Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3941

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.265.936/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. De ambtenaar heeft verklaard dat een staandehouding wegens de verkeersdrukte niet kon en de verkeerssituatie ter plaatse toegelicht. Het hof acht aannemelijk dat er geen reële mogelijkheid was de bestuurder staande te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.265.936/01

CJIB-nummer

: 220312755

Uitspraak d.d.

: 21 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Noord-Holland van 2 juli 2019, betreffende

[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter heeft miskend dat er in casu geen sprake is van een verklaring van de ambtenaar op ambtseed of ambtsbelofte. Geen bijzondere bewijskracht kan toekomen aan de gegevens in het zaakoverzicht, aangezien het zaakoverzicht niet onder ambtseed is opgesteld. Gezien de structurele ontkenning van de betrokkene bieden de gegevens in het zaakoverzicht onvoldoende grondslag voor het bewijs van de gedraging.

2. Het hof stelt voorop, zoals het reeds vele malen heeft geoordeeld, dat de Wahv niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een ambtenaar ten grondslag ligt. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. De vaststelling dat een gedraging is verricht, kan ook worden gebaseerd op de gegevens in het zaakoverzicht. Die gegevens vormen in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens. De opvatting van de gemachtigde dat de gegevens in het zaakoverzicht onvoldoende grondslag bieden voor de vaststelling van de gedraging gezien de structurele ontkenning van de betrokkene vindt, gelet op het voorgaande, geen steun in het recht. Wanneer de structurele ontkenning niet gepaard gaat met argumenten die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) de gegevens in het zaakoverzicht, vormen deze gegevens een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht.

3. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat tenminste een aanvullend ambtsedig proces-verbaal dient te worden opgevraagd bij de ambtenaar, zodat kan worden geverifieerd door de betrokkene, de officier van justitie en de kantonrechter dat de gedraging niet is verricht en wat de reden is geweest om de bestuurder van het voertuig niet staande te houden. De beginselen van een behoorlijk proces brengen echter mee dat het niet meer opportuun is om de officier van justitie nogmaals in de gelegenheid te stellen om dit proces-verbaal op te vragen, omdat hij dit in administratief beroep had kunnen opvragen.

4. De stelling van de gemachtigde dat in de onderhavige situatie een aanvullend proces-verbaal moet worden opgevraagd teneinde te kunnen verifiëren of de gedraging is verricht en wat de reden is geweest om de bestuurder van het voertuig niet staande te houden, vindt geen steun in het recht.

5. Voorts is volgens de gemachtigde de sanctie in strijd met artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder opgelegd, aangezien uit het zaakoverzicht blijkt dat er voldoende mogelijkheid bestond tot staande houden. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de ambtenaar zich achter het voertuig van de betrokkene bevond. Het is aannemelijk dat de ambtenaar achter het voertuig van de betrokkene is aangereden, maar de bewuste keuze heeft gemaakt om de bestuurder van dat voertuig niet staande te houden. De ambtenaar had voldoende zicht op het voertuig om de gegevens daarvan de noteren. Verkeersdrukte maakt op zichzelf niet dat er geen reële mogelijkheid bestond tot staandehouding. De rijrichting van het voertuig van de betrokkene was voldoende duidelijk. De ambtenaar had de reële mogelijkheid om achter het voertuig van de betrokkene aan te rijden en aan de bestuurder van dat voertuig een stopteken te geven. Uit het zaakoverzicht lijkt te volgen dat de ambtenaar over stopmiddelen beschikte. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat de betrokkene onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van de verklaring. De betrokkene wordt echter geforceerd om bloot te ontkennen als de bestuurder van het voertuig van de betrokkene niet wordt staande gehouden en zich de gedraging niet meer kan herinneren als de inleidende beschikking na een aantal weken wordt ontvangen. De bestuurder van het voertuig van de betrokkene kan geen getuigenverklaring overleggen, aangezien deze zich alleen in het voertuig bevond. In het voertuig was geen dashcam aanwezig. Volgens de gemachtigde bevat het zaakoverzicht te weinig informatie voor de vaststelling dat de gedraging is verricht.

6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden (verkeer in een richting)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 oktober 2018 om 16.15 uur op de Wenckebachstraat in Velsen-Noord met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

7. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Opmerkingen ambtenaar 1: bestuurder reed een file motorvoertuigen aan de linkerzijde voorbij om vlak voor de kruising van de Wenckebachstraat met de N197 naar rechts in te voegen en daarbij een dubbele doorgetrokken streep overschreed.

Reden geen staandehouding: in verband met de drukte van het verkeer geen staandehouding mogelijk.”

9. Hof acht het, anders dan de gemachtigde, op basis van de gegevens in het zaakoverzicht aannemelijk dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig van de betrokkene is geweest. Uit deze gegevens volgt dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene een file aan de linkerzijde inhaalde alsmede vlak voor een kruising een dubbele doorgetrokken streep overschreed en dat de ambtenaar niet tot staandehouding kon overgaan in verband met de verkeersdrukte. Onder deze omstandigheden mag een sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Het hof acht in dit verband van belang dat de ambtenaar niet heeft volstaan met de enkele opmerking dat het ter plaatse druk was, maar in zijn in het zaakoverzicht weergegeven verklaring nadere informatie heeft verstrekt over de omstandigheden ter plaatse op het moment van het constateren van de gedraging. Naar het oordeel van het hof dient de opmerking dat er sprake was van verkeersdrukte te worden bezien in het licht van die omstandigheden (vgl. het arrest van het hof van 13 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:307). Anders dan de gemachtigde is het hof voorts van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de ambtenaar over stopmiddelen beschikte en de bewuste keuze heeft gemaakt om de bestuurder van het voertuig niet staande te houden. Het verweer van de gemachtigde dat ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden, treft derhalve geen doel.

10. Met de kantonrechter stelt het hof vast dat de gemachtigde namens de betrokkene ontkent dat de gedraging is verricht, maar hiervoor geen argumenten geeft. Het hof ziet daarom geen reden om aan de juistheid van de gegevens in het zaakoverzicht te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene zich de gedraging niet meer kan herinneren, zich alleen in het voertuig bevond waardoor hij geen getuigenverklaring over kan leggen en geen dashcam heeft, zijn omstandigheden waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene komen.

11. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336, en 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.