangegeven.

12. Het hof ziet geen reden eraan te twijfelen dat door middel van een bord H1 het begin van de bebouwde kom was aangegeven. Het hof acht het op basis van het overzicht ‘schouwing flitspalen’ aannemelijk dat de ambtenaren waarvan het verbalisantnummer is vermeld op de data in dit overzicht een schouw hebben uitgevoerd, waarbij de bebording telkens in goede orde is aangetroffen. Aanwijzingen dat dit op de datum van constatering van de gedraging anders zou zijn geweest, zijn er niet, zodat ervan kan worden uitgegaan dat dit bord ook ten tijde van het constateren van de gedraging aanwezig is geweest. Dat er in april 2019 niet is geschouwd, doet hier niet aan af. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht. Dat de betrokkene het bord wellicht heeft gemist, betreft een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene komen.

13. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

14. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.