Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:393

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
19/00763
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:1839, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

MRB. Kwarttarief kampeerauto. Voldoet omgebouwde bestelauto aan inrichtingseisen? Beroep op vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/224
Viditax (FutD), 01-02-2021
FutD 2021-0443
NTFR 2021/549
V-N 2021/17.24.18
NLF 2021/0296 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/00763

uitspraakdatum: 19 januari 2021

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 april 2019, nummer AWB 18/6147, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Het verzoek van belanghebbende om toepassing van het tarief kampeerauto (hierna: het kwarttarief) is bij beschikking afgewezen.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 9 december 2020 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door gemachtigde mr.ir. [A] , en namens de Inspecteur mr. [B] en mr. drs. [C] . [D] (hierna: [D] ) is ter zitting als getuige gehoord.

1.6.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De datum eerste inschrijving en eerste toelating van het betrokken motorrijtuig is 30 maart 2011. Het motorrijtuig is van het merk Nissan, type NV200 (hierna: de NV200) en stond in het kentekenregister ingeschreven als ‘bestelauto met inrichting gesloten opbouw’. Het kenteken was [0-YYY-00] .

2.2.

De fabrieksmaten van de laadruimte van de NV200 zijn een lengte, breedte en hoogte van respectievelijk maximaal 204 centimeter (hierna: cm), 150 cm en 136 cm.

2.3.

Belanghebbende heeft de NV200 op 30 december 2017 op eigen naam gesteld. De NV200 is daarna omgebouwd, waarbij een dakconstructie is aangebracht.

2.4.

Vanaf 15 februari 2018 is het genoemde kenteken vervangen door [YY-000-Y] , zijnde volgens het kentekenregister een personenauto met inrichting ‘kampeerwagen’.

2.5.

Belanghebbende heeft met dagtekening 5 juni 2018 voor de NV200 op de voet van artikel 23a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) verzocht om toepassing van het kwarttarief, met ingang van 15 februari 2018 (hierna: het verzoek). Bij het verzoek heeft belanghebbende de fabrieksmaten vermeld.

2.6.

De Belastingdienst heeft medio 2018 van een derde informatie ontvangen dat kampeerwagens van het type NV200 – op basis van de verkleinde binnenruimte – niet voldoen aan de inrichtingseisen van artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit Motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).

2.7.

De Inspecteur heeft het verzoek bij beschikking van 6 augustus 2018 afgewezen omdat de NV200 niet aan de inrichtingseisen van artikel 23a van de Wet en artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit voldoet.

2.8.

Bij een fysieke controle op 12 november 2018 van de NV200 bij belanghebbende thuis heeft [E] (hierna: [E] ), werkzaam bij de Belastingdienst/kantoor Utrecht, vastgesteld dat de binnenruimte een hoogte heeft van 130 cm, over een lengte van 175 cm en een breedte van 90 cm. [E] heeft toen aan belanghebbende meegedeeld dat de NV200 niet voor het kwarttarief in aanmerking kwam.

2.9.

[D] heeft ook een NV200 laten ombouwen. In januari 2019 heeft een medewerker van de Belastingdienst zijn NV200 opgemeten en goedgekeurd voor het kwarttarief.

2.10.

[I] , werkzaam bij de Belastingdienst/kantoor Doetinchem, en [F] , werkzaam bij de Belastingdienst/kantoor Apeldoorn, hebben op 2 juli 2019 een bezoek gebracht aan [G] B.V., een bedrijf dat NV200’s ombouwt tot kampeerauto’s (hierna: [G] ).

2.11.

[D] heeft in november 2019 het bericht gekregen dat zijn NV200 opnieuw moest worden opgemeten omdat de eerdere opmeting niet goed zou zijn.

2.12.

Op 13 januari 2020 heeft dezelfde medewerker van de Belastingdienst (zie 2.9) de NV200 van [D] opnieuw opgemeten en verklaard dat de hoogte van 130 cm niet over de volle lengte van 200 cm wordt gehaald, waardoor zijn NV200 alsnog wordt afgekeurd voor het kwarttarief.

2.13.

De Inspecteur heeft bij brief van 18 maart 2020 aan [D] geschreven, voor zover van belang:

“De toezichtsmedewerker heeft in eerste instantie … een controlerapport naar het kantoor in Apeldoorn gestuurd waarin was vermeld dat het motorrijtuig zou voldoen aan de fiscale eisen die gelden voor een kampeerauto. Aangezien landelijk reeds een groot aantal onderzoeken (door andere toezichtsmedewerkers) was uitgevoerd naar Nissan NV200 motorrijtuigen die waren omgebouwd tot kampeerauto en uit die onderzoeken is gebleken dat dergelijke motorrijtuigen niet voldoen aan de fiscale eisen die gelden voor een kampeerauto, is aan onderhavige toezichtsmedewerker gevraagd om de controle opnieuw uit te voeren bij uw motorrijtuig. In januari van dit jaar is een nieuwe controle uitgevoerd waaruit volgt dat het motorrijtuig toch niet voldoet aan de eisen die gelden voor een kampeerauto”

2.14.

In de uitspraak op bezwaar is het bezwaar afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2.15.

[H] , directeur van [G] , heeft op 23 april 2020 schriftelijk het volgende met betrekking tot de keuring voor toepassing van het kwarttarief voor de NV200 verklaard:

“Ik heb bij de ombouw van de eerste Nissan NV200 tot camper contact opgenomen met de RDW en de Belastingdienst om over de eisen t.a.v. het kwarttarief motorrijtuigenbelasting nadere informatie te krijgen.

In augustus 2012 werd de eerste Nissan NV200 door ons camper gekeurd bij de RDW. Ten tijde van die keuring heb ik de heer [I] van de belastingdienst en zijn collega, waarvan ik de naam niet meer weet, die samen met de RDW in dezelfde ruimte kantoor hielden, bezocht en gevraagd om de camper ter plaatse te bekijken en te meten om er zeker van te zijn dat het ook voor de Belastingdienst een camper betrof die voldeed aan de eisen voor het kwarttarief.

De heer [I] verklaarde destijds duidelijk en onomwonden dat de Nissan als kampeerwagen voor het kwarttarief in aanmerking kwam omdat de wagen voldeed aan de eisen voor de lengte van de laadvloer (200 cm) en de basishoogte (130 cm).

[G] heeft sindsdien in een periode van c.a. 6 jaar ruim twintig Nissans omgebouwd tot camper die allen het kwarttarief hebben verkregen.

Mevrouw [X] heeft mij, voordat zij haar Nissan liet ombouwen, gevraagd of de Nissan aan de belasting- en RDW voorwaarden voldeed, wat ik gezien het bovenstaande, volmondig kon bevestigen. Ik had dat ook op mijn website laten zetten.

In augustus 2018 werd het verzoek door mevrouw [X] om toepassing van het kwarttarief voor de door haar omgebouwde Nissan onverwacht afgewezen.

Door de daarop volgende gerechtelijke procedure werden en worden alle bestaande Nissan campers door de belastingdienst nagemeten. Daarbij werden 2 campers van [G] alsnog goedgekeurd.

Alle daarop volgende klanten heb ik expliciet gewezen op het feit dat de camper niet meer in het campertarief kon vallen. Toch bleef de bus interessant voor camper waardoor wij in het voorjaar van 2019 wederom een NV200 hebben omgebouwd als camper met daarbij de boodschap dat de RDW de bus wel als camper ziet en dus het camperkenteken zal afgeven, maar dat de Belastingdienst geen campertarief zal toekennen.

Toen deze BPM afdracht plaats moest vinden werd ik gebeld door de heer [I] die aangaf dat hij geen camperkenteken mocht afgeven bij de RDW omdat er veel ‘gedoe’ was rondom deze camper. Ik heb hem gezegd dat ik bekend was met het feit dat de camper niet meer aan de eisen voldoet van het campertarief, maar dat ik toch wel een nieuw kenteken verwacht. Dit kon hij niet verstrekken. Terug naar het grijze kenteken kon echter ook niet, want dat was ingenomen door de RDW.

De heer [I] stelde voor om een afspraak bij [G] te plannen om de kwestie uit de wereld te helpen, want volgens hem was de bus gewoon een camper. Ik heb toen voorgesteld om tijdens zijn bezoek gelijk de camper te bekijken van de klant die na controle wel was goed gekeurd zodat hij meteen kon uitleggen waar het verschil nou in zat aangezien de bussen 100% gelijk zijn aan elkaar.

De heer [I] kwam op 2 juli 2019 samen met zijn collega de heer [F] , die deze

dossiers beheert en de meeste Nissan campers heeft (doen) afkeuren.

De heer [I] had voor de afspraken de papieren van Nissan Nederland meegenomen waar duidelijk op staat dat de laadvloer 204 cm is en de hoogte 130 cm.

Echter werd hij door de heer [F] erop gewezen dat hij het “fiscale blok” niet goed had toegepast. Daarop aarzelde de heer [I] en gaf toe dat de maten van het fiscale blok niet in de camper pasten; namelijk de hoogte van 1.30 m. werd niet over de vereiste 2.00 m. gehaald als gevolg van de constructie van de achterdeur. Hij gaf ook toe dit zogenaamde blok nooit toegepast te hebben in zijn metingen.

De betreffende camper die bij controle goed gekeurd was, werd ten tijde van het bezoek eerst alsnog afgekeurd.

Ik vroeg daarbij aan de heer [I] te bevestigen dat hij destijds had verklaard dat de Nissan voor het kwarttarief geschikt was. Hij had immers telefonisch nog toegegeven dat hij zich het bezoek en de meting in 2012 nog herinnerde en bleef ook tijdens het telefoongesprek bij zijn standpunt dat de camper wel voldeed.

Maar op mijn vraag tijdens het bezoek op 2 juli 2019 aarzelde hij over wat hij toen had gezegd en wilde dat, duidelijk onder invloed van zijn collega, niet bevestigen.

De eigenaren waarvan de camper naderhand voor het kwarttarief is afgekeurd, krijgen niet alleen een naheffing maar ook een boete gelijk aan het bedrag van de naheffing, wat ik zeer onrechtvaardig vindt omdat deze mensen te goeder trouw hebben gehandeld. Het ligt aan de belastingdienst zelf dat dat de nametingen en naheffingen gebeuren.

Conclusie:

[G] heeft, vooraf aan het ombouwen van campers bij het betreffende bestuursorgaan, dat de regels t.a.v. het kwarttarief kent en toepast, alle benodigde informatie ingewonnen over de eisen waaraan campers moeten voldoen om voor het kwarttarief in aanmerking te komen en of de betreffende bestelauto, de Nissan NV 200, daaraan voldeed.

Op grond van de onomstotelijke verklaring van de heer [I] en zijn collega van de belastingdienst dat de Nissan NV 200 als camper geschikt was voor het kwarttarief, mocht ik erop vertrouwen dat de door [G] omgebouwde Nissans, voor zover de binnenmaten niet door de inbouw werden veranderd, aan de gestelde eisen voor het kwarttarief voldeden.

Het feit dat twee campers in 2019 nog werden goedgekeurd, waarvan er vervolgens toch één alsnog weer werd afgekeurd en de ervaring met de keuring op 2 juli, laten zien dat er binnen de belastingdienst geen eenduidigheid bestaat hoe deze camper moet worden ingemeten. Laat staan dat een gewone burger dat kan.

[G] en daarmee ook de eigenaren van de door [G] of andere bedrijven tot campers omgebouwde Nissan NV200 bestelwagens, mochten erop vertrouwen dat hun campers voldeden aan de fiscale eisen voor het kwarttarief.”

2.16.

Belanghebbende heeft op 21 april 2020 schriftelijk verklaard:

“Na jaren kamperen met de tent en mijn pensionering in het vooruitzicht, werd het tijd mijn droom in werkelijkheid om te zetten.

Ik ging op zoek naar een auto die tot minicamper omgebouwd kon worden. Op een camping had ik een Nissan NV 200 gezien die in 2016 omgebouwd en door de belastingdienst goedgekeurd was voor het kwarttarief wegenbelasting.

Toen begon de zoektocht naar de auto en naar alle informatie met betrekking tot de eisen waar een camper aan moet voldoen. Ik haalde daarvoor, onder andere, de benodigde informatie op van de betreffende websites van de Belastingdienst en de RDW.

Eind 2017 vond ik een geschikte, nog niet omgebouwde, Nissan NV 200. Vooraf aan de aankoop heb ik nog extra informatie ingewonnen. Onder andere bij [G] , die deze campers verkopen en inbouwen.

[G] verzekerde mij bij navraag, dat de auto aan alle eisen voldeed om het kwarttarief te krijgen, onafhankelijk van het bouwjaar.

Op hun website werd toen, in de veel gestelde wagen, het belastingvoordeel vermeld:

‘9. Wat zijn de voordelen van een kampeerauto?

Het grootste voordeel is natuurlijk het plezier! Het gevoel van vrij zijn en een soort van 2e huisje op wielen bezitten. Daarnaast is het Belastingtarief een voordeel. Zo betaalt u al particulier voor een VW T5 bijna 500 euro per kwartaal, maar zodra het een erkende kamperauto wordt, betaalt u nog slechts 150 euro. Een korting van 75%.

Ik heb de auto uiteindelijk bij [J] BV laten ombouwen en het vereiste hefdak van het merk REIMO erop laten zetten, teneinde aan de vereiste stahoogte van 1.70 meter te voldoen. De camperbouwer, de heer [K] , van reeds genoemde [J] ’s B.V., heeft mij toen ook bevestigd dat de camper aan de juiste maten voldeed. Hij heeft mijn camper ook RDW laten keuren.

De heer [K] en mevrouw [H] , directeur van [G] , kenden elkaar als collega’s en ontmoetten elkaar regelmatig op vakbeurzen. De heer [K] was volledig op de hoogte van de goedkeuring voor het kwarttarief van de door [G] omgebouwde Nissan NV 200 campers.

Deze ondernemers vertrouwden op de eerdere mededelingen van een daartoe bevoegde ambtenaar en de goedkeuring voor het kwarttarief, na inmeting, van een aantal van hetzelfde type Nissan NV 200 campers.

Omdat ik ervan uit ging dat ik op deze eerdere uitlatingen en goedkeuringen van de belastingdienst mocht vertrouwen heb ik besloten de Nissan NV 200 te kopen en om te laten bouwen tot camper voor de totale som van € 18.000.

Nadat ik een afwijzing gekregen had voor mijn verzoek tot toepassen van het kwarttarief, heb ik begin 2018 met de belastingdienst daarover gebeld. De betreffende medewerker, die ik aan de lijn had, beweerde toen in eerste instantie dat de Nissan NV 200 wel onder de voor het kwarttarief goedgekeurde auto’s viel.

Als de belastingdienst zelf al niet weet hoe de voorwaarden voor het kwarttarief moeten worden toegepast en de medewerkers van de belastingdienst het daarover onderling kennelijk niet over eens zijn, waar kan ik dan als gewone burger nog op vertrouwen?

De belastingdienst heeft op 12 november 2018 op mijn verzoek alsnog de Nissan gemeten voor het kwarttarief. Ik heb daar nooit een officieel verslag met de meetresultaten van gekregen; alleen de melding dat de Nissan voor het kwarttarief afgekeurd blijft.

Ik wil hierbij nog wijzen op het aanvraagformulier voor het kwarttarief met bijlagen dat ik destijds heb ingevuld. In het aanvraagformulier wordt verwezen naar de voorwaarden, waarin de vereiste maten van 200 x 90 x 130 cm. niet worden genoemd. Ook niet op de website waarnaar in deze bijlage wordt verwezen. Alleen - nog steeds - het hier onderstaande:

‘Voorwaarden kampeerautotarief (camper)

De binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen.

Deze ruimte is voorzien van vast aangebrachte elementen voor het gebruik in de binnenruimte:

- minimaal twee vaste zitplaatsen

- een tafel

- een slaapplaats voor ten minste twee personen

- vaste en afsluitbare opbergruimten

- een vast keukenblok, voorzien van watervoorziening met een spoelbak, een kraan en een afvoer

- een vaste kookgelegenheid

U vindt meer informatie over deze voorwaarden aan ombouw en inrichting op belastingdienst.nl/mrb.

Let op!

Zonder verzoek moet voor kampeerauto’s het tarief van personenauto’s worden betaald. De aantekening ‘kampeerauto’ op uw kentekenbewijs deel IA (of deel 1) of op de kentekencard,

is niet voldoende om in aanmerking te komen voor het kampeerautotarief. Om in aanmerking te komen voor de fiscale goedkeuring, moet u met foto’s aantonen dat u aan de eisen voldoet.’

Na alle gedane moeite om aan de benodigde informatie te komen die rechtstreeks of indirect van de belastingdienst afkomstig was, kon ik niet anders dan in alle redelijkheid erop vertrouwen dat mijn Nissan NV 200 geschikt zou zijn voor toekenning van het kwarttarief.

Als ik van tevoren had geweten wat ik nu achteraf weet, zou ik nooit tot aanschaf en ombouw van de Nissan hebben besloten.”

2.17.

[D] heeft op 17 april 2020 schriftelijk verklaard:

“Ik heb op of omstreeks mei 2018 contact opgenomen met de firma [G] met de vraag

of ik bij hen een Nissan NV 200 tot camper kon laten ombouwen waarbij het campertarief voor de wegenbelasting van toepassing was. Daar heb ik een bevestigend antwoord op gekregen zodat ik mijn Nissan NV 200, met grijs kenteken, tot camper heb laten ombouwen.

Omdat [G] toen de camper klaar was, er toch niet zeker was of het kwarttarief voor dit type camper nog gold, heb ik telefonisch contact opgenomen met de belastingdienst motorrijtuigen om mijn camper daarvoor te laten keuren.

In januari 2019 heeft een belastingambtenaar uit Tilburg bij mij de camper opgemeten en goedgekeurd voor het kwarttarief dat ik ook sindsdien heb betaald.

In of omstreeks november 2019 kreeg ik het bericht dat de camper moest worden nagemeten,

omdat dat de eerdere meting niet goed gebeurd zou zijn. Op 13 januari 2020 heeft dezelfde ambtenaar uit Tilburg de nameting verricht en verklaard dat dc hoogte van 130 cm. niet over de volle lengte van 200 cm. wordt gehaald waardoor de camper alsnog werd afgekeurd.

Ik ben natuurlijk uiterst verbaasd en verbolgen dat de camper eerst wordt goedgekeurd en vervolgens. zoals ik nu begrijp als gevolg van een lopende rechtszaak over een gelijkaardige camper, wordt herkeurd en vervolgens afgekeurd.

Ik lees in de brief van 18 maart 2020 van de belastingdienst - zie bijlage - dat het bij mij opgewekte vertrouwen - dat de camper voldeed aan de fiscale eisen voor het campertarief - wordt ingetrokken. Ik heb echter geen onjuiste informatie aan de belastingdienst gegeven en de toezegging en beslissing tot toepassing van het kwarttarief naar aanleiding van de eerste metingen was niet dusdanig in strijd met een juiste wetstoepassing, dat ik niet in alle redelijkheid zou mogen verlangen dat de belastingdienst hij haar oorspronkelijk ingenomen standpunt blijft.

Dit telt temeer omdat aan de camper tussen de eerste meting en de tweede meting niets is veranderd en is de wijziging van de beslissing betreffende het campertarief toe te schrijven aan de combinatie van de wijze van meten en de zeer geringe, nauwelijks meetbare tekortkoming in de fiscale maatvoering van de Nissan NV 200.

Ik heb de camper laten ombouwen op grond van de informatie van [G] , die de eerste door haar omgebouwde Nissan NV 200 door de belastingdienst heeft laten meten en daarvoor het kwarttarief heeft verkregen waarop [G] mocht vertrouwen dat de Nissan als zodanig aan de eisen van het kwarttarief voldeed.

Op grond daarvan heb ik de Nissan van bestelwagen tot camper laten ombouwen waarmee toch een investering is gemoeid van € 20.000.

Het kan toch niet zo zijn dat de belastingdienst het met haar handelingen en beschikkingen gevestigde vertrouwen zomaar kan intrekken.”

3 Geschil

In geschil is of voor de NV200 motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) verschuldigd is naar het reguliere tarief, dan wel naar het kwarttarief. Meer specifiek is in geschil of goed is na te gaan of aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het kwarttarief wordt voldaan en of de Inspecteur een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel) heeft geschonden.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 23a lid 1, van de Wet (tekst vanaf 1 juli 2006) luidt:

“Voor een personenauto waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid en die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden en beperkingen met betrekking tot uiterlijk en inrichting, bedraagt de belasting in afwijking van artikel 23 en onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, een kwart van de ingevolge dat artikel verschuldigde belasting.”

4.2.

Artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit luidde in 2012, voor zover van belang:

“1 Artikel 23a, eerste lid, van de wet vindt toepassing indien:

a. de personenauto een ruimte heeft, gesitueerd achter de zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder, die een rechthoekig blok kan bevatten van ten minste 170 cm hoogte over een lengte van ten minste 200 cm en over een breedte van ten minste 90 cm; en

(…).

2 In afwijking van het eerste lid vindt artikel 23a, eerste lid, van de wet mede toepassing, indien de binnenruimte van de personenauto af fabriek geen hoogte van 170 cm maar wel van ten minste 130 cm heeft, en het dak is voorzien van een al dan niet uitklapbare, permanent aangebrachte gesloten dakconstructie waardoor de hoogte over een breedte van ten minste 90 cm en een lengte van 100 cm verhoogd kan worden tot ten minste 170 cm.

3 Wanneer aan de binnenkant van de in het eerste en tweede lid bedoelde ruimte materialen zijn aangebracht tegen de wanden, de vloer of het plafond, wordt voor de beoordeling van de vraag of wordt voldaan aan de in het eerste en tweede lid genoemde maten uitgegaan van de aldus verkleinde ruimte.”

4.3.

De tekst van artikel 5aa, lid 1, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit, is per 1 januari 2016 gewijzigd en luidt per die datum:

“Artikel 23a, eerste lid, van de wet vindt toepassing indien:

a. de personenauto een ruimte heeft, gesitueerd achter de in de achterste stand geplaatste zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder, die een rechthoekig blok kan bevatten van ten minste 170 cm hoogte over een lengte van ten minste 200 cm en over een breedte van ten minste 90 cm;”

Deze wijziging is als volgt toegelicht (Staatsblad 2015, 544)(Artikel VIII, onderdeel A, pagina 29 en 30):

“Voor een personenauto waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen, is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid en die voldoet aan bij het UB MRB 1994 gestelde voorwaarden en beperkingen met betrekking tot uiterlijk en inrichting, geldt een verlaagd tarief voor de motorrijtuigenbelasting. Een van de fiscale inrichtingseisen aan een kampeerauto is nu dat de personenauto een ruimte heeft, gesitueerd achter de zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder, die een rechthoekig blok kan bevatten van ten minste 170 cm hoogte over een lengte van ten minste 200 cm en over een breedte van ten minste 90 cm. In de praktijk worden kleinere bestelauto’s steeds vaker omgebouwd tot «kampeerauto». Om aan genoemde inrichtingseisen te voldoen worden in de praktijk de betreffende stoelen tijdens de meting zo ver als mogelijk naar voren geplaatst. Door het ontbreken van een voorgeschreven plaatsingsmethode van het bedoelde rechthoekig blok in de regelgeving is het niet mogelijk deze werkwijze tegen te gaan. In artikel 5aa, eerste lid, onderdeel a, van het UB MRB 1994, wordt daarom een plaatsingsvoorschrift toegevoegd. Hiermede wordt bereikt dat de personenauto het genoemde blok moet kunnen bevatten in een situatie waarin de stoelen van de bestuurder en de bijrijder in de achterste stand zijn geplaatst.”

Wettelijke voorwaarden

4.4.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat niet goed is na te gaan of aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het kwarttarief wordt voldaan.

4.5.

Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat een belastingplichtige, die zich beroept op een begunstigende regeling (het kwarttarief), feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken die leiden tot de conclusie dat het kwarttarief van toepassing is.

4.6.

[E] heeft de NV200 gezien en geconcludeerd dat niet aan de voorwaarden voor toepassing van het kwarttarief wordt voldaan (zie 2.8). Belanghebbende – op wie dus de bewijslast rust – heeft daartegen onvoldoende ingebracht om het Hof tot de conclusie te brengen dat wel aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing van het kwarttarief is voldaan. Het feit dat verschillende medewerkers van de Belastingdienst op verschillende momenten tot tegenstrijdige conclusies zijn gekomen met betrekking tot het al dan niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden is hiervoor onvoldoende.

Vertrouwensbeginsel

4.7.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

4.8.

Ten eerste heeft belanghebbende ter zitting van het Hof gesteld dat zij met de Belastingdienst heeft gebeld omdat het kwarttarief niet was toegepast en dat van de zijde van de Belastingdienst toen werd aangegeven dat daarvoor nog een verzoek kon worden ingediend.

4.9.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat belanghebbende op dat moment het verzoek nog niet had ingediend en belanghebbende ter zitting heeft erkend dat over de maatvoering van de NV200 niet is gesproken, waarbij het Hof nog opmerkt dat het voor de heffing van MRB niet van belang is dat de NV200 in het kentekenregister als ‘kampeerwagen‘ staat vermeld. Het gaat om de voorwaarden die in de Wet en het Uitvoeringsbesluit worden gesteld.

4.10.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat zij met de Belastingdienst heeft gebeld nadat het verzoek was afgewezen. De desbetreffende medewerker gaf aan dat ze volgens hem wel voor het kwarttarief in aanmerking kwam, maar dat ze door de behandelaar van het verzoek zou worden teruggebeld, aldus belanghebbende. De behandelaar van het verzoek heeft teruggebeld en gezegd dat het verzoek terecht is afgewezen.

4.11.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de desbetreffende medewerker het voorbehoud heeft gemaakt dat belanghebbende nog zou worden teruggebeld door de behandelaar van het verzoek en deze heeft aangegeven dat het verzoek terecht is afgewezen.

4.12.

Belanghebbende wijst er in het kader van het vertrouwensbeginsel verder op dat zij te goeder trouw de maten van de NV200 heeft opgegeven, dat die maten gebaseerd zijn op de fabrieksmaten en dat de Inspecteur voor omgebouwde NV200’s al jaren het kwarttarief toekent. Immers, de directeur van [G] heeft voorafgaand aan de eerste inbouw in 2012 bij de Belastingdienst geïnformeerd of de NV200 in aanmerking kwam voor het kwarttarief. De Belastingdienst heeft volgens belanghebbende tegenover [G] bevestigd dat de NV200’s aan de voorwaarden van het kwarttarief voldeden. Alleen indien de binnenmaten door de ombouw zouden wijzigen, zou een hermeting noodzakelijk zijn, aldus belanghebbende. Het beroep op het vertrouwensbeginsel zou voor alle omgebouwde NV200’s moeten gelden, aldus belanghebbende. Belanghebbende verwijst verder nog naar de situatie van [D] .

4.13.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderhavige geval afwijkt van de door belanghebbende aangedragen gevallen, omdat in die gevallen sprake is van een in eerste instantie ingewilligd verzoek om toepassing van het kwarttarief. De Inspecteur heeft verder gesteld dat bij de beoordeling van de verzoeken om toepassing van het kwarttarief altijd wordt uitgegaan van de aangeleverde gegevens en niet van de fabrieksmaten. Verder maakt volgens de Inspecteur belanghebbende ten onrechte geen onderscheid tussen de verschillende beoordelingen in de jaren 2012 en 2019. De herbeoordelingen van de NV200’s in het jaar 2019 zijn naar de mening van de Inspecteur enkel relevant voor de belastingplichtigen die het betreft. Het beroep op het vertrouwensbeginsel moet volgens de Inspecteur ook falen omdat sprake is van een afgeleid beroep; er is geen sprake van een rechtstreekse toezegging door de Belastingdienst aan belanghebbende. Daarbij komt dat [I] kan bevestigen noch ontkennen dat hij in 2012 een omgebouwde NV200 van [G] heeft beoordeeld. Bovendien is [G] een professioneel bedrijf en is onvoldoende komen vast te staan op welke wijze de keuring en de (mogelijke) akkoordverklaring van [I] hebben plaatsgevonden. Verder stelt de Inspecteur dat – gelet op het tijdsverloop tussen de gestelde goedkeuring in 2012 en het bezoek op 2 juli 2019 en het ontbreken van enige schriftelijke vastlegging – niet zonder meer uit moet worden gegaan van de door [G] gestelde gang van zaken in 2012. Het gesprek op 2 juli 2019 was louter van informatieve aard, aldus de Inspecteur. De Inspecteur heeft met betrekking tot de kampeerauto van [D] aangegeven dat in eerste instantie een rapport naar het kantoor in Apeldoorn was gestuurd waarin was vermeld dat de kampeerauto in die zaak zou voldoen aan de wettelijke voorwaarden. Aangezien deze conclusie in kantoor Apeldoorn voor onjuist werd gehouden, is gevraagd om een herbeoordeling. Uit die herbeoordeling volgde, aldus nog steeds de Inspecteur, dat ook de kampeerauto van [D] niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet. De Inspecteur is van mening dat dit (mogelijk) gewekte vertrouwen alleen betekenis heeft in de zaak van [D] zelf.

4.14.

Het Hof stelt evenals de Rechtbank voorop dat de MRB een aangiftebelasting is en dat de houder van een motorrijtuig verantwoordelijk is voor het voldoen van de verschuldigde MRB naar het juiste tarief (vgl. HR 10 oktober 2014, nr. 13/02842, ECLI:NL:HR:2014:2923). Dit geldt in het onderhavige geval temeer omdat belanghebbende gebruik wilde maken van een begunstigende regeling, namelijk het kwarttarief.

4.15.

Vast staat dat belanghebbende bij het indienen van het verzoek te goeder trouw heeft gehandeld. Dit brengt echter niet mee dat belanghebbende hierdoor er op mocht vertrouwen dat het verzoek zou worden gehonoreerd, omdat geen wettelijke bepaling eraan in de weg staat dat de Inspecteur – zoals hier – controleert of aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het kwarttarief wordt voldaan.

4.16.

Als regel bij het vertrouwensbeginsel heeft te gelden dat een belastingplichtige geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan het optreden van de inspecteur ten aanzien van een of meer andere belastingplichtigen. Dit is echter anders indien dat optreden heeft plaatsgevonden op een zodanige wijze en onder zodanige omstandigheden dat de belastingplichtige redelijkerwijze mocht menen dat dit ook bedoeld was om te gelden in zijn situatie. Dat kan onder meer het geval zijn als een belastingplichtige redelijkerwijze mocht menen dat de ambtenaar die de aanslag van een medefirmant na onderzoek vaststelde, daarbij optrad als contactinspecteur van de firma (HR 4 december 2009, nr. 08/02258, ECLI:NL:HR:2009:BG7213).

4.17.

Het Hof is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat niet is komen vast te staan wat er in 2012 precies bij [G] is gebeurd, nog daargelaten de vraag in hoeverre dit van belang is omdat de wettelijke voorwaarden per 1 januari 2016 zijn gewijzigd (zie 4.3). Ook heeft het Hof meegewogen dat belanghebbende de NV200 niet door [G] heeft laten ombouwen, maar door [J] ’s B.V. Dat [K] van [J] ’s B.V. en [H] van [G] elkaar als collega’s kennen, doet hieraan niet af. Het Hof voegt hier nog aan toe dat de situatie van belanghebbende – waarin het verzoek is afgewezen – wel wezenlijk anders is dan de gevallen van [G] omdat in laatstgenoemde gevallen de verzoeken om toepassing van het kwarttarief wel waren toegewezen. De situatie van [D] leidt evenmin tot een ander oordeel omdat hij zijn NV200 in januari 2019 ná de afwijzing van het verzoek van belanghebbende (6 augustus 2018) heeft laten keuren, onduidelijk is of zijn NV200 op exact dezelfde manier is omgebouwd als de NV200 van belanghebbende, de goedkeuring is verleend door een ander kantoor van de Belastingdienst en de goedkeuring later is teruggenomen.

4.18.

Belanghebbende verwijst voor het beroep op het vertrouwensbeginsel nog naar rechtsoverweging 4.2 in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 juni 2019, nr. 14/00263, ECLI:NL:GHSHE:2019:2245:

“Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is niet vereist dat een aangelegenheid bij een boekenonderzoek door de belastingadministratie daadwerkelijk op haar fiscale merites is beoordeeld, doch is voldoende dat de belastingplichtige in de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat zulks het geval was. Dit zal zich in het algemeen voordoen, indien de betrokken aangelegenheid verhoudingsgewijs van zodanig belang is dat zij niet aan de aandacht van de met de controle belaste ambtenaren kan zijn ontsnapt, en bovendien de gevolgen voor de belastingheffing van dien aard zijn dat het voor de hand ligt om kritische opmerkingen te maken, zo niet tot naheffing over te gaan. Alsdan zal de Inspecteur, door niettemin generlei opmerking te maken en naheffing achterwege te laten, in het algemeen bij de belastingplichtige het gerechtvaardigde vertrouwen wekken dat de wijze waarop deze de betrokken aangelegenheid in fiscaal opzicht heeft behandeld, zijn goedkeuring kan wegdragen. (Hoge Raad 18 december 1991, nr. 27 127, onder meer gepubliceerd in BNB 1992/182).”

Belanghebbende leidt hieruit af dat er sprake is van gelijke gevallen, waarbij eerdere verzoeken om toepassing van het kwarttarief niet werden afgewezen, door gebrek aan of door onvoldoende controle.

4.19.

Het Hof sluit zich aan bij het standpunt van de Inspecteur dat de zaak die aanhangig was bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch onvergelijkbaar is omdat er in het onderhavige geval geen sprake is van een boekenonderzoek. Bovendien is de MRB, zoals het Hof hiervoor in 4.14 heeft overwogen, een aangiftebelasting en is de houder van een motorrijtuig verantwoordelijk voor het voldoen van de verschuldigde MRB naar het juiste tarief. In dit systeem bestaat er voor de inspecteur, behoudens uitzonderingsgevallen, geen verplichting om de in een verzoek vermelde maten te controleren. In het geval van belanghebbende heeft de Inspecteur het verzoek beoordeeld en afgewezen.

4.20.

Belanghebbende heeft zich ook nog op het standpunt gesteld dat de informatie op de website van de Belastingdienst onvolledig was. Volgens belanghebbende werd niet vermeld dat de stoelen in de achterste stand moesten staan tijdens de meting, terwijl deze eis wel in 2016 is toegevoegd. Ook wordt de procedure onvoldoende toegelicht, zodat voor belastingplichtigen niet duidelijk is dat zij geen vertrouwen kunnen ontlenen aan een goedkeuring voor het kwarttarief en dat zij bij een verkeerde opgave worden geconfronteerd met naheffingen en boetes.

4.21.

Het Hof stelt voorop dat uitlatingen op de website van de Belastingdienst zijn aan te merken als voorlichting. Met het oog op het belang dat de Belastingdienst zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen, moet worden aanvaard dat onjuiste voorlichting door de Belastingdienst in de regel niet voor diens rekening komt. De Inspecteur is dan ook in de regel niet gebonden aan de door dergelijke voorlichting gewekte verwachtingen (vgl. HR 26 september 1979, nr. 19.250, BNB 1979/311; HR 24 september 2010, nr. 08/03539, ECLI:NL:HR:2010:BM1206). Een uitzondering op genoemde regel kan worden aangenomen indien belanghebbende niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen maar daarenboven ook schade heeft geleden doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten (vgl. HR 3 januari 1990, nr. 26.325, BNB 1990/148; HR 24 september 2010, nr. 08/03539, ECLI:NL:HR:2010:BM1206).

4.22.

De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof onweersproken gesteld dat op de website van de Belastingdienst wel de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het kwarttarief waren opgenomen, behalve die dat bij de meting de stoelen van de bestuurder en de bijrijder in de achterste stand moeten zijn geplaatst. Dit maakt echter volgens de Inspecteur in het geval van belanghebbende niet uit omdat door de constructie van de achterdeur, ook indien de stoelen van de bestuurder en de bijrijder in de voorste stand worden geplaatst, de vereiste lengte van ten minste 200 cm niet wordt gehaald.

4.23.

Het feit dat op de website van de Belastingdienst enkel niet is vermeld dat de stoelen van de bestuurder en de bijrijder in de achterste stand moeten worden geplaatst, maakt naar het oordeel van het Hof nog niet dat er sprake is van een onjuiste voorlichting door de Belastingdienst. Aangezien op de website van de Belastingdienst de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het kwarttarief staan vermeld, heeft de Belastingdienst geen onjuiste informatie aan belanghebbende verstrekt. Hierbij merkt het Hof nog op dat de stand van de stoelen van de bestuurder en de bijrijder in de situatie van belanghebbende niet uitmaakt, omdat door de constructie van de achterdeur de vereiste hoogte van 130 cm niet over de volle lengte van 200 cm wordt gehaald.

Gelijkheidsbeginsel

4.24.

Belanghebbende heeft zich ter zitting van het Hof op het standpunt gesteld dat de meerderheidsregel wordt geschonden omdat de Inspecteur in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen het kwarttarief heeft toegekend. In de door de Inspecteur opgespoorde 27 gevallen is in een aantal gevallen – door de termijn – naheffing wellicht niet meer mogelijk.

4.25.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de ongelijke behandeling is voortgekomen uit (later gebleken) onjuiste opgaaf van de feiten door de diverse houders van de NV200’s. Er is op grond van artikel 36 van de Wet bij de andere houders van de NV200’s nageheven, waarbij de termijn geen rol speelt, aldus de Inspecteur. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof aangegeven dat er naar aanleiding van opgelegde naheffingsaanslagen diverse (gerechtelijke) procedures lopen.

4.26.

Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan slagen indien het bestuursorgaan in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen waarmee het bekend is expliciet of impliciet een standpunt inneemt op grond waarvan het een juiste wetstoepassing achterwege laat (vgl. HR 11 maart 1998, nr. 32723, ECLI:NL:HR:1998:AA2454). Van het innemen van een dergelijk standpunt kan worden gesproken indien naheffing achterwege blijft hoewel de verschuldigde belasting niet (volledig) is betaald en het bestuursorgaan over alle benodigde gegevens beschikt om een naheffingsaanslag te kunnen opleggen (HR 10 oktober 2014, nr. 13/02842, ECLI:NL:HR:2014:2923).

4.27.

Aangezien de Inspecteur naar het oordeel van het Hof aannemelijk heeft gemaakt dat bij de andere houders van NV200’s op grond van artikel 36 van de Wet wordt nageheven, slaagt het beroep van belanghebbende op de meerderheidsregel, en daarmee op het gelijkheidsbeginsel, niet. Door in die gevallen na te heffen, is een juiste wetstoepassing in een meerderheid van de gevallen immers niet meer achterwege gelaten, terwijl in de overige gevallen aannemelijk is dat een onjuiste wetstoepassing wordt veroorzaakt doordat onjuiste informatie in de verzoeken is opgenomen.

Rechtszekerheidsbeginsel

4.28.

Het rechtszekerheidsbeginsel is volgens belanghebbende geschonden omdat er van uit moet worden gegaan dat een beschikking kwarttarief een definitieve beschikking is, te meer omdat de Inspecteur beschikte over de fabrieksmaten. Het ligt in de rede dat, indien de Inspecteur twijfelt aan de fabrieksmaten, hij deze onmiddellijk zou moeten verifiëren. Belanghebbende kende het verschil niet tussen de fabrieksmaten en de werkelijke maten. De fabrieksmaten waren wel juist voor de oorspronkelijke bestemming als bestelauto, aldus belanghebbende. Bovendien zijn volgens belanghebbende de verschillen tussen de fabrieksmaten en de werkelijke maten zeer gering.

4.29.

Zoals het Hof hiervoor in 4.19 heeft overwogen, is de MRB een aangiftebelasting en is de houder van een motorrijtuig verantwoordelijk voor het voldoen van de verschuldigde MRB naar het juiste tarief en bestaat er in dit systeem voor de inspecteur, behoudens uitzonderingsgevallen, geen verplichting om de in een verzoek vermelde maten te controleren. In het geval van belanghebbende heeft de Inspecteur het verzoek beoordeeld en dit afgewezen. Het Hof voegt hieraan toe dat de Wet en het Uitvoeringsbesluit duidelijk zijn.

4.30.

Voor zover belanghebbende stelt dat het in het onderhavige geval niet toepassen van het kwarttarief niet redelijk is, overweegt het Hof het volgende. Gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829 houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb 1829, 28) dient de rechter volgens de wet recht te spreken en mag hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Het Hof is, gelet op deze regel over de machtenscheiding binnen het Koninkrijk, niet bevoegd om de wet in strijd met de letterlijke bewoordingen toe te passen. De beoordeling of een rechtsregel billijk en redelijk is, is uitsluitend aan de wetgever voorbehouden. Ook in een geval zoals hier waarin belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld en is nagegaan of zij aan de voorwaarden voor toepassing van het kwarttarief voldoet.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. T.H.J. Verhagen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2021.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 januari 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.