Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3952

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
21-004158-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004158-18

Uitspraak d.d.: 22 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 juli 2018 met parketnummer 18-035960-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde en veroordeling ter zake van het subsidiair tenlastegelegde tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw,

mr. J.B. Pieters, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte bij vonnis van 20 juli 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld ter zake van subsidiair tenlastegelegde tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
zij in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 1 januari 2017, te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/perceel aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1500, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 1 januari 2017 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand/perceel aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1500, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 1 januari 2017 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand/perceel voor de teelt/ het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Door de raadsvrouw van verdachte is, op gronden zoals weergegeven in het door haar ter zitting van het gerechtshof overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot veroordeling van verdachte ter zake het subsidiair tenlastegelegde.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair dan wel subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Daartoe overweegt het hof in het bijzonder nog als volgt.

Ten aanzien van verdachte kan aan de hand van het strafdossier worden vastgesteld dat zij samen met medeverdachte [medeverdachte] woonde in het pand aan de [adres] te [plaats] , toen daar op 1 januari 2017 naar aanleiding van een in het pand ontstane brand een hennepkwekerij werd aangetroffen. De hennepkwekerij bevond zich in het achterste deel van het pand, niet zijnde het woon- dan wel bedrijfsgedeelte. Dit gedeelte was, volgens verklaringen van verdachte en de beide medeverdachten, in bruikleen bij de vader van medeverdachte [medeverdachte] . Hoewel er wel aanwijzingen in het dossier zijn te vinden dat verdachte weet had van de hennepkwekerij, worden deze aanwijzingen voor een deel weerlegd door de verklaringen van verdachte. Voor het resterende deel zijn deze aanwijzingen onvoldoende om te komen tot het wettige en overtuigende bewijs van het primair dan wel subsidiair tenlastegelegde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. M.B. de Wit, voorzitter,

mr. J.J. Beswerda en mr. M.C. Fuhler, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,

en op 22 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.