Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3890

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
200.290.021
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:260, lid 1, en art 1:255, lid 1, BW de gronden voor de ondertoezichtstelling zijn nog steeds aanwezig. Er is nog steeds sprake van strijd tussen de moeder en de vader waarmee de minderjarige wordt belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.290.021

(zaaknummer rechtbank Gelderland 377690)

beschikking van 20 april 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B. Willemsen te Lent, gemeente Nijmegen,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.


Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat mr. J.L. Zegelink te Elst, gemeente Overbetuwe.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, verder: de kinderrechter, van 13 november 2020 en schriftelijk uitgewerkt op 27 november 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 februari 2021;

- het verweerschrift in hoger beroep met producties;

- een journaalbericht van mr. Willemsen van 16 februari 2021 met producties;

- een journaalbericht van mr. Zegelink van 15 maart 2021.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2021 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen [C] en [D] . Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is niemand verschenen.

3 De feiten

3.1

De moeder heeft een relatie gehad met de vader. De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] geboren [in] 2017 te [E] . Zij zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont samen met zijn halfbroer [F] bij de moeder.

3.2

Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 21 november 2020.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 21 november 2021.

4.2

De moeder is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het verzoek strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] wordt afgewezen.

4.3

De GI voert verweer en verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De moeder kan zich met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] niet verenigen. Zij voert aan dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Uit het verslag van de peuterspeelzaal blijkt dat het heel goed gaat met [de minderjarige] . Ook staat de moeder open voor hulpverlening. Dat hulpverlening niet van de grond komt is niet aan de moeder te wijten. De moeder wilde meewerken, maar door de situatie rondom de corona-uitbraak is dit niet gelukt. De moeder verwachtte dat er binnen de ondertoezichtstelling een gedegen onderzoek zou komen naar de situatie bij de vader en dat de gezinsvoogd de regie zou voeren over het contact tussen de vader en [de minderjarige] . De moeder krijgt moeizaam contact met de gezinsvoogd en de gezinsvoogd reageert niet op e-mailberichten. Er zijn zorgen over het gedrag van [de minderjarige] na omgang met de vader en de vader heeft nog geen toestemming gegeven voor de school van [de minderjarige] . De moeder ervaart tegenwerking door de ondertoezichtstelling en heeft haar vertrouwen in de gezinsvoogd verloren. Zij ziet geen toegevoegde waarde in voortzetting van de ondertoezichtstelling. De zorgen rond de heer [G] , de vader van [F] , zijn volgens de moeder onterecht. Hij steunt de moeder in de opvoeding van [de minderjarige] en is voor [de minderjarige] een vaderfiguur.

5.3

De GI voert daartegen aan dat [de minderjarige] belast wordt met de strijd tussen enerzijds de moeder en [G] en anderzijds de vader. De ex-partnerproblematiek in combinatie met de kindeigen problematiek maakt [de minderjarige] kwetsbaar in de huidige situatie. De zorg dat de moeder in haar rol als opvoeder overvraagd en overbelast wordt is niet weggenomen. De moeder heeft moeite om emotioneel aan te sluiten bij [de minderjarige] en bij zijn belevingswereld. [de minderjarige] krijgt niet mee dat hij blij mag zijn om de vader te zien en er is geen ruimte voor emotie bij [de minderjarige] als het over de vader gaat. Hierdoor loopt hij vast in zijn identiteitsontwikkeling. Opvoedondersteuning van [H] , gestart in december 2019, is vastgelopen. Er was geen enkele ruimte bij de moeder om te werken aan de doelen en er was sprake van grensoverschrijdend gedrag (van de heer [G] ) naar de hulpverlener.

Om inzicht te krijgen in de mogelijkheden van de vader vindt de omgang begeleid plaats.

Van januari 2020 tot juni 2020 was dat bij [I] . [de minderjarige] en de vader hadden leuk contact. De bezoeken zijn door de moeder gestopt omdat de moeder aangaf dat [de minderjarige] niet wilde en de heer [G] als zijn vader ziet. Sinds oktober 2020 worden de bezoeken begeleid door [J] . Vanaf februari 2021 zijn de bezoeken door de moeder stopgezet met als redenen corona, dat [de minderjarige] niet goed op de bezoeken reageert en dat de vader geen alimentatie betaalt. Het patroon is dat de moeder de samenwerking niet aangaat. Ook in het vrijwillig kader is die samenwerking niet van de grond gekomen, waardoor een ondertoezichtstelling is uitgesproken. De moeder geeft weinig openheid en inzicht en wil niet dat bepaalde situaties en momenten bij haar thuis worden geobserveerd. De zorg is nog steeds of er voldoende structuur en aandacht is voor [de minderjarige] . De GI heeft te weinig in handen om te weten dat het veilig genoeg is voor [de minderjarige] en de ondertoezichtstelling kan worden afgesloten.

5.4

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de moeder aanvoert, de gronden voor de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal hieronder uitleggen waarom.

5.5

Gebleken is dat de omgangsregeling van [de minderjarige] met de vader niet verloopt conform de gegeven beschikking van de rechtbank en dat de contacten inmiddels geheel zijn gestopt. Dit kan schadelijk zijn voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] . [J] heeft bericht dat [de minderjarige] het fijn leek te vinden om de vader te zien, dat de vader alle afspraken is nagekomen en dat de vader goed bij [de minderjarige] aansloot. Deze waarnemingen sluiten niet aan bij de reden die de moeder heeft gegeven om de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader stop te zetten. Volgens de moeder wilde [de minderjarige] niet meer naar de vader toe en ziet [de minderjarige] de heer [G] als zijn vader. Op de mondelinge behandeling kon de moeder niet duidelijk maken hoe het contact tussen [de minderjarige] en de vader zal worden vormgegeven zonder de ondertoezichtstelling.

5.6

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het voorgaande ook dat nog steeds sprake is van strijd van de moeder met de vader. [de minderjarige] wordt met die strijd belast waardoor hij niet het gewenste contact met zijn vader kan hebben en hij spanningen in het contact met zijn vader ervaart. Door deze onderlinge strijd komt [de minderjarige] in de situatie dat hij tussen beide ouders moet kiezen en wordt zijn (identiteits)ontwikkeling bedreigd. Ook ervaart [de minderjarige] spanningen van de strijd tussen zijn vader en de vader van zijn halfbroertje [F] .

Er is sprake van een complex gezinssysteem waarin de betrokken ouders niet optimaal met elkaar kunnen communiceren en waarin niet de juiste keuzes in het belang van [de minderjarige] worden gemaakt

5.7

De tot nu toe ingezette hulpverlening is door verschillende omstandigheden niet goed van de grond gekomen. Hierdoor is er nog steeds onvoldoende zicht op de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder thuis. De vraag is nog steeds of de moeder voldoende kan aansluiten bij [de minderjarige] en hem kan bieden wat hij nodig heeft voor een goede en gezonde ontwikkeling. Het hof twijfelt er niet aan dat de moeder [de minderjarige] de fysieke basiszorg kan geven die hij nodig heeft. Het is echter de vraag of zij ook de nodige psychische veiligheid aan hem kan bieden.

5.8

Het hof acht het van belang dat de GI ervoor zorgdraagt dat de geplande intake bij [K] wordt doorgezet. Daar is de opdracht neergelegd om te kijken hoe de moeder de opvoeding van [de minderjarige] vorm geeft op momenten dat [de minderjarige] sturing en begeleiding nodig heeft, en welke rol stiefvader (de heer [G] ) in het gezin heeft.

5.9

Het hof vindt het daarnaast ook belangrijk dat de GI duidelijk maakt aan de moeder wat er concreet van haar verwacht wordt om het contact tussen [de minderjarige] en zijn vader op een goede manier vorm te kunnen geven en dat de GI de moeder daarbij helpt tijdens het proces naar onbegeleid contact tussen [de minderjarige] en de vader bij de vader thuis. Zo kan de GI een routekaart maken met de te nemen stappen. Daarin kan bijvoorbeeld als een van de tussenstappen opgenomen worden dat er een huisbezoek bij de vader wordt georganiseerd, zodat de moeder erop kan vertrouwen dat de fysieke veiligheid (en verzorging) van [de minderjarige] bij de vader thuis in orde is.

5.10

Nu verschillende hulpverleningstrajecten in het verleden niet van de grond zijn gekomen of tussentijds zijn gestopt, acht het hof de verlenging van de termijn van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] noodzakelijk om door middel van voormeld onderzoek door [K] te kunnen beoordelen of en hoe de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] weer volledig zelf kan dragen en de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] kan worden weggenomen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 november 2020.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en I.J. Pieters, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 20 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.