Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3875

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
200.283.819
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhuizing. Belangenafweging. Bekrachtiging betreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.283.819

(zaaknummer rechtbank Overijssel 250852)

beschikking van 20 april 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W. Geersen-Janssen te Enschede,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. ter Brake te Enschede.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Hengelo (O),

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (verder ook te noemen: de rechtbank), van 7 augustus 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 21 september 2020;

- het verweerschrift met producties;

- een journaalbericht van 18 maart 2021 van mr. Geersen-Janssen met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 23 maart 2021 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,

- [B] , namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad),

- [C] , namens de GI.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren te [A] [in] 2008, hierna te noemen [de minderjarige1] ,

over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3.2

De vader en de moeder hebben de gevolgen van hun uiteengaan geregeld en neergelegd in het door beiden op 13 maart 2014 ondertekende ouderschapsplan. In dit

ouderschapsplan zijn de vader en de moeder, voor zover hier van belang, overeengekomen

dat [de minderjarige1] en de vader in de oneven weekenden van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur na

het eten omgang met elkaar hebben. Daarnaast is er een regeling afgesproken over de

vakanties en feestdagen.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 2 mei 2014 is bepaald dat de inhoud van het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking.

3.4

Bij beschikking van 5 november 2020 heeft de rechtbank, voor zover hier relevant, als volgt bepaald:

- stelt [de minderjarige1] voorlopig onder toezicht van de GI met ingang van 5 november 2020 tot 5 februari 2021;

- verleent toestemming aan de vader, welke toestemming die van de moeder vervangt, om [de minderjarige1] in te schrijven op [de school] te [A] , tenzij [de minderjarige1] binnen vijf dagen na deze beschikking laat weten voor een andere school in [A] te kiezen;

- veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorg- en contactregeling zoals die is vastgesteld bij beschikking van 7 augustus 2020, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke keer dat zij de zorg- en contactregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,-;

- bepaalt dat de moeder voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het verbod uit de

beschikking van 7 augustus 2020, aan de vader één dwangsom verbeurt van 6.250,-, tot een

maximum van € 5.000,-.

3.5

Bij beschikking van 21 januari 2021 is [de minderjarige1] voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld, tot 21 januari 2022.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de vervangende toestemming voor de verhuizing van de moeder en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank als volgt beslist:

- verbiedt de moeder om met [de minderjarige1] te verhuizen naar [D] ;

- stelt in aanvulling op het ouderschapsplan onder punt c dat deel uitmaakt van de beschikking van 2 mei 2014 met ingang van heden vast dat inzake het recht van het minderjarige kind op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders ten aanzien van de vakanties en feestdagen de navolgende regeling geldt:

Zomervakantie:

de moeder: in de even jaren de eerste drie weken, in de oneven jaren de laatste drie weken;

de vader: in de oneven jaren de eerste drie weken, in de even jaren de laatste drie weken;

Kerstvakantie:

de moeder: altijd de eerste week;

de vader: altijd de laatste week;

Meivakantie:

indien een week, zie ouderschapsplan.

Bij tweede week meivakantie: ieder een week:

de moeder: in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week;

de vader: in de oneven jaren de eerste week en in de even jaren de tweede week;

Kerstdagen:

in de even jaren eerste kerstdag bij de vader en in de oneven jaren tweede kerstdag, waarbij

[de minderjarige1] van 10.30 uur tot de volgende dag 10.30 uur bij de vader zal zijn;

Oud en Nieuw:

in de even jaren is [de minderjarige1] van nieuwjaarsdag 10.30 uur tot 2 januari 10.30 uur bij de moeder en

in de oneven jaren van oudejaarsdag 21.00 uur tot 2 januari 10.30 uur;

Verjaardag ouders:

indien [de minderjarige1] bij de andere ouder is gaat zij van 15.00 uur tot 20.00 uur naar de jarige ouder;

Verjaardag opa’s/oma’s, broers/zussen en nieuwe partners van ouders:

[de minderjarige1] zal op de dag van de verjaardag van genoemde personen van 15.00 uur tot 20.00 uur bij

de ouder zijn van wiens kant het familielid jarig is;

Vaderdag:

vader, indien het niet zijn weekend is van zaterdag 18.30 uur tot zondag 20.00 uur;

Moederdag:

moeder, indien het niet haar weekend is van zaterdag 18.30 uur tot zondag 20.00 uur;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere ouder de eigen kosten

draagt;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht door de vader;

- wijst af de verzoeken van de moeder.

4.2

De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:

- dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om samen met [de minderjarige1] te verhuizen naar [D] ;

- dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om [de minderjarige1] in te schrijven

(ingeschreven te laten) op de middelbare school in [D] ;

- dat de zorgregeling zoals partijen deze hebben afgesproken gehandhaafd blijft met dien

Verstande:

In de zomervakantie [de minderjarige1] 2 weken bij moeder is, twee weken bij vader is, een week bij moeder en een week bij vader.

Tijdens de kerstvakantie en de kerstdagen, sluit de vakantie aan bij de omgangsregeling. Heeft vader het eerste weekend omgang met [de minderjarige1] dan verblijft [de minderjarige1] aansluitend de week tot en met 1e kerstdag bij haar vader. Valt het omgangsweekend in de kerstvakantie dan verblijft vanaf 2e kerstdag tot 31 december bij haar vader.

In de meivakantie is [de minderjarige1] de eerste week bij haar moeder en een eventuele tweede week bij haar vader.

De verjaardagen van ouders en familieleden worden in onderling overleg bepaald.

4.3

De vader voert verweer en verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans het verzoek van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond dan wel onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen zo nodig onder aanvulling dan wel verbetering

van de gronden, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

Verhuizing

5.1

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.2

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.3

Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de

verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in

een vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de

verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is

in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.4

De moeder voert, kort gezegd, aan dat zij de noodzaak om te verhuizen voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat zij voldoende heeft aangetoond dat haar partner niet kan verhuizen. De moeder is van mening dat haar belang om met haar nieuwe partner een leven in [D] op te bouwen dient te worden meegewogen. Volgens de moeder zal de verhuizing geen verandering brengen in de zorgregeling. De moeder is van mening dat haar belangen en de belangen van [de minderjarige1] bij een verhuizing zwaarder wegen dan de belangen van de vader.

5.5

De vader voert hiertegen aan dat er geen noodzaak is om te verhuizen, maar dat het de wens van de moeder is om met haar partner in [D] te gaan wonen. Volgens de vader is de verhuizing niet in het belang van [de minderjarige1] . De vader denkt dat hij door de verhuizing [de minderjarige1] minder zal zien. Hij is van mening dat het belang van de moeder om te verhuizen naar [D] niet moet prevaleren boven het belang van [de minderjarige1] en de vader om in dezelfde woonplaats te blijven wonen.

5.6

De raad heeft ter zitting in hoger beroep kenbaar gemaakt dat het in deze zaak lastig is om een advies uit te brengen, aangezien de raad in deze zaak niet consistent is geweest in zijn advies. De raad heeft zich thans beperkt tot een advies aan de ouders om met elkaar te overleggen en samen een beslissing te nemen die in het belang van [de minderjarige1] is.

5.7

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek van de vader om de moeder te verbieden met [de minderjarige1] te verhuizen naar [D] heeft toegewezen. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

5.8

Als uitgangspunt heeft te gelden dat [de minderjarige1] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder en dat de moeder in overwegende mate de zorg over [de minderjarige1] heeft.

Vooropgesteld wordt dat de ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.

5.9

De moeder heeft de wens om met haar nieuwe partner te gaan samenwonen. Haar partner woont in [D] en kan volgens de moeder vanwege zijn werk en woning niet naar [A] verhuizen. Hoewel de wens van de moeder om met haar partner in [D] te gaan samenwonen begrijpelijk is, is naar het oordeel van het hof de noodzaak van de moeder om te verhuizen naar [D] onvoldoende komen vast te staan. Het hof begrijpt dat de moeder niet nog jaren zal kunnen/willen blijven wonen bij haar moeder in [A] en dat de moeder op termijn op zoek zal moeten gaan naar eigen woonruimte. Dit maakt niet dat daarmee is komen vast te staan dat een verhuizing naar [D] noodzakelijk is. Zo is bijvoorbeeld niet komen vast te staan dat de moeder niet in [A] of omgeving een woning kan huren of kopen. Evenmin is komen vast te staan dat het voor de nieuwe partner van de moeder onmógelijk is om te verhuizen. Dat het in het belang van de nieuwe partner van de moeder is om in [D] te blijven wonen is voor de belangenafweging in deze zaak niet relevant. De redenen die de moeder aanvoert voor haar verhuizing, te weten dat zij bij haar partner wil gaan wonen, is naar het oordeel van het hof een persoonlijke wens van de moeder, maar vormt geen noodzaak voor verhuizing.

5.10

Tegenover het belang van de moeder om in gezinsverband met haar nieuwe partner te kunnen samenleven, staat het belang van [de minderjarige1] en de vader om contact met elkaar te hebben. De moeder heeft weliswaar toegezegd dat zij de zorgregeling zal blijven nakomen en zij heeft ter zitting in hoger beroep ook kenbaar gemaakt dat zij bereid is om het halen en brengen van [de minderjarige1] volledig voor haar rekening te nemen. Echter, dat betekent niet dat de verhuizing van de moeder met [de minderjarige1] naar [D] geen gevolgen zal hebben voor de (toekomstige) omgang tussen de vader en [de minderjarige1] en zijn mogelijkheden om invulling te geven aan het ouderschap en zijn rol als vader van [de minderjarige1] .

5.11

Een verhuizing van [de minderjarige1] naar [D] zal betekenen dat de betrokkenheid van de vader bij de school en hobby’s van [de minderjarige1] door de reisafstand sterk zal worden bemoeilijkt. Zeker als [de minderjarige1] ouder wordt, kan niet van haar worden verwacht dat zij een sociaal leven met sportactiviteiten en vrienden op gaat bouwen zowel in [D] als in [A] . In de situatie dat [de minderjarige1] in [D] woonachtig is, valt te verwachten dat [de minderjarige1] in de weekenden deelneemt aan sociale activiteiten in [D] , en komt een regeling die uitgaat van contacten tussen de vader en [de minderjarige1] tijdens de weekenden, onder druk te staan.

5.12

De reisafstand is tevens door het hof meegewogen. [de minderjarige1] heeft in het kindgesprek verklaard dat zij de reistijd niet bezwaarlijk vindt, maar mogelijk zal de reistijd op den duur voor haar te belastend worden, waardoor de frequentie van het contact met de vader zal verminderen. Het hof acht de inspanning voor [de minderjarige1] om iedere twee weken een reisafstand van circa 200 kilometer (enkele reis) af te leggen onwenselijk en bezwaarlijk. Zeker voor de toekomst, vanwege de leeftijd en interesses van [de minderjarige1] en het feit dat het zwaartepunt van haar maatschappelijke leven dan in [D] zal komen te liggen.

5.13

Verder zal de verhuizing niet alleen het contact met de vader maar ook het huidige sociale leven van [de minderjarige1] beperken. [de minderjarige1] heeft haar hele leven in (de omgeving van) [A] gewoond. [de minderjarige1] woont op dit moment met haar moeder bij haar oma die altijd nauw bij haar betrokken is geweest en met wie zij een hechte band heeft. Ook andere familieleden wonen in (de omgeving van) [A] en ook haar beste vriendin woont in [A] . Bovendien heeft [de minderjarige1] goed contact met haar huidige gezinsvoogd.

Het hof is van oordeel dat [de minderjarige1] zodanig geworteld is in [A] , dat een verhuizing van de moeder dusdanig nadelige gevolgen voor haar zou kunnen hebben dat de belangen van de moeder om haar leven in [D] op te bouwen hiervoor moeten wijken.

5.14

Het hof heeft voorts meegewogen dat de communicatie tussen de ouders te wensen overlaat. Duidelijk is dat partijen, ook met de hulp van de gezinsvoogd, nog niet in staat zijn om in goed onderling overleg afspraken te maken. Het contact en de onderlinge communicatie zullen verder worden bemoeilijkt wanneer partijen op grote afstand van elkaar komen te wonen.

5.15

Het gebrek aan communicatie tussen de ouders heeft een negatieve invloed op de ontwikkeling van [de minderjarige1] . Net als het feit dat [de minderjarige1] op dit moment geen ruimte lijkt te kunnen ervaren voor een onbelast contact met de vader. Het hof is duidelijk geworden dat [de minderjarige1] ernstig te lijden heeft onder de strijd tussen de ouders en het feit dat zij betrokken is geraakt in de strijd die de ouders voeren over de wens van de moeder om met [de minderjarige1] te verhuizen. Zo blijkt dat [de minderjarige1] weet dat als de zorgregeling niet wordt nagekomen dwangsommen worden verbeurd. [de minderjarige1] lijkt klem te zitten tussen de ouders. Gelet op de moeizame onderlinge communicatie tussen partijen en, mede in het licht daarvan, de verschillen van mening ten aanzien van gezagsbeslissingen lijkt [de minderjarige1] te kiezen voor haar primaire verzorger en opvoeder, de moeder. Er bestaat naar het oordeel van het hof dan ook een reëel risico dat bij een verhuizing naar [D] de zorgregeling zoals door de rechtbank vastgesteld niet zal worden nagekomen en dat het contact tussen [de minderjarige1] en de vader nog verder zal worden beperkt.

5.16

Naar het oordeel van het hof heeft de moeder gezien het voorgaande met betrekking tot de mate waarin contact kan blijven plaatsvinden tussen de vader en [de minderjarige1] onvoldoende rekening gehouden met de belangen van zowel [de minderjarige1] als de vader.

5.17

Alle voornoemde belangen en omstandigheden tegen elkaar afwegende, waarbij het belang van [de minderjarige1] centraal staat, maar niet doorslaggevend is, komt het hof tot de conclusie dat het belang van [de minderjarige1] en de vader zwaarder weegt dan het belang van de moeder om met [de minderjarige1] naar [D] te verhuizen. Het door de moeder aangevoerde is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over de verhuizing bekrachtigen.

5.18

Het hof acht het zeer wenselijk dat de ouders zich eerst richten op de noodzakelijke verbetering van de communicatie tussen hen en op het verminderen van de strijd. In het belang van [de minderjarige1] is het zonder meer wenselijk dat de ouders op korte termijn hulp zoeken en aanvaarden om hun communicatie en verstandhouding te verbeteren.

Zorgregeling

5.19

Niet in geschil is dat de vader recht heeft op omgang met [de minderjarige1] , maar wel de wijze waarop daaraan invulling moet worden gegeven.

5.20

Over de zorgregeling overweegt het hof het volgende.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

5.21

De huidige zorgregeling is de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Deze regeling loopt naar behoren. Gelet op de slechte onderlinge verstandhouding en communicatie tussen partijen acht het hof het van belang om een zo gedetailleerd mogelijke zorgregeling vast te leggen. Het hof ziet in hetgeen de moeder heeft gesteld geen, althans onvoldoende, aanleiding om de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling te wijzigen.

Het hof acht de huidige zorgregeling in het belang van [de minderjarige1] en zal de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de zorgregeling bekrachtigen.

5.22

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep gelet op de familierechtelijke betrekking compenseren.

5.23

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 7 augustus 2020;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, K.A.M. van Os-ten Have en L. Hamer, bijgestaan door mr. A.B. de Wit als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen, en is op 20 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.