Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3918

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
21-003951-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling tot een voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 40 uren, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003951-20

Uitspraak d.d.: 21 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 26 oktober 2020 met parketnummer 18-205751-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. E.M. Bakx, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte op 26 oktober 2020 veroordeeld ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 11 augustus 2020 te [plaats] [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door haar mondeling de woorden toe te voegen: "ik ga je slaan" en/of met een mes in haar richting te wijzen en/of met een mes in haar richting te zwaaien;


2.
hij op of omstreeks 11 augustus 2020 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door haar op/tegen het lichaam te slaan.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 11 augustus 2020 te [plaats] [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door haar mondeling de woorden toe te voegen: "ik ga je slaan" en met een mes in haar richting te wijzen en te zwaaien.


2.
hij op 11 augustus 2020 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door haar tegen het lichaam te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 11 augustus 2020 schuldig gemaakt aan bedreiging en mishandeling van [benadeelde partij] door tegen haar te zeggen dat hij haar ging slaan en met een mes in haar richting te wijzen en te zwaaien. Ook heeft hij haar tegen haar lichaam geslagen. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof begrijpt dat verdachte zich die dag, gelet op zijn beperking, in een voor hem complexe situatie bevond, maar dat rechtvaardigt het handelen van verdachte niet. Verdachte had dit niet mogen doen en moet daarom de consequenties van zijn handelen onder ogen zien. Dat geldt te meer nu het slachtoffer bij verdachte thuis aanwezig was om hulp te bieden in de zich daar op dat moment voordoende crisissituatie.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 maart 2021. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld is voor strafbare feiten. Dit zijn evenwel geen soortgelijke strafbare feiten.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Van belang is dat verdachte een licht verstandelijke beperking (TIQ 55) heeft en ADHD. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte voldoende aanknopingspunten om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Op dit moment woont verdachte begeleid via de organisatie [naam] waar hij 24-uursbegeleiding ontvangt. Daarmee wordt volgens de raadsvrouw gepoogd om verdachte niet te laten ontsporen en voor hem een stabiele leefomgeving te creëren waarin hem wordt geleerd hoe hij alledaagse dingen moet aanpakken. De deelname hieraan is vrijwillig en het lijkt erop dat dit kader een uitkomst is voor de onstabiele leefsituatie van verdachte.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen is bewezenverklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, passend. Van deze straf gaat een waarschuwing naar verdachte uit, zodat hij zich ervan bewust is dat zijn handelen fout was. Het hof legt de werkstraf geheel voorwaardelijk op, zodat het traject van begeleid wonen waaraan verdachte momenteel vrijwillig deelneemt niet verder gecompliceerd of doorkruist wordt. Een deels voorwaardelijke taakstraf zou betekenen dat verdachte een deel moet werken, hetgeen ook contact met instanties en bijbehorende verplichtingen betekent. Het hof acht dit, gelet op het pleidooi van de raadsvrouw, nu niet opportuun en zal een dergelijke straf daarom niet opleggen. Hiermee lijkt ook aan het belang van het slachtoffer tegemoet te worden gekomen, nu zij in haar slachtofferverklaring expliciet heeft aangegeven dat het haar met name erom gaat dat verdachte de hulp krijgt die hij nodig heeft. Daaraan lijkt thans te zijn voldaan. In tegenstelling tot hetgeen de advocaat-generaal subsidiair vordert, ziet het hof met inachtneming van het voorgaande, geen aanleiding om daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden of een aanvullende reclasseringsrapportage op te laten maken omtrent de toepasselijkheid van bijzondere voorwaarden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Rietveld, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. G.A. Versteeg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Janssen, griffier,

en op 21 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.