Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3948

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
21-002053-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002053-19

Uitspraak d.d.: 22 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 3 april 2019 met parketnummer 18-240864-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

thans uit andere hoofde gedetineerd in PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. U. van Ophoven, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ter zake van het onder 2 tenlastegelegde

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen. Het hof zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft de verdachte bij vonnis van 3 april 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, voor zover thans nog aan de orde veroordeeld ter zake van het ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover thans nog aan de orde - tenlastegelegd dat:

1. primair
hij, op of omstreeks 21 juni 2018, te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 284 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

1. subsidiair

dat een of meer onbekenden op 21 juni 2018 in het pand [adres] te [plaats] opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 284 hennepplanten aanwezig hebben gehad, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende Lijst II,

tot welk feit hij, verdachte, in de periode van 1 maart 2018 tot en met 21 juni 2018 opzettelijk gelegenheid heeft gegeven door het pand [adres] aan die onbekend gebleven personen ter beschikking te stellen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe in het bijzonder dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de 284 hennepplanten die in de door verdachte gehuurde woning zijn aangetroffen, zelf aanwezig heeft gehad. Voorts bevat het strafdossier wel aanwijzingen die erop duiden dat verdachte niet zorgvuldig heeft gehandeld bij het in gebruik geven van de woning, maar deze aanwijzingen zijn onvoldoende om op grond daarvan tot het bewijs van medeplichtigheid ten aanzien van het aanwezig hebben van hennepplanten te komen. Gelet hierop zal het hof verdachte van de algehele tenlastelegging vrijspreken.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. M.C. van Linde, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. M.B. de Wit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,

en op 22 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.