Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3959

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
200.284.900
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof bekrachtigt beschikking rechtbank, waarbij verzoek van de moeder om hoofdverblijfplaats kind en zorgregeling werden afgewezen. Moeder wil de zorg voor kind met de vader delen volgens co-ouderschap, maar stelt vervolgens daaraan in verband met beperkte financiën en tijd niet te kunnen voldoen.

Hof heeft voorts moeder in haar verzoek om vader te veroordelen tot betaling van een geldbedrag niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2021/43.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.284.900

(zaaknummer rechtbank Gelderland 367897)

beschikking van 22 april 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.J.R.M. Boersma te Wadenoijen, gemeente Tiel,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.J.S. Linssen te Waardenburg, gemeente West Betuwe.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 21 juli 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 oktober 2020;

- het verweerschrift, met een productie;

- een journaalbericht van mr. Linssen van 2 februari 2020 met een productie.

2.2

De hierna te noemen [de minderjarige2] is, blijkens de schriftelijke verklaring van de vader, niet in staat om haar mening te geven over het verzoek.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 25 maart 2021 plaatsgevonden.

Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [C] verschenen.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van de partijen is ontbonden door echtscheiding.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2003 te [D] , en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2006 te [D] .

Over [de minderjarige2] oefenen partijen gezamenlijk het gezag uit.

3.3

In het door de ouders opgemaakte ouderschapsplan, dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 9 maart 2017, zijn de ouders (voor zover hier van belang) overeengekomen dat [de minderjarige1] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben en [de minderjarige2] bij de vader en dat de door de ouders te ontvangen kinderbijslag zal worden overgemaakt naar de kinderrekening. Voorts zijn de ouders destijds een co-ouderschapsregeling overeengekomen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] , de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de verdeling van de ontvangen kinderbijslag en van de te ontvangen tegemoetkoming ouders van een gehandicapt kind (TOG-uitkering).

4.2

Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 9 maart 2017 en het daaraan gehechte en daarvan deel uitmakende ouderschapsplan gewijzigd in die zin dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] wordt vastgesteld bij de vader.

De rechtbank heeft voorts de andere verzoeken van de moeder afgewezen. De moeder had verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij de moeder zal zijn en om de vader te veroordelen om aan haar € 4.548,90 te betalen, wegens het verschil in ontvangen kinderbijslag en tegemoetkoming ouders van een gehandicapt kind tot en met 31 december 2019, te verhogen met het verschil op grond van dezelfde regelingen na 1 januari 2020.

4.3

Bij beschikking van 22 januari 2021 heeft de rechtbank de moeder in haar (gewijzigde) verzoek om te bepalen dat [de minderjarige2] in de even weken op woensdag en donderdag bij haar verblijft, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft voorts het verzoek van de vader om de te betalen kinderalimentatie, alsmede de maandelijkse bijdrage van € 8,- naar de kindrekening op nihil te stellen, afgewezen.

4.4

De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en haar oorspronkelijke verzoek alsnog toe te wijzen met dien verstande dat partijen de zorg over [de minderjarige2] zullen verdelen zoals vastgelegd in het ouderschapsplan dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking, kosten rechtens.

4.5

De vader heeft verweer gevoerd. Hij verzoekt (het hof begrijpt:) het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

5.2

De moeder stelt dat de kinderen aanvankelijk op basis van de co-ouderschapsregeling de helft van de tijd bij de ene en de helft van de tijd bij de andere ouder doorbrachten.

Nu beide kinderen op basis van de bestreden beschikking hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben, heeft zij de co-ouderschapsregeling met [de minderjarige2] moeten beëindigen. Aan het verblijf van [de minderjarige2] bij haar zijn kosten verbonden, die zij uit haar Participatiewet-uitkering niet kan betalen. Zij ontvangt nu immers niet meer de kinderbijslag en de Tegemoetkoming Ouders Gehandicapte kind (TOG-uitkering). Zij en [de minderjarige2] hebben nu geen contact meer. Op grond van het EVRM (family-life) zou de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij haar moeten zijn.

Volgens de moeder is voorts het ouderschapsplan niet correct nagekomen en is de vader ongerechtvaardigd verrijkt (Kinderbijslag en TOG-uitkering), op grond waarvan hij aan haar zou moeten betalen: € 4.548,90.

5.3

De vader voert aan dat de moeder enkel op financiële gronden een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] wenst. Dit mag volgens hem geen reden zijn voor wijziging. Er is in het belang van [de minderjarige2] geen reden om de hoofdverblijfplaats te wijzigen. Tot juni 2020 hebben partijen de zorg voor [de minderjarige2] samen gedaan. De vader draagt nu de volledige zorg voor [de minderjarige2] . Volgens de vader kan de moeder die zorg niet aan en toont zij ook overigens geen betrokkenheid.

De vader zou meer contact tussen de moeder en [de minderjarige2] , bij voorkeur in de vorm van een weekendregeling, toejuichen. Er is echter van de zijde van de moeder na de bestreden beschikking geen verzoek gekomen om informatie over of om contact met [de minderjarige2] .

De vader stelt daarnaast dat een geschil over de verdeling van de kosten van kinderen (of een vordering daarover) niet in het kader van een 1:253a BW-procedure aan de rechter kan worden voorgelegd. Het verzoek van de moeder tot vaststelling/betaling van de helft van de kinderbijslag met terugwerkende kracht dient dan ook te worden afgewezen.

5.4

De raad heeft ter zitting verklaard dat het in het belang van [de minderjarige2] is dat zij meer omgang met de moeder heeft dan nu het geval is. Daarbij speelt volgens de raad tevens het belang dat het gezin van de vader, dat nu volledig de zorg heeft voor [de minderjarige2] , ontlast kan worden. Nu de moeder blijkbaar onvoldoende mogelijkheden heeft om omgang met [de minderjarige2] te hebben is er volgens de raad geen reden om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij de moeder zal zijn.

5.5

Het hof is van oordeel dat, hoewel er sprake is van gewijzigde omstandigheden, het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij haar te bepalen dient te worden afgewezen. Uit de tijdens de zitting gegeven toelichting is duidelijk geworden dat de moeder alleen een 50/50-verdeling van de zorgtaken wil, zoals in het ouderschapsplan bedoeld, als de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij haar wordt vastgesteld. Alleen op deze manier, zo stelt zij, is zij in staat om de kosten van het verblijf van [de minderjarige2] te dragen. Het hof is van oordeel dat enkel de financiële reden van de moeder onvoldoende is om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] te wijzigen. Daarbij komt dat tijdens de zitting verder is gebleken dat [de minderjarige2] na de zomer van 2020 pas op tweede kerstdag 2020, na aandringen van de vader, weer contact heeft gehad met de moeder. Desgevraagd heeft de moeder verklaard dat zij graag meer contact wil hebben met [de minderjarige2] , maar dat dit contact in verband met haar (toekomstige) werk alleen mogelijk is op woensdag en/of donderdag en dat zij een bijdrage in de kosten van dat contact nodig heeft, nu zij slechts een inkomen op bijstandsniveau heeft. De vader heeft verklaard dat omgang op woensdag of donderdag in verband met de school van [de minderjarige2] niet haalbaar is.

Nu uit het voorgaande volgt dat de moeder op dit moment in feite geen reële mogelijkheid heeft om regelmatig contact met [de minderjarige2] te onderhouden, ziet het hof zeker geen aanleiding om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij de moeder zal zijn, temeer nu aan dat verzoek van de moeder slechts een financiële reden ten grondslag lijkt te liggen.

5.6

De moeder heeft nog een beroep op artikel 6 EVRM gedaan. Het hof is van oordeel dat dit beroep niet kan slagen. De financiële argumenten hoeven immers niet aan (enige) omgang met [de minderjarige2] in de weg te staan, omdat de vader voorstander is van omgang tussen de [de minderjarige2] en de moeder.

5.7

Het hof zal de moeder in haar verzoek om de vader te veroordelen om aan haar een bedrag van € 4.548,90 te betalen niet-ontvankelijk verklaren. Een dergelijk verzoek dient bij dagvaarding te worden ingeleid en kan niet worden beoordeeld in het kader van deze procedure die gaat over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en over de hoofdverblijfplaats.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om de vader te veroordelen tot betaling aan haar van € 4.548,90. Het hof zal de bestreden beschikking voor het overige bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu het om een familierechtelijk geschil gaat.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek om de vader te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 4.548,90.

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 21 juli 2020 voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, M.H.H.A. Moes en R. Feunekes, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 22 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.