Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:386

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
200.286.133/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondanks dat sprake is van family life tussen de man en het kind, wordt de man niet aangemerkt als belanghebbende ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om het kind uit huis te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2022/28.72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.286.133/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 506973)

beschikking van 12 januari 2021

inzake

[verzoeker] ,

wonende op een geheim te houden adres,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.G. Wiebes te Lelystad,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de vrouw] ,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.A.J. van Putten te Alkmaar,

de gecertificeerde instelling:
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Almere,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere van 13 augustus 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man heeft op 9 november 2020 een beroepschrift met productie(s) ingediend.

2.2

Bij brieven van de griffier van het hof van 30 november 2020 zijn de man en de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep waarna, het hof de volgende stukken heeft ontvangen:
- een journaalbericht van mr. Wiebes van 8 december 2020 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Wiebes van 11 december 2020 met productie(s);
- een brief van de raad van 11 december 2020 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Van Putten van 15 december 2020 met productie(s);
- een faxbericht van de GI van 16 december 2020.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 16 december 2020 plaatsgevonden. Mr. Wiebes is namens de man verschenen en de heer [A] namens de raad.

3 De feiten

3.1

De vrouw is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2020 (hierna: [de minderjarige] ). De man heeft [de minderjarige] niet erkend.

De vrouw heeft nog vier (oudere) kinderen, waarvan de oudste en de jongste zijn geboren uit de (verbroken) relatie met de man. De man heeft deze twee kinderen erkend en oefent samen met de vrouw gezag over hen uit.

3.2

Bij beschikking van 11 augustus 2020 is de toen nog ongeboren [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 11 augustus 2020 tot 2 januari 2021. Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter het verzoek van de raad om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen van de toen nog ongeboren [de minderjarige] met ingang vanaf haar geboorte afgewezen. De kinderrechter heeft in deze beschikking de man aangemerkt als informant.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de positie van de man als informant. De man betoogt dat hij belanghebbende is. De tweede grief ziet niet op de afwijzing van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing, maar op de voorwaarden die de kinderrechter aan deze afwijzing in het lichaam van de beschikking heeft verbonden. De man is het niet eens met deze voorwaarden voor zover ze mede hem betreffen.

De man verzoekt het hof in hoger beroep om het verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] af te wijzen onder de voorwaarde dat de vrouw de noodzakelijke hulpverlening (waaronder [B] ) accepteert, de adviezen (onder andere van [C] ) opvolgt en instemt, indien [C] dit nodig acht, met een plaatsing in een 24-uurs voorziening.

4.2

De raad refereert zich aan het oordeel van het hof voor zover het de positie van de man betreft. Mocht het hof de man ontvankelijk achten in zijn hoger beroep, dan concludeert de raad tot afwijzing van het verzoek van de man.

4.3

De vrouw meent dat de man ten onrechte niet is aangemerkt als belanghebbende door de kinderrechter. Ten aanzien van de tweede grief refereert de vrouw zich aan het oordeel van het hof.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Allereerst is aan de orde de vraag of de man belanghebbende is in deze zaak en dientengevolge kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. De rechtbank heeft de man niet aangemerkt als belanghebbende omdat hij onvoldoende aannemelijk gemaakt heeft dat er familie- en gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 lid 1 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), bestaat tussen hem en [de minderjarige] . Ook naar het oordeel van het hof kan de man niet als belanghebbende worden aangemerkt in de onderhavige zaak. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

5.2

Ingevolge artikel 798 lid 1, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.

5.3

In jurisprudentie van de Hoge Raad is aangegeven op welke manier hier handen en voeten aan gegeven moet worden. Daaruit volgt dat niet iedereen die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij of sympathie voor de zaak te hebben, ook in de procedure als belanghebbende zal worden erkend. Het woord ‘rechtstreeks’ in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv dient ertoe om onderscheid te maken tussen degene die een zekere betrokkenheid bij de zaak heeft en degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Slechts laatstgenoemde persoon is belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Tot de in dit artikel beschermde ‘rechten of verplichtingen’ behoren de rechten die worden beschermd door internationale verdragen, zoals het EVRM. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) moet worden afgeleid dat een persoon die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, een en ander zoals voorzien in art. 8 lid 1 EVRM, tevens aanspraak erop kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven. Dit alles betekent dat niet in het algemeen aangegeven kan worden wie precies wanneer belanghebbende is. Welke persoon als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop die persoon zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die persoon in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Behalve dat het moet gaan om rechtstreekse, persoonlijke, actuele en concrete rechten en verplichtingen is dus ook de mate van familie- en gezinsleven of privéleven van belang voor de vraag of sprake is van belanghebbendheid.

5.4

Naar het oordeel van het hof is er sprake van familie- en gezinsleven tussen de man en [de minderjarige] . De volgende omstandigheden ondersteunen dit oordeel. De ouders hebben samen twee oudere kinderen. De man is betrokken (geweest) bij de opvoeding van die twee kinderen. De man was daarnaast ook betrokken en ondersteunend bij (een deel van) de zwangerschap van de vrouw van [de minderjarige] . Verder is volgens de man en de vrouw, de man de verwekker van [de minderjarige] , is het de bedoeling van de man en de vrouw dat de man [de minderjarige] gaat erkennen, dat zij zijn achternaam zal dragen en dat de ouders gezamenlijk het gezag over haar zullen uitoefenen. Hiertoe is al een erkenningsformulier ingevuld en door de vrouw mede ondertekend.

5.5

De man wordt echter niet rechtstreeks geraakt in zijn (persoonlijke, actuele en concrete) rechten of plichten volgend uit zijn familie- of gezinsleven door het al dan niet verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing van de toen nog ongeboren [de minderjarige] met ingang vanaf haar geboorte. De man is immers niet de juridische vader van [de minderjarige] en hij oefent geen ouderlijk gezag over haar uit. Daarnaast voedt de man [de minderjarige] niet op en was de relatie tussen de ouders, zoals de man stelt, al bestendig verbroken voordat [de minderjarige] geboren werd. Verder wordt uit de stukken en de toelichting tijdens de zitting duidelijk dat de man met deze procedure wenst te bereiken dat er contact tussen hem en [de minderjarige] zal zijn en dat hij beter geïnformeerd wordt over haar door de GI. Om hierin wat te bereiken staan de man andere rechtsingangen ter beschikking. In het kader van die procedures kan de man door een beslissing over omgang of informatie mogelijk wel rechtstreeks geraakt worden in zijn rechten en verplichtingen en zal hij mogelijk wel belanghebbende zijn. In deze procedure, die gaat over de machtiging tot uithuisplaatsing, geldt dit echter niet.

5.6

Op grond van het vorenstaande zal het hof de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep omdat hij, ten aanzien van de afgewezen machtiging tot uithuisplaatsing betreffende [de minderjarige] , geen belanghebbende is in de zin van artikel 798 Rv. Het hof komt hiermee niet toe aan een verdere inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

5.7

Overigens merkt het hof nog op dat de man ook niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep zou zijn wegens gebrek aan belang. De machtiging tot uithuisplaatsing is immers afgewezen en zijn grieven kunnen niet tot een ander dictum leiden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.A. Vermeulen en

G.M. van der Meer, bijgestaan door mr. M.J. Muller als griffier en is op 12 januari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.