Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3924

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.249.778/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wettelijk voorschrift niet vermeld in sanctiebeschikking. De betrokkene is niet in zijn belangen geschaad. Op de zitting van de kantonrechter is duidelijk geworden welk voorschrift het betrof, zodat de betrokkene vanaf dat moment wist waartegen hij zich had te verdedigen. Het hof verwerpt het verweer dat de kantonrechter de gedraging niet zelfstandig nader mag duiden. De rechter kent het recht en dient dat toe te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.249.778/01

CJIB-nummer

: 210796765

Uitspraak d.d.

: 21 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Midden-Nederland van 15 oktober 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat geen proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de kantonrechter aanwezig is. Er zijn geen zittingsaantekeningen gemaakt en uit de uitspraak blijkt evenmin of deze dient als een proces-verbaal en zo ja, wat er ter zitting is voorgevallen.

2. Het dossier bevat een beslissing van de kantonrechter van 15 oktober 2018, tevens houdende het opgemaakte proces-verbaal van de zitting. Het proces-verbaal behelst de zakelijke inhoud van de aldaar afgelegde verklaringen en van hetgeen verder op de zitting is voorgevallen. Hiermee is voldaan aan het bepaalde in artikel 12 juncto artikel 13, tweede en derde lid, van de Wahv. De klacht treft daarom geen doel.

3. De gemachtigde voert verder aan dat de betrokkene op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Wahv recht heeft op afschriften van het volledige procesdossier en dat daar bij brief van 30 juli 2018 om is verzocht. De griffier van de rechtbank heeft echter geweigerd aan dit verzoek te voldoen, zodat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.

4. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft in het pro forma beroepschrift van

13 april 2018 aan de kantonrechter verzocht om ex artikel 11, vierde lid, van de Wahv (oud) alle op de zaak betrekking hebbende stukken naar hem toe te sturen. De griffier van de rechtbank heeft dit verzoek bij brief van 4 juli 2018 afgewezen, omdat vooralsnog niet is gebleken van afschriften of uittreksels zoals bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Wel zijn het zaakoverzicht en de foto’s van de gedraging aan de gemachtigde verstrekt en wordt aangegeven dat de overige stukken van de instantie - naar het hof begrijpt het bestuursorgaan - al zijn toegezonden en het dossier verder bestaat uit correspondentie van de gemachtigde dan wel de betrokkene. Ook wordt gewezen op de mogelijkheid om met de griffier van de rechtbank een afspraak te maken om de stukken in te zien. De gemachtigde heeft bij de aanvulling van de gronden op 30 juli 2018 aangevoerd dat op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Wahv het complete procesdossier moet worden verstrekt en heeft daar nogmaals om verzocht.

5. Op grond van artikel 11, vijfde lid, Wahv worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan vervolgens binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.

6. Het hof stelt voorop dat de gemachtigde er terecht op wijst dat het uitgangspunt van de griffier in de brief van 4 juli 2018 onjuist is. Echter, eerst in de oproepingsbrief van 29 augustus 2018 voor de zitting bij de kantonrechter wordt de gemachtigde de gelegenheid geboden tot uiterlijk één week voor die zitting het dossier in te zien. De verzoeken van de gemachtigde tot verstrekking van alle op het beroepschrift betrekking hebbende stukken van 13 april 2018 en 30 juli 2018 zijn aldus prematuur gedaan. Het voorgaande brengt mee dat niet is gehandeld in strijd met artikel 11, vijfde lid, van de Wahv. Ook deze klacht faalt.

7. De gemachtigde stelt verder dat de uitspraak van de kantonrechter gebrekkig is gemotiveerd, nu voorbij is gegaan aan de grond dat niet kan worden vastgesteld dat de ambtenaar bevoegd is vanwege het ontbreken van een getuigschrift.

8. In artikel 13, tweede lid, van de Wahv is bepaald dat de beslissing van de kantonrechter met redenen omkleed dient te zijn. Dat brengt niet mee dat in het geval niet uitgebreid en expliciet op alle aangevoerde argumenten wordt ingegaan, er sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. Bij een beoordeling of sprake is van een dergelijke schending, dient te worden gekeken naar de omstandigheden van het betreffende geval.

9. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het beroepschrift bij de kantonrechter voornoemde grond onderbouwd heeft aangevoerd. Uit de beslissing van de kantonrechter volgt niet dat op deze grond expliciet is ingegaan. Door de kantonrechter is slechts overwogen dat in wat verder nog wordt aangevoerd geen grond wordt gezien dat de beslissing van de officier van justitie onrechtmatig is. Nu hieruit niet blijkt of de betreffende grond bij de beoordeling van het beroep is betrokken, is het hof van oordeel dat aan de beslissing van de kantonrechter een motiveringsgebrek kleeft.

10. Ten aanzien van de beslissing van de officier van justitie voert de gemachtigde aan dat hem niet middels een eenduidig geformuleerde brief een redelijke termijn is gegeven om schriftelijk nadere gronden in te dienen.

11. De gemachtigde heeft namens de betrokkene administratief beroep ingesteld en daarbij verzocht om een termijn voor het indienen van (nadere) gronden na ontvangst van het zaakoverzicht, een foto van de gedraging en documentatie waaruit de bevoegdheid van de ambtenaar voortvloeit.

Ook is verzocht om een telefonische hoorzitting. Door de officier van justitie is bij brief van

8 november 2017 aanvullende informatie opgevraagd bij de ambtenaar. Deze informatie is op
24 november 2017 door de CVOM ontvangen. Bij brief van 8 januari 2018 zijn de aanvullende stukken aan de gemachtigde verstrekt en is aan hem medegedeeld dat hij tijdens het horen de gelegenheid krijgt zijn gronden aan te vullen. Verder wordt de gemachtigde met deze brief verzocht aan te geven of hij in persoon (op 13 februari 2018) of telefonisch gehoord wil worden en wanneer. Bij brief van 19 januari 2018 geeft de gemachtigde aan niet akkoord te gaan met het voorstel de gronden mondeling in te dienen, omdat uit bewijsoogpunt en ter verantwoording richting cliënten de gronden schriftelijk ingediend dienen te worden. Op de schriftelijke gronden kan mondeling een toelichting worden gegeven. De gemachtigde verzoekt in de gelegenheid te worden gesteld nadere gronden in te dienen. Bij brief van 6 februari 2018 geeft de officier van justitie in reactie daarop aan dat de gemachtigde de gronden schriftelijk of mondeling nader kan aanvullen en dat hij hiertoe de gelegenheid heeft tot het moment waarop de hoorzitting plaatsvindt.

12. Het is vaste rechtspraak dat een termijn om de gronden aan te vullen een redelijke dient te zijn. Uitgangspunt is dat een termijn van vier weken een redelijke termijn is. Of een termijn in een specifieke zaak al dan niet als redelijk kan worden beschouwt, hangt af van de omstandigheden van het geval. De gegeven termijn in de brief van 6 februari 2018 is weliswaar korter dan vier weken, maar de gemachtigde is reeds bij brief van 8 januari 2018 en daarmee binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld de gronden aan te vullen. Bij die brief zijn aan de gemachtigde de stukken verstrekt en is aangegeven dat de gemachtigde tijdens het horen de gelegenheid krijgt zijn gronden aan te vullen. Een redelijke uitleg van deze brief brengt mee dat de gemachtigde tot de hoorzitting in de gelegenheid is gesteld om de beroepsgronden voorafgaand aan de beslissing van de officier van justitie - schriftelijk - aan te vullen. De officier van justitie heeft de gemachtigde voldoende in de gelegenheid gesteld de gronden aan te vullen, zodat de klacht faalt.

13. De overige bezwaren richten zich tegen de bij inleidende beschikking aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegde sanctie van € 90,- voor: “voertuig laten staan in park, plantsoen, openbare beplantingen of groenstroken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 september 2017 om 11:54 uur op de Daam Fockemalaan met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

14. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven, omdat daarin niet is vermeld welk wettelijk voorschrift zou zijn overtreden. Daardoor is de betrokkene in haar belangen geschaad. De gemachtigde verwijst daartoe naar een arrest van het hof van 11 augustus 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:6948).

15. Artikel 4, eerste lid, van de Wahv houdt in:

“De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats waar de gedraging is geconstateerd. Bij ministeriële regeling worden het model van de beschikking en dat van de aankondiging van de beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het model moet voldoen.”

16. Artikel 2, eerste lid, van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie (hierna: de Regeling), die krachtens artikel 4, eerste lid, van de Wahv is vastgesteld, houdt, voor zover hier van belang, in:

“Het model van de beschikking, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften vermeldt in ieder geval:

(…) b. de gedraging, alsmede het overtreden voorschrift”.

17. Artikel 4, eerste lid, van de Wahv beoogt te verzekeren dat het een betrokkene, aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd, redelijkerwijs duidelijk is op welke gedraging die sanctie is gebaseerd en, als hij daar aanleiding voor ziet, waartegen hij zich heeft te verdedigen. De bepaling in de Regeling dat de beschikking ook het overtreden voorschrift moet bevatten, is een nadere uitwerking van dat uitgangspunt.

18. Met de gemachtigde constateert het hof dat het overtreden voorschrift niet is vermeld in de sanctiebeschikking. De vraag is of de betrokkene hierdoor in zijn belangen is geschaad. In eerdere zaken waarin het hof deze vraag bevestigend heeft beantwoord, werd pas in hoger beroep duidelijk op grond van welk voorschrift de aan de betrokkene opgelegde sanctie is opgelegd. In deze zaak is echter ter zitting van de kantonrechter duidelijk geworden dat de onderhavige gedraging een overtreding betreft van het bepaalde in artikel 5:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De gemachtigde is op de juiste wijze opgeroepen voor die zitting, maar heeft de rechtbank bericht niet te zullen verschijnen. De gemachtigde had aldus op dat moment kunnen vernemen op de overtreding van welk voorschrift de inleidende beschikking is gebaseerd. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat de gemachtigde zich voldoende tijdig en adequaat heeft kunnen verweren tegen de opgelegde sanctie. Ook in hoger beroep bestaat nog steeds deze mogelijkheid verweer te voeren met betrekking tot de APV-bepaling. Dit heeft de gemachtigde niet meer gedaan. Er zijn geen belangen geschaad. De stelling van de gemachtigde, dat de kantonrechter de gedraging niet nader had mogen duiden, vindt geen steun in het recht. De rechter kent immers het recht (ius curia novit) en moet dat recht ook toepassen.

19. De gemachtigde voert verder aan dat onvoldoende vaststaat dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd daartoe bevoegd was. In deze zaak is de ambtenaar beëdigd door [B] . Deze functionaris werkt niet onder de verantwoordelijkheid van de mandaatgever (de Minister voor Rechtsbescherming). Daarom dient op grond van artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht een mandaatbesluit voorhanden te zijn, waarin de Minister [B] mandateert om uit zijn naam boa’s te beëdigen. Dit mandaatbesluit ontbreekt. Ook blijkt uit het proces-verbaal van beëdiging niet wat de functie was van [B] , zodat niet kan worden vastgesteld dat hij/zij bevoegd was om boa’s te beëdigen.

20. Het hof stelt voorop dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar het uitgangspunt is (vgl. het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797). Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan over de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties, is hiervoor onvoldoende.

21. Uit het zaakoverzicht volgt dat de onderhavige sanctie is opgelegd door een ambtenaar die als boa is beëdigd bij akte met nummer 6049617/0. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om daaraan te twijfelen. De enkele omstandigheid dat zich in het dossier niet de door de gemachtigde genoemde informatie bevindt, is hiervoor onvoldoende. Geen rechtsregel schrijft immers voor dat deze informatie zich in het dossier moet bevinden.

22. Ten aanzien van de gedraging stelt de gemachtigde dat aan de hand van de foto's en de verklaringen van de ambtenaar niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene geparkeerd stond op een (onderhouden) groenstrook of in een parkje. Het betreffende terrein is een braakliggend terrein met wat bomen en wordt voor geen ander doel dan als parkeerplek gebruikt. Ter onderbouwing hiervan zijn door de gemachtigde foto's overgelegd van de situatie ter plaatse. Een enkele boom maakt, ook volgens het arrest van het hof van 22 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:407), nog niet dat sprake is van een groenstrook met beplanting van enige betekenis. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 11 juli 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:6064) en een aantal foto's die in de praktijk als berm worden aangemerkt, meent de gemachtigde dat de locatie waar het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond niet als groenstrook maar als berm dient te worden aangemerkt.

23. De onderhavige gedraging is een overtreding van artikel 5:11 de APV van de gemeente Amersfoort, dat luidt:

“1. Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

2. Dit verbod is niet van toepassing:
a. op de weg (…).

24. Er bestaat geen wettelijke definitie van de begrippen park, plantsoen, openbare beplanting of groenstrook. In een berm mag in principe worden geparkeerd, terwijl dat in een groenstrook doorgaans niet is toegestaan. Bij de bepaling of iets al dan niet als berm of groenstrook kan worden aangemerkt, is doorslaggevend hoe het terrein zich aan de gemiddelde weggebruiker voordoet.

25. In een aanvullend proces-verbaal van 16 november 2017 verklaart de ambtenaar onder meer het volgende:
"Op de Daan Fockemalaan ter hoogte van de leerschool zijn geen parkeervakken. Bestuurders mogen hun voertuigen met twee wielen op de stoep parkeren mits zij geen voetgangers hinderen en zij mogen hun voertuigen in de berm parkeren (zie blauwe pijl bijlage A). Zij mogen niet over het fietspad rijden om daarna in het groen te parkeren (zie rode pijl bijlage A).
Er is hier geen sprake van berm. Het groen dat aan de wegkant ligt heeft een stoeprand. De stoeprand heeft een hoogte die de weg met het groen scheidt. Een ander gedeelte van het groen wordt door een fietspad met de weg gescheiden. Dit is tevens de aanrij route van de voertuigen die in het groen parkeren (zie bijlage B)."

Op de door de ambtenaar bijgevoegde foto's van de gedraging is te zien dat het voertuig van de betrokkene in het stuk groen staat dat met een fietspad van de weg wordt gescheiden.

26. Het dossier bevat meerdere foto's van de situatie ter plaatse. Op de foto's van de gedraging is te zien dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd staat op een stuk groen dat naast het fietspad ligt, zoals door de ambtenaar is aangeduid met de rode pijl op de foto van bijlage A. Dat stuk groen is met een verhoogde rand van de rijbaan en met een opsluitband van het fietspad gescheiden. Aan de andere kant van het fietspad bevindt zich ook een grasstrook, waaraan een voetpad grenst. Op het stuk groen staan meerdere bomen en die bomen staan (ongeveer) in het verlengde van de bomen op het stuk groen aan de andere kant van de rijbaan. Het hof is van oordeel dat het stuk groen waar het voertuig geparkeerd stond zich niet als berm maar als groenstrook voordoet. Dit brengt mee dat het voertuig van de betrokkene in strijd met artikel 5.11 van de APV Amersfoort stond geplaatst.

27. De omstandigheid dat ter plaatse een tekort aan parkeerplaatsen is waardoor vrijwel iedereen op de betreffende groenstrook parkeert, levert geen rechtvaardiging op voor het overtreden van de geldende regels. Aldus is de sanctie terecht opgelegd.

28. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter juist heeft beslist. Het hof zal die beslissing, zij het met verbetering van gronden vanwege het onder 9. vastgestelde motiveringsgebrek, bevestigen.

29. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Verstraaten, als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.