Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3950

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
21-004157-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Verwerping verweren strekkende tot vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004157-18

Uitspraak d.d.: 22 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 juli 2018 met parketnummer 18-035958-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde en veroordeling ter zake van het subsidiair tenlastegelegde tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. A.M. Veld, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte bij vonnis van 20 juli 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld ter zake van subsidiair tenlastegelegde tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 1 januari 2017, te [plaats1] , in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/perceel aan de [adres1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1500, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 1 januari 2017 te [plaats1] , in de gemeente [gemeente] met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand/perceel aan de [adres1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1500, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 1 januari 2017 te [plaats1] , in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand/perceel voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 2 januari 2017, opgenomen op pagina 151 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017001808 d.d. 29 mei 2017, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant1] :

Op 1 januari 2017 heeft er een brand gewoed op perceel [adres1] te [plaats1] . Bij het bestrijden van deze brand werd een hennepkwekerij achterin het pand aangetroffen. Na het binnentreden zag ik het volgende:

Achter de woning en de nagel- en zonnebankstudio is een grote ruimte gelegen welke middels een wand in twee gedeeltes was verdeeld.

In het linker gedeelte, ruimte A, was een kweekruimte ingericht. In het rechter gedeelte, ruimte B, werden diverse goederen aangetroffen ten behoeve van de hennepkwekerij.

In totaal heeft er een geschatte hoeveelheid van circa 1500 hennepplanten in de

kweekruimte gestaan. Deze schatting is gebaseerd op de oppervlakte van de ruimte.

Ik, verbalisant, constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren.

Ik, verbalisant, constateerde, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 januari 2017, opgenomen op pagina 80 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :

Ik ben sinds ergens medio 2014 eigenaar van het pand aan de [adres1] in [plaats1] . Het huis is eigenlijk te groot. Achterin staan allerlei spulletjes van mijn vader. Ik heb er niet eens een sleutel van. Dit heeft mijn vader wel. Ik ben er al anderhalve maand niet geweest zelfs. Mijn vader is [verdachte] , [woonadres] in [woonplaats] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 januari 2017, opgenomen op pagina 85 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :

V: Hoe komt je vader dan aan de sleutel?

A: Ik denk dat ik hem toen ergens een keer aan hem heb gegeven. Ergens in de buurt

van september, oktober (het hof begrijpt: van 2016).

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 januari 2017, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam1] :

V: Waar woon je?

A: [adres1] te [plaats1]

V: Wie gebruikt het achterste gedeelte van het pand waar de hennepkwekerij is

aangetroffen?

A: Niemand voor zover ik weet. Gewoon mijn schoonvader want die had daar de sleutel van.

Ik kom daar niet ik heb er ook geen sleutel van.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 19 januari 2017, opgenomen op pagina 129 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Ik had het achterste gedeelte van het pand in bruikleen.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Door en namens verdachte is vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. Daartoe is door de raadsvrouw – overeenkomstig de inhoud van de door haar ter zitting van het gerechtshof overgelegde pleitnota – aangevoerd – samengevat – dat verdachte de ruimte achterin het pand van zijn zoon (medeverdachte [medeverdachte] ), welke ruimte verdachte in bruikleen had, per 1 december 2016 verhuurde aan een Poolse man. Deze man, een handelaar, wilde spullen in de ruimte opslaan. Verdachte heeft met de man, die verklaarde [naam2] te heten, een huurovereenkomst gesloten. Verdachte heeft ten tijde van het tekenen van de huurovereenkomst een kopie van de identiteitskaart van de man aangepakt en hier vluchtig naar gekeken. Hij vond de kaart er zeer plausibel uitzien en heeft de tekst “specimen” niet gezien. Verdachte is na 1 december 2016 niet meer in de ruimte geweest. Hij had geen weet van de hennepkwekerij.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en acht het primair tenlastegelegde op grond van de inhoud van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Het hof neemt als uitgangspunt dat in beginsel ervan uit mag worden gegaan dat de gebruiker van een ruimte wetenschap heeft van hetgeen zich in die ruimte bevindt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de ruimte waar de hennepkwekerij is aangetroffen in bruikleen had van zijn zoon en dat zijn zoon en diens vriendin niet in deze ruimte kwamen. Verdachte had de sleutel, zijn zoon en diens vriendin beschikten niet over een sleutel. Dat anderen over een sleutel van de desbetreffende ruimte beschikten is gesteld noch gebleken, het dossier biedt daartoe geen aanknopingspunten.

Het hof acht voorts de verklaring van verdachte met betrekking tot de Poolse huurder ongeloofwaardig en onaannemelijk op grond van het volgende. In de schriftelijke huurovereenkomst tussen verdachte en de Poolse man staat alleen het adres van verdachte vermeld en niet ook het adres (of andere contactgegevens) van de Poolse man. Voorts is de huuroverkomst opgesteld in de Nederlandse taal terwijl het volgens verdachte ging om een Poolse man die Duits sprak. Daarnaast wordt in de huurovereenkomst gesproken over het afgeven van de sleutels bij opzegging, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij geen sleutel(s) aan de Poolse man heeft overhandigd. Waarom de huurovereenkomst is ingegaan zonder dat vooraf de verschuldigde huur is betaald, heeft verdachte niet kunnen uitleggen. Voorts staat op het door verdachte aan de politie overhandigde kopie van het Poolse ID-bewijs het woord “specimen” dat erop duidt dat het om een exemplarisch ID-bewijs gaat. Onderzoek door verbalisant [verbalisant1] heeft uitgewezen dat de afbeelding van dit exemplarisch ID-bewijs afkomstig is van een Engelse Wikipedia website, een openbare bron, met informatie over de Poolse identiteitskaart. Op het exemplarische ID-bewijs staat de naam “ [naam2] ” en een foto van een man. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de man die van hem de ruimte heeft gehuurd qua uiterlijk overeenkwam met de man op de foto van het exemplarische ID-bewijs. De kans dat verdachte iemand heeft ontmoet die qua uiterlijk zodanige gelijkenissen vertoont met de man op voornoemde foto dat verdachte heeft gedacht met dezelfde man van doen te hebben, acht het hof zeer klein. Er zijn voorts geen andere aanwijzingen dat een Poolse huurder dan wel anderen de hennepkwekerij zouden hebben ingericht.

Gelet op het hierboven gestelde in onderling verband en samenhang bezien stelt het hof vast dat, gelet op het uitblijven van een aannemelijke verklaring van verdachte, het niet anders kan zijn dan dat verdachte als gebruiker van de ruimte waar de hennepkwekerij is aangetroffen, wetenschap had van de aanwezigheid van de hennepkwekerij, dat de hennep zich in de machtssfeer van de verdachte heeft bevonden en dat verdachte ook opzet heeft gehad op het aanwezig hebben daarvan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij in de periode van 1 november 2016 tot en met 1 januari 2017, te [plaats1] , in de gemeente [gemeente] , opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres1] een hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een – hoewel door de brand niet meer met zekerheid vast te stellen maar vermoedelijk grote – hoeveelheid hennepplanten. Door zijn handelen heeft verdachte meegewerkt aan de bevordering en instandhouding van het illegale circuit van de productie, handel en het gebruik van softdrugs, door welk circuit ook andere vormen van criminaliteit in de hand worden gewerkt. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat met enige regelmaat in hennepkwekerijen van een brandgevaarlijke situatie sprake is, bijvoorbeeld wegens onprofessionele aanleg van elektrische installaties en hoge stroomafnames. In dit geval heeft dit gevaar zich ook daadwerkelijk geopenbaard. Dat er “slechts” sprake was van materiële schade door de brand is niet te danken aan verdachte. Aangezien er ten tijde van het ontstaan van de brand personen in het pand woonden, waaronder verdachtes destijds tweejarige kleindochter, had het heel anders kunnen aflopen. Het hof houdt met deze omstandigheid in strafverzwarende zin rekening.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 8 maart 2021 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Alles afwegend acht het hof een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient verdachte te weerhouden van strafbaar gedrag in de toekomst.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M.B. de Wit, voorzitter,

mr. J.J. Beswerda en mr. M.C. Fuhler, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,

en op 22 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.