Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3876

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
200.284.943
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof bekrachtigt beschikking rechtbank, waarbij verzoek moeder om vervangende toestemming om te verhuizen werd afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.284.943

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 506393)

beschikking van 20 april 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W.N. Sardjoe te Den Haag,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Gruiters te Nieuwegein.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 augustus 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 22 oktober 2020;

  • -

    het verweerschrift in hoger beroep vervangende toestemming tevens incidenteel hoger beroep hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, met wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, met producties;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Sardjoe van 6 november 2020 met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Gruiters van 5 maart 2021 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [B] verschenen.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2014 te [A] , en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2016 te [A] ,

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2

De moeder heeft bij de rechtbank verzocht om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen en haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar [C] te verhuizen en om de kinderen op een school in de regio [C] in te schrijven. De vader heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat, wanneer de moeder naar Zeeland verhuist, de kinderen hun hoofdverblijf bij hem hebben en om een zorgregeling vast te stellen tussen de kinderen en de ouder bij wie zij niet hun hoofdverblijf hebben.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder en de vader afgewezen.

3.4

Bij beschikking van 11 februari 2021 heeft de rechtbank, voor de duur van de procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap:

  • -

    de kinderen aan de moeder toevertrouwd;

  • -

    bepaald dat de moeder gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning te [A] ;

  • -

    een zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen bij de vader verblijven: eenmaal per veertien dagen van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

  • -

    de door de vader aan de moeder maandelijks te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vastgesteld op in totaal € 611,-.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil het verlenen van vervangende toestemming aan de moeder om met de kinderen naar [C] te verhuizen, de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders betreffende de kinderen.

4.2

De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof uitvoerbaar bij voorraad de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek in eerste aanleg alsnog toe te wijzen en als regeling ter uitvoering van het gezamenlijk gezag te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben, althans dat de kinderen aan de moeder worden toevertrouwd (in afwachting van de beslissing in de procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap), de moeder vervangende toestemming te verlenen:
- dat de moeder met de kinderen met ingang van 1 januari 2021 subsidiair 1 juli 2021 of zoveel eerder als mogelijk naar de regio [C] (althans binnen een straal van 25 km vanuit [C] ) kan verhuizen,;
- voor inschrijving van de kinderen op de volgende scholen, op grond van voorkeur en beschikbaarheid:
- Montessorischool [D] te [C] ;
- [E] School te [F] ;
- OBS [G] , [a-straat1] te [H] ,

althans te beslissen als het hof juist acht.

4.3

De vader voert verweer en komt op zijn beurt in incidenteel hoger beroep.

Hij verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, dan wel dat verzoek af te wijzen en (het hof begrijpt:) de bestreden beschikking te bekrachtigen.

De vader verzoekt het hof in incidenteel hoger beroep te bepalen dat:

-als de moeder naar Zeeland verhuist, de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben, althans dat zij voorlopig aan hem zullen worden toevertrouwd;

-de kinderen bij hem zullen zijn:

primair:

*week 1: van woensdag 12.00 uur tot vrijdag 18.30 uur;

*week 2: van woensdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede

*de helft van de vakanties en feestdagen, te verdelen in onderling overleg;

Subsidiair, in het geval vervangende toestemming voor verhuizing wordt verleend:

de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld conform de regeling zoals door hem in randnummer 43 van zijn verweerschrift is vermeld.

4.4

De moeder voert verweer op het incidenteel hoger beroep en verzoekt de verzoeken van de vader ongegrond te verklaren, althans af te wijzen, althans een regeling vast te stellen die het hof juist acht, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.2

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.3

Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

  • -

    de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

  • -

    de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • -

    de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

  • -

    de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • -

    de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;

  • -

    de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

  • -

    de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.4

De ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Hierna zal worden beoordeeld of de keuze van de moeder om te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging te rechtvaardigen valt.

5.5

De moeder stelt het volgende. Zij wenst, nadat haar relatie met de vader is verbroken, met de kinderen naar Zeeland, in de omgeving van [C] , te verhuizen. Zij heeft zich nooit thuis gevoeld in haar huidige woonplaats [A] en zij heeft altijd heimwee gehad naar [C] , waar zij is opgegroeid en waar haar familie en vrienden wonen. In [A] leeft zij in een sociaal isolement. In Zeeland komt zij eerder in aanmerking voor een huurwoning en bovendien betaalt zij dan een lagere huur dan in de omgeving van [A] . Ook kan zij in Zeeland in de onderneming van haar vader werken en heeft zij mogelijkheden voor het starten van een eigen onderneming, waarin zij als emotiecoach wil gaan werken. In Zeeland kan zij, onder andere voor de opvang van de kinderen, gebruik maken van hulp van familie en vrienden. De vader kan zijn omgang met de kinderen in het weekend, zoals die thans verloopt, gewoon voortzetten als de kinderen in Zeeland wonen. Bovendien wil zij meewerken aan een regeling waarbij de vader de kinderen gedurende meer weekenden kan zien dan, zoals gebruikelijk, om de andere week en daarnaast langer met de kinderen samen kan zijn gedurende de vakanties. De moeder kan niet begrijpen dat de vader, die aanvankelijk zijn toestemming heeft gegeven voor de verhuizing, zijn toestemming uiteindelijk heeft geweigerd.

5.6

De vader stelt dat hij aanvankelijk in beginsel toestemming heeft gegeven voor een verhuizing van de kinderen met de moeder naar Zeeland, maar dat hij een uiteindelijk die verhuizing niet in het belang van de kinderen acht. Hij begrijpt dat de moeder last heeft van heimwee naar de plek waar zij is opgegroeid, maar hij denkt dat verhuizen niet de enige oplossing is. De moeder zou zich meer moeten inspannen om haar sociale contacten in haar huidige woonomgeving van [A] uit te breiden. Zij moet in staat worden geacht om werk en een woning in de omgeving van [A] te kunnen vinden. De kinderen hebben alleen maar gewoond in [A] , waar zij inmiddels geworteld zijn. Hoewel hij nu akkoord gaat met de tijdelijke omgangsregeling in het weekend, wil hij uiteindelijk een regeling, waarin hij de kinderen ook doordeweeks bij zich kan hebben. Dat laatste is niet mogelijk als de kinderen in Zeeland wonen.

5.7

De raad heeft tijdens de zitting verklaard het een lastige kwestie te vinden en heeft zich vervolgens onthouden van het geven van advies.

5.8

Het hof oordeelt als volgt. Het is in het belang van kinderen dat zij, ook na een scheiding van de ouders, kunnen profiteren van een zoveel mogelijk gelijkwaardig ouderschap van hun vader en moeder. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader en de moeder betrokken ouders zijn, die beiden het beste willen voor hun kinderen en die, ondanks hun tegenstrijdige belangen in de onderhavige kwestie, hun uiterste best blijven doen om in het belang van hun kinderen op een respectvolle manier met elkaar om te blijven gaan. Het hof acht deze houding van de ouders prijzenswaardig. Toch is het de ouders niet gelukt om het eens te worden over de vraag of de moeder met de kinderen kan verhuizen naar Zeeland.

Het hof zal daarom een belangenafweging moeten maken en daarbij zoveel mogelijk de hiervoor in 5.3 genoemde omstandigheden meewegen.

De noodzaak om te verhuizen.

5.9

Het hof begrijpt de wens en daarmee het belang van de moeder dat zij een gelukkige moeder voor de kinderen wil zijn en dat zij in haar beleving alleen in Zeeland gelukkig zal zijn. Het hof volgt echter de vader in zijn stelling dat niet is komen vast staan dat de huidige gemoedstoestand van de moeder enkel een gevolg is van haar gevoel van heimwee en dat na een verhuizing naar Zeeland geen sprake meer zal zijn van een bedrukte stemming. In die zin zou naar het oordeel van het hof van de moeder, die volgens haar verklaring in een sociaal isolement leeft, kunnen worden verwacht dat zij stappen gaat ondernemen om haar sociale leven in de omgeving van [A] te verrijken en dat zij zo probeert uit dat isolement te geraken. Te denken valt aan het deelnemen aan ouderactiviteiten op de school van de kinderen of het aansluiten bij een (sport)vereniging in de huidige omgeving.

Is de verhuizing goed doordacht en voorbereid?

5.10

Volgens de verklaring van de moeder kan zij na een verhuizing naar Zeeland in de onderneming van haar vader gaan werken en zal zij vervolgens op zoek gaan naar ander werk, mogelijk als zelfstandig emotiecoach. Niet dan wel onvoldoende gesteld of gebleken is dat de moeder er niet in zal slagen om in de omgeving van [A] een geschikte baan te vinden. Hetzelfde geldt voor huisvesting. De moeder heeft gesteld dat zij voorlopig met de kinderen bij haar broer en schoonzus kan inwonen. Afgezien van de vraag of dit voor de kinderen een geschikte woonsituatie is, is ook in dit opzicht niet gesteld of gebleken dat de moeder, mogelijk met een door haar verkregen urgentieverklaring, niet een geschikte woning kan vinden in de omgeving van [A] . De omstandigheid dat de gemiddelde huur in de omgeving van [A] volgens de moeder veel hoger is dan in Zeeland kan hier geen doorslaggevende factor zijn. De moeder kan, afhankelijk van de hoogte van haar inkomen, mogelijk aanspraak maken op huursubsidie.

De geboden alternatieven/compensatie ter beperking van de gevolgen van een verhuizing.

5.11

De moeder heeft aangeboden dat de kinderen na een verhuizing naar Zeeland gedurende een groter aantal weekenden en ook langer gedurende de vakanties dan nu het geval is bij de vader kunnen zijn. Daartegenover heeft de vader verklaard dat hij, zoals ook nu het geval is, zijn ouderrol ook wenst te vervullen op doordeweekse momenten bij (na)schoolse activiteiten van de kinderen. Door de verhuizing van de kinderen naar Zeeland zal hij hierin, gelet op de grote reisafstand, aanzienlijk beperkt worden.

De mate waarin de kinderen zijn geworteld in hun huidige omgeving.

5.12

De kinderen zijn geboren in [A] en hebben daar altijd gewoond. Zij zijn er naar de peuterspeelzaal/school gegaan, hebben er inmiddels hun vriendjes en vriendinnetjes en sociale activiteiten. Bovendien wonen in de omgeving van [A] de grootouders van vaderszijde, met wie de kinderen een goede band hebben en die ook een rol hebben bij de opvang van de kinderen. De kinderen zijn dus in de omgeving van [A] geworteld.

De slotsom..

5.13

Gelet op al het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de belangen van de moeder om met de kinderen naar Zeeland te verhuizen niet zwaarder dienen te wegen dan de belangen van de vader dat de kinderen met de moeder in (de omgeving van) [A] blijven wonen. Het hof zal daarom het verzoek van de moeder afwijzen. Gelet daarop hoeft het verzoek van de vader in het incidentele hoger beroep, dat een voorwaardelijk karakter heeft, namelijk voor het geval de moeder vervangende toestemming krijgt om te verhuizen, geen bespreking meer van het hof. Bovendien liggen de desbetreffende verzoeken thans, in het kader van de procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, nog ter beslissing voor aan de rechtbank. Daarom komt het hof ook niet toe aan het verzoek van de vader om een uitgebreidere zorgregeling vast te stellen dan de regeling die nu geldt. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.14

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 augustus 2020;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, H. Phaff en I.J. Pieters, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 20 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.