Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3899

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
200.263.719/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft op een veiling een hengst gekocht van geïntimeerde. Het staat inmiddels vast dat het paard is behept met het gebrek hanentred, waardoor het niet langer geschikt is als dressuurpaard en evenmin kan worden ingezet voor de fokkerij. Vraag is wanneer het gebrek is ontstaan, voor of na de aflevering. Op grond van diverse getuigenverklaringen acht het hof bewezen dat het gebrek is ontstaan tussen de veiling en het moment van aflevering, waardoor het paard niet aan de overeenkomst beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.263.719/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6355625 \ CV EXPL 17-11562)

arrest van 20 april 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. D.F. Berkhout, die kantoor houdt te Amsterdam,

tegen

1 Purioso Hoeve B.V.,

gevestigd te [B] ,

hierna: Purioso Hoeve,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde2],

3. [geïntimeerde3] Horses B.V.,

gevestigd te [B] ,

hierna: [geïntimeerde3] Horses,

4. [geïntimeerde4] Holding B.V.,

gevestigd te [B] ,

hierna: [geïntimeerde4] Holding,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s,

advocaat: mr. M.J.A. Weda, die kantoor houdt te Haarlem.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 24 maart 2020 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 12 januari 2021 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De beoordeling van het principaal en het incidenteel hoger beroep

Bevoegdheid Nederlandse rechter

2.1

Aangezien [appellante] woonplaats heeft in Noorwegen heeft deze zaak internationale aspecten en moet de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is.

2.2

Dat is het geval. Het geschil betreft een burgerlijke en handelszaak als bedoeld in artikel 1 van het EVEX-Verdrag 2007, PbEU L 339. Op grond van artikel 2, lid 1 van dit verdrag is de Nederlandse rechter bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen, nu [geïntimeerde2] woonachtig is in Nederland, en Purioso Hoeve, [geïntimeerde3] Horses en

[geïntimeerde4] Holding gevestigd zijn in Nederland.

Het van toepassing zijnde recht

2.3

De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 24 juli 2018 vastgesteld dat Nederlands recht van toepassing is op de vordering van [appellante] . Nu hier geen grieven tegen naar voren zijn gebracht heeft ook het hof uit te gaan van de toepassing van Nederlands recht.

De feiten

2.4

Naar aanleiding van grief I stelt het hof voorop dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. Met inachtneming van dat uitgangspunt staan tussen partijen de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

2.5

Purioso Hoeve houdt zich bezig met de handel in sportpaarden en de bemiddeling in die handel. [geïntimeerde2] was tot 4 maart 2015 bestuurder van Purioso Hoeve. Op die datum heeft [geïntimeerde2] de Stichting Administratiekantoor [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] Holding en

[geïntimeerde4] Horses opgericht. Vanaf dat moment is [geïntimeerde2] bestuurder van [geïntimeerde3] Holding en is [geïntimeerde3] Holding bestuurder van Purioso Hoeve en [geïntimeerde4] Horses.

2.6

Op 7 februari 2015 heeft de KWPN Select Sale 2015 (hierna: de veiling) plaatsgevonden in de Brabanthallen in 's-Hertogenbosch. Op die veiling heeft Purioso Hoeve de dressuurhengst [het paard] te koop aangeboden. [het paard] is geboren op 3 mei 2012 en als veulen door Purioso Hoeve in september 2012 gekocht en opgefokt. Hij heeft al die tijd op de stal van Purioso Hoeve verbleven. [het paard] is door KWPN aangemerkt als een "premium horse".

2.7

[appellante] heeft [het paard] op de veiling gekocht voor een bedrag van € 300.000,-, exclusief veilingkosten. Op 10 februari 2015 heeft [appellante] de koopprijs betaald.

2.8

Op dinsdag 17 februari 2015 heeft [geïntimeerde2] in de avond [het paard] afgeleverd te Katrinelund, Denemarken, waar [het paard] door [C] (hierna: [C] ) en

[D] (hierna: [D] ) direct in zijn box is gezet.

2.9

De Noorse advocaat van [appellante] heeft op 29 mei 2015 Purioso Hoeve en

KWPN Select Sale (KSS) het volgende geschreven:

" [het paard] - RECISSION OF PURCHASE CONTRACT

The undersigned is engaged by [appellante] in connection with detected material defects on the horse " [het paard] " acquired through the KSS Select Sale on

7 February 2015. We refer to [appellante] ’s previous contact with KSS and the seller regarding this.

Given especially the content of three veterinary reports (dated 17 February, 23 February and 2 March), abnormal behaviour due to gait problem (stringhalt) and the content of the report of Dr. [E] dated 29 April and Dr. [F] dated 20 May 2015, both from the examination of [het paard] . on 18 April, it is clear that the horse has material defects on the date of sale. The horse has no value for neither dressage or breeding purposes.

Therefore, we hereby, on behalf of [appellante] , cancel and dissolve the purchase of the horse [het paard] . Because of the cancellation and rescission of the purchase, the seller/KSS shall repay the purchase price of EUR 300.000,- to the [appellante]

and [appellante] shall return the horse to seller/KSS.

(...)"

2.10

Op 8 december 2015 heeft [appellante] een verzoekschrift ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en op 16 januari 2016 heeft zij om een uitbreiding hiervan verzocht. Op 18 februari 2016 is het verzoek toegewezen, waarna de getuigenverhoren zijn gehouden op respectievelijk 1 en 5 september 2016 en 11 en 12 januari 2017.

2.11

Op 1 juni 2017 heeft [appellante] een verzoek om verlof tot beslaglegging ingediend welk verlof haar is verleend, waarna op 2 juni 2017 beslag is gelegd op de bankrekeningen van [geïntimeerden] c.s. en op 6 juni 2017 op een onroerende zaak van [geïntimeerde2] .

Het geschil in eerste aanleg

2.12

[appellante] heeft in conventie ten aanzien van Purioso Hoeve gevorderd:

I. Primair voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst tussen [appellante] en

Purioso Hoeve met betrekking tot het paard [het paard] van 7 februari 2015 door [appellante] buitengerechtelijk is ontbonden op 29 mei 2015.

Subsidiair voor recht te verklaren dat deze koopovereenkomst door [appellante] buitengerechtelijk is vernietigd op 29 mei 2015.

Meer subsidiair de ontbinding of vernietiging van de koopovereenkomst bij vonnis uit te spreken.

II. Purioso Hoeve te veroordelen om binnen 14 dagen na de datum van het te wijzen vonnis, aan [appellante] te betalen een bedrag van € 300.000,-, alsmede een bedrag ter vergoeding van de door [appellante] geleden en nog te lijden schade, voor zover nodig nader op te maken bij staat, op de datum van deze dagvaarding begroot op € 63.160,82, voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan het moment van algehele voldoening.

III. Purioso Hoeve te veroordelen om binnen 14 dagen na de datum van het te wijzen vonnis [het paard] af te halen in Katrinelund, Denemarken.

IV. Purioso Hoeve te veroordelen in de kosten van de procedure en kosten van de voorlopige getuigenverhoren op 1 en 5 september 2016 en 11 en 12 januari 2017, waaronder de taxes van de getuigen, begroot op € 12.555,15, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

2.13

[appellante] heeft ten aanzien van [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] Horses en [geïntimeerde4] Holding gevorderd:

I. Voor recht te verklaren dat [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] Horses en [geïntimeerde4] Holding onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellante] .

II. [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] Horses en [geïntimeerde4] Holding hoofdelijk - met Purioso Hoeve - te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis, aan [appellante] te betalen een bedrag van € 300.000,-, alsmede een bedrag ter vergoeding van de door [appellante] geleden en nog te lijden schade, voor zover nodig nader op te maken bij staat, op de datum van deze dagvaarding begroot op € 63.160,82, voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan het moment van algehele voldoening.

III. [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] Horses en [geïntimeerde4] Holding hoofdelijk - met Purioso Hoeve - te veroordelen in de kosten van deze procedure en kosten van de voorlopige getuigenverhoren op 1 en 5 september 2016 en 11 en 12 januari 2017, waaronder de taxes van de getuigen, begroot op € 12.555,15, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

2.14

Purioso Hoeve heeft in reconventie gevorderd om [appellante] te gebieden de gelegde conservatoire beslagen, zoals omschreven in het beslagrekest van 1 juni 2017, op te heffen binnen vijf dagen na vonnis en te bepalen dat [appellante] een dwangsom van € 5.000,- verschuldigd is per dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke mocht blijven aan de voornoemde vordering te voldoen. Verder heeft Purioso Hoeve gevorderd om [appellante] in reconventie te veroordelen in de kosten van het geding.

2.15

De kantonrechter heeft in conventie de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar veroordeeld in de kosten van de procedure.

2.16

In reconventie heeft de kantontrechter [appellante] op straffe van verbeurte van een dwangsom gelast de onder [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] Horses en [geïntimeerde4] Holding gelegde beslagen op te heffen.

De beoordeling van de vorderingen in het principaal hoger beroep ten aanzien van

Purioso Hoeve

2.17

[appellante] heeft op de veiling [het paard] gekocht. Tussen partijen is niet langer in geschil dat [het paard] lijdt aan een gebrek dat in het spraakgebruik hanentred wordt genoemd. Als gevolg van dat gebrek is [het paard] niet langer geschikt als dressuurpaard en vertegenwoordigt hij ook als dekhengst geen waarde meer. Daarmee beantwoordt [het paard] niet aan de tussen [appellante] en Purioso Hoeve tot stand gekomen koopovereenkomst.

Wat partijen met name verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of de hanentred is ontstaan voor of na de aflevering van [het paard] aan [appellante] op Katrinelund in de avond van dinsdag 17 februari 2015.

2.18

In dat verband hebben partijen een uitvoerig debat gevoerd over de bewijslastverdeling. [appellante] heeft betoogd dat er sprake is van een consumentenkoop als bedoeld in artikel 7:5 BW, zodat op grond van artikel 7:18 lid 2 BW moet worden vermoed dat [het paard] bij aflevering het gebrek al vertoonde. [geïntimeerden] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een consumentenkoop, zodat [appellante] in overeenstemming met de hoofdregel van bewijsrecht neergelegd in artikel 150 Rv moet bewijzen dat [het paard] bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Of er sprake is geweest van een consumentenkoop kan echter in het midden blijven. Voor de uitkomst van de bewijslevering maakt het in dit geval naar het oordeel van het hof geen verschil of [geïntimeerden] c.s. het tegendeel van het bewijsvermoeden moeten leveren, dan wel [appellante] moet bewijzen dat [het paard] niet aan de overeenkomst beantwoordde. In beide gevallen acht het hof namelijk bewezen dat [het paard] bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.19

Het staat vast dat [geïntimeerde2] op dinsdag 17 februari 2015 persoonlijk met zijn eigen vrachtauto [het paard] van de Purioso Hoeve in [B] naar Katrinelund in Denemarken heeft vervoerd. Hij is daar gearriveerd omstreeks 20:00 uur. [het paard] is volgens de getuigenverklaring van [C] , medewerkster van Katrinelund, door haar uitgeladen en meteen door haar in een box geplaatst. De box bevond zich op circa 5 meter van de vrachtauto. Aansluitend heeft zij [het paard] samen met [D] gedurende een uur geobserveerd. Daarbij hebben zij geen bijzonderheden waargenomen. Ook de volgende ochtend heeft zij [het paard] in de box zien staan en geen bijzonderheden gezien. Later die ochtend heeft zij gezien dat [het paard] aan de hand van een stalmedewerker langs haar liep en toen zijn achterbenen hoog optilde. Op zaterdag heeft zij [het paard] gezien tijdens een training door [G] (hierna [G] ), eveneens medewerkster van Katrinelund, en zag zij opnieuw dat [het paard] de benen zo hoog optilde. Zondag heeft zij nogmaals gezien dat [het paard] zijn achterbenen hoog optilde. Zij had nog nooit gezien dat een paard zo bewoog. Zij heeft verklaard dat er met [het paard] niets gebeurd is op stal, want zij heeft nooit letsel bij hem gezien.

2.20

[H] (hierna [H] ), administratief medewerkster van Katrinelund, heeft als getuige verklaard dat zij op woensdag 18 februari 2015 heeft gezien dat [D] (hierna [D] ) [het paard] uit de box heeft gehaald en hem heeft meegenomen naar de rijhal. [I] (hierna [I] ), eigenaar van Katrinelund, was daar ook bij aanwezig. [H] heeft gezien dat [het paard] aan de longe een paar rondjes in stap ging en vervolgens in draf werd gebracht. Zij merkte dat hij overreageerde op de achterbeenbeschermers omdat hij zijn benen extreem hoog optilde Dit gebeurde met beide achterbenen.

2.21

[G] heeft als getuige verklaard dat zij [het paard] voor het eerst heeft gezien op zaterdag 21 februari 2015. Toen zij [het paard] meetrok uit de box merkte zij al dat hij vreemd liep. Het paard liep volgens haar onnatuurlijk op zijn achterbenen en nam onnatuurlijke en krampachtige stappen, vooral met het rechterachterbeen. In de rijhal heeft zij het paard eerst een paar rondjes laten stappen aan de longe. Daarna ging het paard in draf en heeft zij hem tussen de twee en maximaal vijf minuten in draf laten lopen. Zij heeft het paard gestopt en haar baas [I] gebeld, omdat zij meteen herkende dat

[het paard] hanentred had.

2.22

[I] zei dat zij het paard moest filmen en het filmpje naar hem moest toesturen. Volgens haar reageerde [I] door te vertellen dat hij ook zelf had gezien dat het paard wat anders liep maar dat hij dacht dat het door de beschermers kwam. Dat had hij namelijk op woensdag al gezien. Zij heeft verder verklaard dat bij het uit de stal halen van

[het paard] hij beenbeschermers om had. Die hebben ze er daarna afgehaald om te zien hoe het was zonder beenbeschermers. Volgens haar was geen verschil te zien, maar was er wel een duidelijk verschil tussen links en rechts. Rechts was meer krampachtig, zowel zonder als met beschermers.

2.23

[I] heeft als getuige verklaard dat hij [het paard] voor het eerst op dinsdagavond 17 februari 2015 heeft gezien toen hij in de box stond. Het paard stond er rustig bij. [I] was op 18 februari 2015 aanwezig toen het paard voor het eerst uit de stal werd gehaald. Hij liep achter het paard vanuit de stal naar de rijhal en had het paard in de rijhal aan de longe. De eerste avond heeft hij het paard niet zien bewegen, maar bij de eerste stap die

[het paard] uit de box zette de volgende dag zag hij dat het paard abnormaal liep. Tijdens het longeren zag hij een abnormaal bewegingspatroon aan beide achterbenen. Hij dacht dat dit te maken had met de beenbeschermers die het paard had gedragen. Ook tijdens het longeren op 18 februari 2015 droeg het paard aan alle vier benen beenbeschermers. De abnormale gang was vooral rechts te zien. Het paard tilde de benen heel hoog op. Het leek volgens [I] een beetje spastisch. Maar dit beeld vond hij niet abnormaal na het gebruik van beenbeschermers bij het transport. Op 21 februari 2015 heeft [G] op zijn verzoek [het paard] naar buiten gebracht en video-opnames gemaakt. Het beeld dat te zien is op deze opnames is volgens hem hetzelfde beeld als op woensdag en vrijdag. Volgens [I] zijn er tijdens het verblijf in zijn stal geen ongelukken gebeurd met [het paard] .

2.24

[D] , leerling berijder bij Katrinelund, heeft als getuige verklaard dat zij [het paard] voor het eerst heeft gezien op de dinsdagavond dat hij werd gebracht. Zij was op dat moment samen met [C] aanwezig op Katrinelund en hebben [het paard] uit de vrachtauto gehaald en naar zijn box gebracht. Daar hebben zij gewacht tot hij volledig tot rust was gekomen. Er zijn haar geen bijzonderheden opgevallen. De woensdag daarop heeft zij [het paard] uit de box gehaald om erop te gaan rijden. [I] was er ook bij toen ze hem naar de rijhal brachten. Ze zijn begonnen met longeren en zijn van het begin af aan met hem aan het werk gegaan met de bedoeling om hem aan [D] als berijder te laten wennen. Zij heeft die woensdag ook op [het paard] gereden. [I] hield de longe vast en zij bereed hem in draf. Volgens [D] viel aan de gang van [het paard] aan de longe niks op te merken. Zij noemt zijn gang in draf imposant. Zelf heeft ze niet gezien dat [het paard] hanentred had. [D] heeft verder verklaard dat zij van [I] voor het weekeinde heeft gehoord dat [het paard] met zijn benen trok. Dat was meteen de eerste dag.

2.25

[geïntimeerde2] heeft als getuige verklaard dat hij nooit hanentred heeft waargenomen bij [het paard] . Op 7 februari 2015 is [het paard] in de Brabant Hallen aan de longe getoond voor een koperspubliek en een uur voor de veiling ook nog aan de dierenartsen. Hij weet dat zijn vrouw [J] [het paard] bij de box heeft getoond aan [appellante] in aanwezigheid van de dierenarts van [appellante] . Na de verkoop heeft zijn vrouw in opdracht van [appellante] [het paard] zadelmak gemaakt. [het paard] is bij hem nooit gevallen en heeft ook geen ander trauma opgelopen.

2.26

[J] heeft als getuige verklaard dat zij drie keer heeft gereden op [het paard] . Van de laatste keer is een filmpje gemaakt. Dat was op de dag voor het vertrek naar Denemarken. Zij en haar man hebben het filmpje verstuurd naar [appellante] om te laten zien dat het paard aan de lijn was bereden en dat het goed ging. Ze hebben dit filmpje ook naar KWPN gestuurd. Ook volgens [J] is [het paard] nooit gevallen en heeft hij ook geen ander trauma opgelopen.

2.27

[K] (hierna [K] ), de hoefsmid van Purioso Hoeve, heeft als getuige verklaard dat hij [het paard] de dag voor zijn vertrek nog heeft gezien en beslagen. Hij heeft die dag [het paard] van vier nieuwe hoefijzers voorzien. [het paard] is normaal komen aanlopen en ook na afloop heeft hij geen bijzonderheden gemerkt, ook niet tijdens het stappen.

2.28

[L] (hierna [L] ), de dierenarts van Purioso Hoeve, heeft als getuige verklaard dat bij zijn weten [het paard] voor de veiling geen trauma heeft opgelopen. Er is hem in ieder geval niets daarvan gebleken in het klinisch- en röntgenologisch onderzoek dat hij heeft uitgevoerd.

2.29

[M] (hierna [M] ), dierenarts en als zodanig betrokken bij de veiling, heeft als getuige verklaard, dat de dierenartsen bij de beoordeling of een hengst aan de voorwaarden voldoet röntgenopnamen bekijken, ook vanuit een sporttechnisch oogpunt. Ze beschikken over uitkomsten van laboratoriumonderzoeken en de klinische rapportages. De dierenartsen zijn tijdens de keuring aanwezig en zien de paarden zelf ook tijdens de verschillende bezichtigingen. [het paard] heeft hij zelf gezien tijdens de eerste drie bezichtigingen. [het paard] is na de derde bezichtiging en na de toelating tot de kampioenskeuring tussen 12:00 en 14:00 uur aan hem en collega [N] voorgeleid voor de veterinaire inspectie. Hij heeft tijdens de keuringen en de veiling geen hanentred gezien bij [het paard] .

2.30

[O] (hierna [O] ) heeft als getuige verklaard dat zij als jurylid voor KWPN [het paard] bij de eerste, tweede en derde bezichtiging en ook bij de kampioenskeuring heeft gezien. Bij de veiling heeft ze op de tribune gezeten en [het paard] gezien. Zij heeft geen hanentred waargenomen bij [het paard] en ook geen enkel moment reden gehad om daaraan te twijfelen.

2.31

Het hof stelt vast dat op grond van de verklaringen van [geïntimeerde2] , [J] , [K] , [L] , [M] en [O] ervan moet worden uitgegaan dat [het paard] voor en tijdens de veiling niet was behept met hanentred.

2.32

Anderzijds blijkt uit de verklaringen van [C] , [G] , [H] , [I] en [D] , bezien in hun onderlinge samenhang, dat meteen al de dag na aankomst op Katrinelund is gesignaleerd dat [het paard] hanentred had. [D] heeft dat weliswaar niet zelf waargenomen, maar heeft wel van [I] al op de eerste dag gehoord dat [het paard] met zijn benen trok. Voor het ontstaan van het gebrek in de nacht van dinsdag 17 op

woensdag 18 februari 2015 zijn geen aanwijzingen. [het paard] stond rustig in zijn box en zijn begeleiders hebben geen bijzonderheden geconstateerd. Het hof acht daarom bewezen dat [het paard] bij aflevering leed aan het gebrek hanentred en daardoor niet aan de overeenkomst tussen [appellante] en de Purioso Hoeve beantwoordde.

2.33

Het feit dat [I] , [C] , [G] [H] , en [D] , eigenaar, respectievelijk medewerker of oud medewerker van Katrinelund zijn doet niet af aan de geloofwaardigheid van hun verklaringen. Hun verklaringen zijn zodanig gedetailleerd dat het hof het onwaarschijnlijk acht dat ze vooraf op elkaar zijn afgestemd. De verklaring van [D] is in dit verband niet doorslaggevend. Ook volgens haar heeft [I] meteen woensdag gezegd dat [het paard] met zijn benen trok.

2.34

Met deze bewezenverklaring ontvalt de grond aan de stelling van [geïntimeerden] c.s. dat het gebrek bij [het paard] op donderdag 19 februari 2015 kan zijn ontstaan bij het verdoven ten behoeve van het knippen van zijn haren, dan wel op vrijdag 20 februari 2015 toen [het paard] werd bereden door [D] en plotseling stopte, waardoor [D] eraf viel.

2.35

Het moet er naar het oordeel van het hof al met al voor worden gehouden dat het gebrek is ontstaan ergens in de periode tussen de veiling op 7 februari 2015 en het tijdstip van aflevering op 17 februari 2015. In die periode kwam het ontstaan van gebreken nog voor risico en rekening van Purioso Hoeve (artikel 7:10 lid 1 BW), zodat zij over die periode ook het bewijsrisico draagt. Weliswaar hebben [geïntimeerde2] en [J] verklaard dat zij in die periode geen hanentred bij [het paard] hebben waargenomen, maar die verklaringen heeft Purioso Hoeve niet voldoende onderbouwd. Zo heeft zij geen kopie in het geding gebracht van het filmpje dat is gemaakt van [het paard] toen hij werd bereden door [J] . Evenmin is er een opname van de aflevering of een verklaring van de zijde van [appellante] beschikbaar waaruit blijkt dat [het paard] bij aflevering geen gebreken had. De verklaring van [K] strekt niet verder dan de dag voor vertrek naar Denemarken. Daardoor valt niet uit te sluiten dat het gebrek is ontstaan tijdens het transport, ook al heeft [geïntimeerde2] ter comparitie verklaard dat hij [het paard] door middel van een camera tijdens het transport naar Denemarken regelmatig in de gaten heeft gehouden.

2.36

Nu is komen vast te staan dat [het paard] bij de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde zal het hof voor recht verklaren dat de koopovereenkomst tussen [appellante] en Purioso Hoeve met betrekking tot het paard [het paard] van

7 februari 2015 door [appellante] buitengerechtelijk is ontbonden op 29 mei 2015.

2.37

Het in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep te bespreken verweer van Purioso Hoeve dat op grond van artikel 12 van de Veilingvoorwaarden

KWPN Select Sale 2015 (hierna de veilingvoorwaarden) het risico met betrekking tot het paard overgaat van de verkoper op de koper op het moment van gunning treft geen doel. Zoals ook de rechtbank in het vonnis in het incident van 27 september 2017 heeft overwogen staat in artikel 3 van de veilingvoorwaarden namelijk vermeld dat de veilingvoorwaarden van toepassing zijn op de relatie tussen KSS en de verkoper en op de relatie tussen KSS en de koper. Daarmee zijn zij niet rechtstreeks van toepassing in de verhouding tussen [appellante]

en Purioso Hoeve.

2.38

Maar ook in het geval de veilingvoorwaarden wel rechtstreeks van toepassing zouden zijn geweest kan Purioso Hoeve dat niet baten, omdat zij in afwijking van de artikelen 51 en 53 van de veilingvoorwaarden de zorg voor [het paard] op zich heeft genomen tot en met de aflevering in de avond van 17 februari 2015, dus ook na de betaling van [het paard] op 10 februari 2015.

2.39

Purioso Hoeve zal verder worden veroordeeld om binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, aan [appellante] een bedrag te betalen van € 300.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2015 tot de dag van algehele voldoening.

2.40

[appellante] heeft van Purioso Hoeve vergoeding gevorderd van de door haar geleden en nog te lijden schade, voor zover nodig nader op te maken bij staat, vooralsnog begroot op € 63.160,82, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan het moment van algehele voldoening. Het bedrag van € 63.160,82 bestaat uit verschillende delen, die het hof hierna afzonderlijk zal bespreken.

2.41

[appellante] heeft aan KSS € 35.445,- aan veilingkosten betaald. Dit feit is voldoende onderbouwd met het bankafschrift dat als productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd. Het betreft, anders dan Purioso Hoeve heeft gesteld, schade die rechtstreeks voortvloeit uit de ontbinding van de koopovereenkomst. De veilingkosten zijn daarom aan te merken als schade die voor vergoeding op grond van artikel 6:74 lid 1 BW in aanmerking komt.

2.42

Ter zake van stalling en verzorging van [het paard] heeft [appellante] een bedrag van € 23.079,35 gevorderd over de periode van 17 februari 2015 tot en met maart 2017. Dit komt neer op een bedrag van € 30,- per dag. Het hof acht dat redelijke kosten voor de verzorging van een paard dat voor € 300.000,- is verkocht. Dat [appellante] niet is ingegaan op het aanbod van Purioso Hoeve om [het paard] bij haar te stallen gedurende de loop van de procedure acht het hof niet onredelijk, nu het nog steeds het paard van [appellante] was. De kosten zijn bovendien voldoende onderbouwd met facturen en betalingsbewijzen. Daarom komen ook deze kosten als schade voor vergoeding in aanmerking.

2.43

Hetzelfde als hiervoor is overwogen met betrekking tot de kosten van stalling en verzorging geldt voor de kosten van de hoefsmid van totaal € 840,95. De kosten voor [het paard] zijn op de facturen voldoende uitgesplitst.

2.44

[appellante] heeft tevens vergoeding gevorderd van de onderzoekskosten die zij heeft gemaakt om vast te stellen dat [het paard] hanentred had. Het betreft een bedrag van € 2.846,53 voor onderzoeken door dr. [P] en € 948,99 voor advies door dr. [Q] .

De kosten van dr. [P] zijn niet betwist door Purioso Hoeve, zodat het hof die op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW als schadevergoeding zal toewijzen.

Daarentegen is, zoals Purioso Hoeve heeft gesteld, niet duidelijk geworden waarom het inschakelen van dr. [Q] noodzakelijk was. De vordering zal in zoverre worden afgewezen.

2.45

Het totaal aan schadevergoeding komt daardoor neer op

(€ 35.445,- + € 23.079,35 + € 840,95 + € 2.846,53 =) € 62.211,83. Het hof zal de vordering tot vergoeding van de meerdere schade, nader op te maken bij staat, eveneens toewijzen, omdat de schade nog niet volledig vast staat. Zo zijn de kosten van stalling en verzorging van [het paard] ook blijven doorlopen na maart 2017.

2.46

Verder zal Purioso Hoeve worden veroordeeld om binnen veertien na dagtekening van dit arrest [het paard] af te halen van de stal in Katrinelund, Denemarken.

2.47

Purioso Hoeve zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Anders dan [appellante] heeft bepleit ziet het hof geen aanleiding om in afwijking van het liquidatietarief de werkelijke kosten van de advocaat voor vergoeding in aanmerking te brengen. In eerste aanleg zullen de kosten van het incident in navolging van de rechtbank worden gecompenseerd. De overige kosten in eerste aanleg, waaronder de kosten van de voorlopige getuigenverhoren en het beslag, worden begroot op € 13.591,37 aan verschotten (€ 97,22 kosten dagvaarding,

€ 939,- griffierecht en € 12.555,15 taxen getuigen) en € 15.613,- (6,5 punten, tarief VI, € 2.402 per punt, tarief tot 1 februari 2021) aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

In hoger beroep worden de kosten begroot op € 1.800,90 aan verschotten (€ 116,90 kosten dagvaarding en € 1.684,- griffierecht) en € 10.160,- (2,5 punten, tarief VI, € 4.064,- per punt, tarief per 1 februari 2021) aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten op de wijze als in het dictum vermeld.

2.48

Het tegen Purioso Hoeve meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

De beoordeling van de vorderingen in het principaal hoger beroep ten aanzien van [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] Holding en [geïntimeerde4] Horses

2.49

De vordering van [appellante] om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] Holding en [geïntimeerde4] Horses onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [appellante] zal het hof afwijzen. Daargelaten of de herstructurering van het bedrijf van [geïntimeerde2] onrechtmatig was, staat niet vast dat Purioso Hoeve niet aan de bij dit arrest uit te spreken veroordelingen zal voldoen. Daardoor staat niet vast dat [appellante] schade zal lijden als gevolg van de herstructurering en is niet voldaan aan één van de criteria van artikel 6:162 BW.

Dat betekent tevens dat de grief van [appellante] tegen de opheffing door de rechtbank van de door [appellante] onder [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] Holding en [geïntimeerde4] Horses gelegde conservatoire beslagen faalt.

Het incidenteel hoger beroep

2.50

[geïntimeerden] c.s. komen in het incidenteel hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank en de kantonrechter dat er sprake is van een consumentenkoop.

Aangezien, zoals hiervoor is overwogen, het voor de beoordeling van dit geschil niet nodig is de vraag te beantwoorden of er sprake is van een consumentenkoop, hoeft ook het incidenteel hoger beroep niet verder te worden besproken.

2.51

Het hof zal de kosten van de procedure in het incidenteel hoger beroep compenseren, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

3 De beslissing

Het hof, recht doende,

in het principaal hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van

24 juli 2018 en 26 februari 2019,

en opnieuw recht doende:

verklaart voor recht dat de koopovereenkomst tussen [appellante] en Purioso Hoeve met betrekking tot het paard [het paard] van 7 februari 2015 door [appellante] buitengerechtelijk is ontbonden op 29 mei 2015;

veroordeelt Purioso Hoeve om binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, aan [appellante] een bedrag te betalen van € 300.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2015 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Purioso Hoeve tot betaling van een schadevergoeding van € 62.211,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van de onderscheiden kosten tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Purioso Hoeve tot vergoeding van de meerdere schade die het gevolg is van de ontbinding van de koopovereenkomst, nader op te maken bij staat;

veroordeelt Purioso Hoeve om binnen veertien na dagtekening van dit arrest [het paard] af te halen van de stal in Katrinelund, Denemarken;

veroordeelt Purioso Hoeve in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van [appellante] , vastgesteld in eerste aanleg op € 1036,- aan verschotten en € 15.613,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en in hoger beroep op € 1.800,90 aan verschotten en € 10.160,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met € 163,- voor nasalaris van de advocaat en nogmaals € 85,- indien niet binnen veertien dagen na dagtekening aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in het incidenteel hoger beroep

compenseert de kosten van de procedure in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door mrs. B.J.H. Hofstee, K.M. Makkinga en G.J.M. Verburg en is uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag

20 april 2021 in bijzijn van de griffier.