Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:397

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
19/01436 en 19/01440
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:4451, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, maar heeft nagelaten de hoogte van de naheffingsaanslag vast te stellen. Omvang schade. Bewijslast. Waardevermindering door schadeverleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-02-2021
V-N Vandaag 2021/253
FutD 2021-0432
NTFR 2021/548
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers: 19/01436 en 19/01440

uitspraakdatum: 19 januari 2021

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende),

en het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Emmen (hierna: de Inspecteur),

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 3 oktober 2019, nummer AWB 18/6138, ECLI:NL:RBGEL:2019:4451, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.687 (hierna: de naheffingsaanslag). Tevens is aan belanghebbende bij beschikking € 47 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking belastingrente).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente. De Inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

Zowel belanghebbende als de Inspecteur hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank en een verweerschrift ingediend naar aanleiding van het hoger beroep van de wederpartij.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar de Inspecteur.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2020 via een videoverbinding.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 11 juli 2017 in Duitsland een Opel Mokka met VIN eindigend op [000] gekocht (hierna: de auto). De datum eerste toelating van de auto is 12 september 2016.

2.2.

Belanghebbende heeft op 30 augustus 2017 aangifte BPM gedaan (hierna: aangifte). Bij het doen van aangifte heeft belanghebbende gebruik gemaakt van een taxatierapport met dagtekening 2 augustus 2017 (hierna: het taxatierapport van belanghebbende). De taxateur heeft de auto getaxeerd op 31 juli 2017. De getaxeerde handelsinkoopwaarde bedraagt € 3.787. Deze handelsinkoopwaarde is gebaseerd op een koerslijstwaarde van € 19.462 (Eurotaxglass’s) en een schadebedrag en waardevermindering als gevolg van schade van € 15.675. Het op aangifte verschuldigde BPM-bedrag bedraagt € 858. Belanghebbende heeft dit bedrag voldaan.

2.3.

Belanghebbende heeft de auto op 6 september 2017 bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) getoond voor het uitvoeren van een hertaxatie.

2.4.

DRZ heeft de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 16.681, met dien verstande dat DRZ is uitgegaan van een koerslijstwaarde (Eurotaxglass’s) van € 21.168, een schadebedrag van € 5.963 en waardevermindering als gevolg van schade van € 4.487.

2.5.

Voor zover relevant luidt het door DRZ opgestelde taxatierapport als volgt (hierna: het taxatierapport van DRZ):

“(…) Het door DRZ vastgestelde schadebedrag is lager dan door de aangever is

ingediend. Dit is toe te schrijven aan de gewijzigde staat waarin het voertuig aan

ons getoond is. Aan het voertuig is reeds (uitgebreid) gerepareerd en daardoor

hebben wij slechts delen van het opgegeven werk kunnen vaststellen.

De calculatie zoals deze door DRZ is opgemaakt, maakt dus enkel melding van

materialen en werkzaamheden die noodzakelijk zijn om de werkzaamheden aan dit

voertuig af te ronden.

Geconstateerde afwijkingen t.o.v. de calculatie uit de aangifte:

Afwijkingen in Onderdelen:

Motorkap t/m scharnier R motorkap, geen schade/reeds vernieuwd (1,4,13)

Koplamp R t/m spoorstangeind L, geen schade/reeds vernieuwd (10 = >33)

Radiateur t/m band AR geen schade/reeds vernieuwd (10=>33)

Afwijkingen in Arbeidsloon die handmatig zijn ingevoerd:

Front richten t/m schutbord herstellen, geen schade/reeds hersteld (10)

Afwijkingen in Spuitwerkzaamheden:

Motorkap, geen schade/reeds vernieuwd/gespoten (18)

Spatscherm VL, geen schade/reeds vernieuwd/gespoten (20)

- Traverse BO M, geen schade/reeds vernieuwd/gespoten (10)

- Versteviging wielkuip VL, geen schade/reeds hersteld/gespoten (10)

Spatscherm VR, geen schade/reeds hersteld/gespoten (17)

Wielkuip VL, geen schade/reeds hersteld/gespoten (10)

Portier VL tot ruit, geen schade/reeds uitgespoten (26) (…)”

2.6.

De tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017.

2.7.

De naheffingsaanslag is gebaseerd op een historische nieuwprijs van € 35.320, bruto BPM-bedrag van € 7.844 en de door DRZ getaxeerde handelsinkoopwaarde van € 16.681.

2.8.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en verder beslist dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot één berekend op basis van een handelsinkoopwaarde van € 28.093 en dat de beschikking belastingrente dienovereenkomstig moet worden verminderd. De handelsinkoopwaarde van € 28.093 is berekend door de historische nieuwprijs van € 36.056 te verminderen met € 5.963 (waardevermindering als gevolg van niet-herstelde schade) en € 2.000 (waardevermindering als gevolg van een schadeverleden).

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Rechtbank de naheffingsaanslag op een juist bedrag heeft vastgesteld.

Het geschil spitst zich toe op de berekening van de door de Rechtbank gestelde vermindering van de naheffingsaanslag, het schadebedrag en de waardevermindering als gevolg van het schadeverleden.

3.2.

In hoger beroep is niet in geschil dat de historische nieuwprijs € 36.056 bedraagt en de koerslijstwaarde € 21.168, dat de koerslijstwaarde verminderd dient te worden met 15% wegens de dealer- en marktsituatie en dat de waardevermindering als gevolg van schade gelijk is aan het schadebedrag.

3.3.

Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente. De Inspecteur concludeert tot vermindering van de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente.

4 Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende betoogt dat de Rechtbank heeft nagelaten om de hoogte van de naheffingsaanslag vast te stellen en bij berekening van de handelsinkoopwaarde ten onrechte is uitgegaan van de nieuwprijs van de auto in plaats van de koerslijstwaarde.

4.2.

De stelling dat de Rechtbank heeft nagelaten om de hoogte van de naheffingsaanslag vast te stellen slaagt. Door de naheffingsaanslag te verminderen tot één op basis van een handelsinkoopwaarde van € 28.093 heeft de Rechtbank verzuimd de hoogte van de naheffingsaanslag (nader) vast te stellen. Zoals belanghebbende terecht aanvoert is de handelsinkoopwaarde één van de parameters waarmee het bedrag van de verschuldigde BPM, en daarmee de hoogte van de naheffingsaanslag, kan worden vastgesteld. Zoals belanghebbende terecht aanvoert is de verschuldigde BPM afhankelijk van vele andere parameters, zoals de nieuwprijs, de bruto BPM, de datum eerste toelating, de datum afgifte deel II, enzovoorts. Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep slaagt reeds om deze reden.

4.3.

Belanghebbende betoogt voorts dat de Rechtbank, ten onrechte, uitsluitend rekening heeft gehouden met de op het moment van het uitvoeren van de hertaxatie door DRZ (6 september 2017) aanwezige schade. Niet in geschil is dat de waarde van deze niet-herstelde schade en de waardevermindering als gevolg van deze schade € 5.963 bedraagt. Volgens belanghebbende had de Rechtbank ook voor het geconstateerde deelherstel waardevermindering wegens schade dienen te verlenen. Belanghebbende voert hiertoe aan dat niet gebleken is dat dit deelherstel voorafgaande aan het indienen van de aangifte heeft plaatsgevonden.

4.4.

De BPM is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto in het kentekenregister. Voor gebruikte personenauto’s betekent dit dat de vermindering als bedoeld in artikel 10 Wet BPM moet worden bepaald naar dat moment.1

4.5.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de Belastingdienst in de praktijk bij berekening van de waardevermindering als bedoeld in artikel 10, lid 1, Wet BPM 1992 uitgaat van de waarde op het moment van het doen van aangifte. Het Hof verstaat dit aldus dat de waardevermindering wordt bepaald naar de staat van het voertuig op het moment van het doen van aangifte. Hier is kennelijk sprake van beleid dat afwijkt van de wettelijke regeling en ook afwijkt van dat wat is bepaald in onderdeel 6.2 van het Kaderbesluit BPM. Een belastingplichtige kan op dit beleid een beroep doen, indien dit leidt tot een voor hem gunstigere uitkomst.

4.6.

Belanghebbende mag daarom op grond van dit beleid uitgaan van de waarde van de personenauto op het tijdstip van het doen van aangifte, ook al zou als gevolg van herstel van schade na die datum de waarde van de personenauto op het moment van registratie hoger zijn. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie.

4.7.

Uitgaande van deze in de praktijk toegepaste handelwijze wordt – behoudens waardevermindering wegens een schadeverleden – waardevermindering verleend voor schade die op het moment van het doen van aangifte nog niet hersteld is. Op basis van de gedingstukken kan niet vastgesteld worden of het door DRZ geconstateerde deelherstel vóór het doen van aangifte dan wel in de periode tussen het doen van aangifte (30 augustus 2017) en het tonen van de auto bij DRZ (6 september 2017) heeft plaatsgevonden. Het Hof legt de bewijslast met betrekking tot het moment waarop deelherstel heeft plaatsgevonden op belanghebbende.2

4.8.

Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te maken dat het deelherstel na het doen van aangifte heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft, gelet op het ontbreken van reparatiefacturen, verwezen naar het door haar overgelegde taxatierapport. Verwijzing naar dit taxatierapport treft echter geen doel, aangezien de in dit rapport opgenomen bevindingen en beeldmateriaal gebaseerd zijn op de staat waarin de auto zich op 31 juli 2017 (geruime tijd voor het indienen van de aangifte) bevond. Het rapport kan niet dienen om de staat van de auto op 30 augustus 2017 aannemelijk te maken. Hier doet niet aan af dat, in beginsel, gebruik gemaakt kan worden van een taxatierapport dat ten hoogste één maand oud is.3 Het Hof concludeert dat ter zake van de op het tijdstip van de aangifte aanwezige schade, overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur, een bedrag van € 5.963 in mindering op de handelsinkoopwaarde van de auto gebracht dient te worden.

4.9.

De Inspecteur verzet zich verder in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de door de Rechtbank gehanteerde waardevermindering van € 2.000 in verband met een schadeverleden.

4.10.

Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank dat er sprake is van waardevermindering door een schadeverleden. Bovendien onderschrijft het Hof de beslissing van de Rechtbank om deze waardevermindering, in goede justitie, vast te stellen op € 2.000. Het Hof maakt de hierna opgenomen overwegingen van de Rechtbank tot de zijne:

“(…) 12. De rechtbank volgt, onder omstandigheden, eiseres in haar standpunt dat het schadeverleden van een auto een waardevermindering van de auto kan rechtvaardigen. Haar taxateur heet dit standpunt onderschreven. Een voertuig met een schadeverleden is, ook na herstel, minder waard dan een voertuig zonder schadeverleden. Een schadeverleden moet bij verkoop worden gemeld en is daarmee een omstandigheid welke de keuze van de consument kan beïnvloeden. Bij de vaststelling van een waardevermindering door een schadeverleden dient de normale gebruiksschade in verband met leeftijd en kilometerstand buiten beschouwing te worden gelaten.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn opmerking dat een eventueel schadeverleden al is meegenomen in de koerslijst en het taxatierapport en dat een extra aftrek hiervoor zou betekenen dat de schade twee keer zou worden meegenomen. Een in een koerslijst genoemde waarde is het resultaat van waarderingen van vele, met elkaar vergelijkbare auto’s van hetzelfde merk en type, waarvan sommige auto’s een schadeverleden zullen hebben, en andere niet. Een eventueel schadeverleden komt daarom niet volledig tot uiting in een koerslijst. Een extra aftrek in verband hiermee is daarom gerechtvaardigd.

13. Eiseres heeft in verband met het schadeverleden een aftrek van € 5.000 geclaimd.

14. De rechtbank ziet aanleiding om voor de auto een aftrek wegens een schadeverleden toe te passen. Gelet op de waarde van de auto, het schadebedrag van € 5.963 en de omstandigheden dat het schadeverleden deels in de koerslijst is verwerkt, heeft de rechtbank de aanvullende aftrek wegens een schadeverleden in goede justitie vastgesteld op € 2.000. (…)”

4.11.

Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat de auto fors beschadigd was, doch gedeeltelijk is hersteld voorafgaande aan het uitvoeren van de hertaxatie. Het Hof wijst op de bij het taxatierapport van belanghebbende gevoegde foto’s en schadecalculatie en het taxatierapport van DRZ waarin melding wordt gemaakt van reeds uitgevoerd deelherstel. Irrelevant is wanneer deelherstel heeft plaatsgevonden. Met name in de onderhavige situatie, waarin sprake is van een auto van amper een jaar oud, zal een koper voor een dergelijke auto met schadeverleden minder willen betalen dan voor dezelfde auto zonder schadeverleden.

4.12.

Ook indien het, zoals de Inspecteur ter zitting onbestreden heeft gesteld, gebruikelijk zou zijn dat autoverkopers potentiële kopers niet actief informeren over een eventueel aanwezig schadeverleden, leidt dit niet tot een ander oordeel. De Inspecteur heeft weliswaar enerzijds gesteld dat het gebruikelijk zou zijn dat autoverkopers potentiële kopers niet actief informeren over een aanwezig schadeverleden met als gevolg dat het schadeverleden niet leidt tot een lagere koopprijs. Anderzijds heeft hij echter ter zitting erkend dat in dit geval een zekere waardevermindering wel aannemelijk is. Gelet hierop gaat het Hof aan voormelde stelling van de Inspecteur voorbij.

4.13.

Uitgaande van een handelsinkoopwaarde vóór aftrek van schade van € 17.9924, een waardevermindering in verband met schade van € 5.9635 en een waardevermindering in verband met een schadeverleden van € 2.0006, bedraagt de handelsinkoopwaarde na aftrek van schade € 10.029. De historische nieuwprijs is € 36.056.7

4.14.

De afschrijving bedraagt 72,18%.8 Het door belanghebbende verschuldigde BPM-bedrag bedraagt (27,82% van het historische bruto BPM bedrag van € 7.8449=) € 2.182.

4.15.

Rekening houdende met het door belanghebbende op eigen aangifte verschuldigde bedrag van € 858 vermindert het Hof de naheffingsaanslag tot € 1.324.

Griffierecht en proceskosten

4.16.

Het Hof is van oordeel dat aanleiding bestaat om het griffierecht aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.

4.17.

Het Hof veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond.

4.18.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming op 3 (punten)10 x € 534 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.602.

4.19.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond;

  • -

    verklaart het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, met uitzondering van de beslissing over het griffierecht en de proceskosten;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.324;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente evenredig;

  • -

    bepaalt dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof van € 519 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof van € 1.602.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. drs. P. Fortuin en M.M. de Werd, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. van Rooij-Beckers als griffier.

De uitspraak is, wegens verhindering van de voorzitter, uitsluitend ondertekend door de griffier.

De beslissing is op 19 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

Mr. J.M.A. van Rooij-Beckers

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 januari 2021

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Vgl. Hoge Raad 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695.

2 Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 22 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:743.

3 Artikel 10, lid 8, Wet BPM 1992 juncto artikel 8, lid 4, onderdeel b, Uitvoeringsregeling BPM 1992 (hierna: UR BPM 1992).

4 € 21.168 – 15% (zie onder 3.2).

5 Zie onder 4.3.

6 Zie onder 4.9. tot en met 4.12.

7 Zie onder 3.2.

8 (€ 36.056 - € 10.029)/€ 36.056

9 Zie onder 2.7.

10 1 punt voor hoger beroepschrift, 1 punt voor verweerschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting.